Daklozenkrant

Dealer

Ik ben bijna bij de Dirk van den Broek. De lucht van de bakker ernaast waait me tegemoet. Helaas, want de beste man gebruikt volgens mij geen deodorant. Met voor mijn doen ferme passen wandel ik de bakker voorbij en de Dirk binnen. Boodschappen doen vind ik altijd een enorme klus. Zo vaak ga ik met het verkeerde naar huis. Een mandje zoeken. Mensen zwermen altijd als een soort muggen rond bij de mandjes. Even pak ik bijna het mandje dat de persoon voor mij aan het pakken was. Ik wacht rustig en pak daarna mijn mandje. Een hand op mijn schouder.

“Hey. Ik heb nog flink wat stuks. Het is een goeie deze week, kopen?”

Ik weet dat ik niet in de allerbeste wijk woon, maar midden in de Dirk? Hoe schaamteloos. De junk die me aanspreekt stinkt erger dan de bakker. Wat hij allemaal gebruikt weet ik niet, maar ik heb begrepen dat langdurig drugsgebruik geen positieve invloed op je adem heeft. En dan zijn stem. Door merg en been, en dat na één zin. De waarneming van zijn stem en geur verpesten mijn eetlust. En ik had juist zo’n trek.

“Ga weg man, je hoort hier niet. Schaam je!”

Hij lijkt zich niet te schamen. Integendeel. Ik had gedacht dat mijn reprimande hem bij zinnen zou brengen. Maar zijn weerwoord maakt me kwaad.

“Je moet je zelf schamen. Door types zoals jij ben ik gedwongen om hier te staan, te doen wat ik doe. Als je wist hoe weinig ik hier verdien, dan zou je begrijpen dat ik soms mensen moet aanspreken. Ik heb een vergunning. En heb het fatsoen om je zonnebril af te zetten in een winkel!”

Dit slaat werkelijk alles. Een dealer die mij verwijt dat hij in de supermarkt drugs moet dealen. En nog klaagt over zijn verdienste ook! Los van het feit dat hij de laatste is om kritiek te mogen hebben op hoe ik mij vertoon. In een beschaafd jaar als 2014. En een vergunning? Mijn woede maakt bijna plaats voor totale verwarring. Bijna.

“Ik haal de beveiliging er bij en dan heb je een probleem, vriend. Jij hoort niet vrij rond te lopen. Hier komen mensen met kinderen. Hier komen oudere mensen. Er komen misschien zelfs wel mensen die vroeger verslaafd zijn geweest. En jij doet ze dit aan.”

Tot mijn verbazing vervolgt de dealer zijn verhaal op een verdrietige toon. Zelden heb ik iemand meegemaakt met zulke emotionele schommelingen. Heeft hij van z’n eigen voorraad staan snoepen?

“Ik weet het ook niet meer. Ik ben dakloos. Mensen met kinderen en oudere mensen zijn juist mijn trouwste klanten. Waarom doe je zo onaardig tegen me? Ik heb je niets misdaan. Ik verkoop maar mijn krantjes, zodat ik een brood kan kopen”.

Ik voel diep in mijn broekzak en geef hem een euro. Vandaag verliet ik, voor het eerst sinds minstens een jaar, mijn woning zonder mijn geleidehond Dolly en mijn stok.

Door: Maarten Godschalk

Standaard
Daklozenkrant

Aandraaien

Mijn eerste interview gaf ik aan de daklozenkrant van de stad waar ik toentertijd een kamer had. Een paar weken later kocht ik bij ingang van de Albert Heijn de gehele oplage van de editie met op pagina 3 een foto van mij met daarboven in grote letters de uitspraak “Er is zeker een reële kans aanwezig dat ik hét medicijn tegen aids vind” en gooide dat weekend de stapel in de open haard van mijn ouders.

Ik leerde Anne-Fleur kennen tijdens De Nacht van de Kunst & Wetenschap. We stonden bij een of andere ijzeren stellage dat volgens het kaartje de zin van het leven moest voorstellen. Ze lachte naar me en zei toen: ‘Was het leven maar een stuk staal en een paar bouten. Dan kon je gewoon wat dingen aandraaien als het even niet lekker loopt.’
Anne-Fleur woonde een paar straten verderop, in een studentenhuis waar het altijd feest leek te zijn en waar het elke dag een komen en gaan was van levenslustige leeftijdsgenoten. Ik was daar jaloers op, ik had enkel een zolderkamer in het huis van meneer en mevrouw Havinga, die elke avond na 10 uur de stroom eraf haalden zodat ze zeker wisten dat ze voldoende nachtrust voor de boeg hadden.
Het was dus meer dan vanzelfsprekend dat ik vaak bij Anne-Fleur was en daar ook bleef slapen.
Anne-Fleur studeerde iets waar ik nu de naam niet meer van weet, maar waar ik wel veel grappen over heb gemaakt. Het was een studie die je niet serieus kon nemen. Veel geneuzel en gefilosofeer in de ruimte. Vrijetijdskunde, zoiets. In ieder geval geen biomedische wetenschappen en zeker niet iets waar je een verschil mee kon maken in de wereld.
Het was dus ook meer dan vanzelfsprekend dat een van haar huisgenoten mij wou interviewen. Gerard was zijn naam, hij studeerde journalistiek en liep stage bij de plaatselijke daklozenkrant. Daar had ik ‘m in de gezamenlijke keuken tijdens het koken van weer een pan macaroni vaak mee gepest. Wat voor sukkel ben je als je niet eens een stage kan regelen bij een echte krant? De daklozenkrant, wat een lachertje. Dat is nog lager dan een huis-aan-huiskrant en die is gratis en leest al niemand, dus moet je nagaan.

In de gedeeltelijk paars geverfde kamer van Anne-Fleur vroeg Gerard mij naar de universiteit waar ik aan studeerde, mijn studiekeuze, mijn gewenste afstudeerrichting en mijn droombaan. Het zal toen ook geweest zijn dat hij op z’n blaadje die belachelijke quote over aids noteerde en de kop al voor zich zag. In de hoek van de kamer had Anne-Fleur meegeluisterd. Ze lag op haar bed dat net groot genoeg was voor twee personen, een twijfelaar. ‘He Geer, wanneer ga je eens echte vragen stellen?’ vroeg ze toen Gerard door z’n lijstje was. ‘Vragen over het leven en zo. Of dit het is.’
‘Of wat het is?’ vroeg ik.
‘Dit,’ antwoordde ze.
‘Dit…,’ herhaalde ik weifelend.
‘Ja,’ zei ze, ‘of dat er meer is.’
‘Er is altijd meer,’ zei Gerard. ‘Maar de vraag is of je het nodig hebt of dat het prima is dat je enkel wéét dat er meer is mocht je op een gegeven moment klaar zijn om meer willen.’
Ik gaapte en Anne-Fleur stond op van haar bed. Met haar rechterhand ging ze door haar lange haar.
‘Zo heb ik er nog nooit naar gekeken,’ zei ze. ‘Waarom hebben wij hier nooit eerder over gepraat, Gerard?’

Die avond vond ik op de tast mijn bed en zocht ik in het donker naar nieuwe antwoorden.

Standaard
Daklozenkrant

De officiële verkoper

Tot straks, Kasper,’ zei dichter Simon Wittebrood, die men onder meer kon kennen van bundels als Calamiteit op de Haarlemmerdijk of het iets minder verkochte doch danig succesvolle Witte Bonen, Wat Weten Jullie Nou.

‘Tot zo,’ zei de dakloze, ‘kwijlen met de traan open.’
De dichter deed structureel alsof hij de daklozenkrantenverkoper niet hoorde, maar intussen onthield hij alles. Het was niet voor niks dat hij acht keer per dag naar de supermarkt ging. Eigenlijk wist de dichter dat het te gek voor woorden was dat hij de teksten van deze man plagieerde. Hij schrok regelmatig wakker van het idee ooit ontmaskerd te worden. Dan overviel hem een paniek die hij niet kon controleren.
Als men erachter kwam dat hij geen enkele zin zelf had bedacht, was hij erbij. Dan had hij geen rubriek meer in een kwaliteitskrant, verloor hij zijn dagelijks poëzie-item op de radio. Sterker nog, dan was zijn vooraanstaande rol in de maatschappij ineens uitgespeeld. De auto die zijn imago is, die hij voor de buitenwereld helemaal zelf zo mooi en geduldig had opgeknapt, zou dan zo ingedeukt zijn dat hij onherstelbaar van de wegen verbannen zou worden. De gedichten met bijbehorende grote prijzen zouden van hem afgenomen worden en aan de dakloze man worden toegeschreven en -gewezen. En terecht, natuurlijk. Maar, dacht de dichter, misschien schrijf ik dan wel een boek over dit hele echec. Dan zit ik aan tafel bij Pauw of Tan, samen met een welkundig schrijver, een wél kundig schrijver, aan wie ik dan een hele desperate brief heb geschreven. Het dreef hem daarom nog niet tot totale waanzin, waardoor hij het maar voortzette. En bovendien, zover was het allemaal nog niet.

De dakloze had een dusdanige gave, dat velen die als een vloek zagen. Dat gebeurde vaker bij wat van het gemiddelde afwijkende personages aan deze kant van het land, maar hoogstwaarschijnlijk overal. Deftige dames gingen voor hem aan de kant met hun handtasjes stevig omklemd, pubers lachten hem uit. Alleen soortgelijken erkenden zijn talent. Soortgelijken met een vergelijkbare gave – sommige bedeeld, de meeste minder. Het deed de dakloze niets meer. Nu was het zijn lot, dacht hij. Zoals vele minderbedeelden in deze wereld, was hij een gelovig mens geworden. De gedachte dat al zijn onfortuin een reden had, dat iemand een plan voor hem had – dat iemand überhaupt aan hem dacht – hield hem op de been.

De dichter zat aan zijn dichttafel. Het was midden in de nacht, hij had de kaars aangestoken. Hij had geen aandrang gevoeld naar bed te gaan, daarvoor was de naderende dag te onberekenbaar. Hij had zijn dichtcolumn voor de krant uren geleden al ingestuurd. Vastberaden had hij zijn zinnen gezet, achter elkaar op het papier:

Ik speel immer
alleen
in de verdomhoek
met poppen,
ze dansen
af op de stompen van mijn boek.

Reken me in
Ik ben erbij
Tegen mijn zin
Byzantinisme
En zifterij

Dit is het eerste gedicht van Simon Wittebrood. Al mijn eerdere werk moet op het conto van Kasper, een daklozenkrantverkoper op de Haarlemmerdijk, worden bijgeschreven.

De volgende dag werd de dichter platgebeld door zijn uitgeverij, de redactie van de krant en een groot aantal journalisten. Maar geen enkel telefoontje nam hij op, hij had zijn lot aanvaard. Hij stond vanaf nu met een hesje aan voor de supermarkt.

Standaard
Daklozenkrant

Net poedersuiker

Mijn vader had zijn eigen dakloze. Niet die bij de Albert Heijn want die vond hij niet aardig, maar die bij de ingang van het grote winkelcentrum. Die had een woeste baard en hij praatte een beetje raar. ‘Goede-morgen, wilt oe een krantjee kopen?’ Soms deed mijn vader dat en dan praatten ze samen in het Engels. Daar verstond ik niet veel van dus dan keek ik altijd even in het krantje. Er was niet veel aan.

‘Staat er nog wat leuks in, Bink?’ vroeg mijn vader aan mij.
Ik keek naar een bladzijde waar een foto op stond van een grote berg wit poeder.
‘Ko-keh en ver-derf’ las ik voor.
‘Wat?’
‘Kijk, daar.’
Mijn vader pakte het krantje uit mijn hand. ‘O, coke en verderf.’
‘Wat?’
‘Dat is een woordspeling.’ Hij gaf de dakloze wat geld en zei: ‘Aju, vriend!’
Mijn vader en ik liepen naar de auto, de dakloze bleef staan bij de ingang van het winkelcentrum. Ik keek even achterom en zag dat hij de muntjes in zijn hand telde.
‘Waarom noem je hem vriend?’ vroeg ik aan mijn vader. Hij noemde zijn vrienden nooit ‘vriend’ maar gewoon Pim of Richard.
‘Ik weet zijn naam niet meer’ zei mijn vader. ‘Het was iets Russisch, Slava of Sasja ofzo.’
‘Is hij echt je vriend?’
‘Natuurlijk.’ Mijn vader pakte mijn hand. ‘Waarom niet?’
Toen we bij de auto waren, laadde mijn vader de spullen in de achterbak. We hadden een barbecue en een opblaaskrokodil gekocht.
‘Ik ga voorin!’ riep ik automatisch.
‘Natuurlijk ga jij voorin, gek.’ Mijn vader hield de deur al voor me open. ‘We zijn met zijn tweetjes!’
‘Alleen met de mannen!’ riep ik want dat zei mijn vader ook altijd.
Ik ging voorin zitten en mijn vader startte de motor. Mijn gordel deed ik niet om.
‘Papa’ vroeg ik. ‘Wat is coke?’
‘He?’
‘Dat witte spul. Uit het krantje.’
Ik zag dat mijn vader even twijfelde. Toen zette hij zijn ‘alleen met de mannen’-gezicht op en zei: ‘Coke is een wit poedertje. Sommige mensen vinden het heel lekker maar het is heel heel slecht voor ze.’
Ik dacht even na. ‘Is het een soort van poedersuiker?’
Mijn vader grijnsde. ‘Soort van. Maar dan voor grote mensen. En het is zó slecht voor je dat sommige mensen er zelfs dakloos van worden.’
Nu snapte ik er helemaal niets meer van. ‘Is het een soort hele gevaarlijke sneeuw?’ Ik zag een huis voor me dat helemaal bedolven werd onder de poedersneeuw, totdat het instortte.
Mijn vader lachte, zó hard dat hij voorover moest buigen en zijn neus bijna het stuur raakte.
‘Ja, zo noemen mensen het wel eens.’ Hij veegde een traan uit zijn ooghoek. ‘Maar geen gekkigheid.’ Hij keek even naar me, en toen snel weer naar de weg. ‘Dat soort spul moet je nooit gebruiken, Bink.’
‘Nee, ik wil toch geen dakloze worden?’ zei ik. Het leek me maar niets om de hele dag voor het winkelcentrum te moeten staan.
‘Precies’ zei mijn vader. ‘En niet tegen mama zeggen dat we het hierover gehad hebben, hè? Dat vindt ze vast weer niet goed.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat het niks voor kinderen is. Die daklozenkrant trouwens ook niet.’
‘Die vind ik toch stom.’
‘Zo mag ik het horen, vriend.’
‘Ben ik jouw vriend?’
Hij lachte. ‘Jij bent mijn zoon.’
Ik keek hem aan. ‘Alleen maar dat?’
‘Natuurlijk niet!’ Hij boog naar me doe en aaide me over mijn hoofd. ‘Je bent mijn beste vriend, Bink. Mijn aller- allerbeste vriend.’
Ik keek uit het raam. Ik geloofde dat hij het meende. Ik had alleen net met Mees uit mijn klas afgesproken dat hij mijn allerbeste vriend was. Dus dat kon ik niet terug zeggen.
‘Jij bent ook een vriend van mij, papa.’
‘Zo is dat’ zei mijn vader.
Ik dacht aan de daklozenkantverkoper met zijn warrige baard. Mijn vader was altijd gladgeschoren, behalve op zaterdagochtend wanneer ik voor het ontbijt bij hem en mama in bed mocht kruipen. Maar dan had hij alleen wat stoppels.
‘Wij zijn vrienden’ zei ik tegen mijn vader. Ik had hem wel door. ‘Maar jij en de dakloze niet.’

Standaard
Daklozenkrant

Horres en Van Dam in: De Kille KatanaKiller

Ik vind het echt enorm cliché dat we deze lijken in een steegje vinden.’
Horres bekeek zijn duidelijk geïrriteerde partner eens goed. Een druppel zweet hing aan het puntje van Van Dams neus en z’n haar hing als nat gras voor z’n ogen. Hij kneep z’n ogen stijf dicht.
‘Ik bedoel, waarom kan dit nou niet eens op een lekker terrasje gebeuren? Dat we het resultaat van een of andere morbide schietpartij onder het genot van een lekker fris pilsje kunnen onderzoeken. Pootjes omhoog, misschien een sigaartje erbij, want waarom ook niet, en dan kijken we dan wel verder. Maar nee, die vuile zwervers-’
‘-zwervers, Van Dam?’
Verstoord keek Van Dam op.
‘Ja, dat zie je toch?’ Van Dam wees naar een van de lijken. ‘Kijk dan! Een daklozenkrant onder de arm? En daar, een hele stapel van die dingen! Hoe duidelijk wil je het hebben?’
‘Oh, eh, ja’, stamelde Horres.
‘Maar nee, de heren vonden het nodig hun Kill Bill-achtige situatie uit te voeren in een donker, vochtig steegje waar het kwik de veertig graden haalt dankzij een vernuftig systeem van ventilatieschachten en ongeïsoleerde verwarmingsbuizen.’
Van Dam haalde even adem en stootte toen zijn conclusie uit, zuchtend onder de hitte: ‘Het is niet alleen cliché, het is beledigend voor ons vak.’

Horres boog zich naar het lichaam waar het hoofd nog aan zat. Een katana stak in de borst van een dikke man, waarbij het vale t-shirt dat hij aanhad helemaal doormidden was gescheurd. Hij duwde met zijn voet tegen de rechterhand, die als een tak terugzwenkte naar zijn oude positie.
‘Die zijn al even dood’, mompelde Horres.
‘Ik weet serieus een hartstikke leuk cafeetje, hier even om de hoek. Laten we daar even gaan zitten, Horres. Deze gasten blijven hier nog wel even liggen. Kom, pakken we een pilsje. Lekker.’
Horres stapte over het lichaam naar Van Dam toe en pakte hem in het voorbijgaan bij de schouder. ‘Waarom ook niet’, sprak hij berustend, terwijl hij Van Dam omdraaide en hem met zich mee duwde.

Terwijl Van Dam Eye of the Tiger inzette zonder de schermen met tekst nodig te hebben, keek Horres eens op zijn horloge. Vier uur. Het was nu geen moeite meer om naar bed te gaan. Hij bestelde nog een biertje bij de barvrouw van karaokecafé The End en draaide zich naar een hoog uithalende Van Dam. Applaus viel hem ten deel, waarna hij zich weer aan de bar meldde. Een druppel zweet viel van zijn neus in het bier van Horres.
‘Weet je wat ik niet snap, Van Dam?’
‘Waarom twee zwervers met één katana elkaar afmaken in een donker steegje?’
‘Ja, dat ongeveer.’
‘Ik denk dat we er sterk rekening mee moeten houden dat er een derde persoon in het spel is, Horres. Iemand die het geleur met die daklozenkranten helemaal zat was en besloot er een einde aan te maken. Ik vermoed dat onze dader gewacht heeft tot de zwerver bij de Albert Heijn vandaan liep, hem is gaan volgen en in het steegje de katana onder zijn lange jas vandaan haalde. Het was zo voorbij, maar hij had de pech dat er net een andere zwerver aan kwam lopen. Toen moest die ook dood. Waarschijnlijk is hij toen in paniek weggevlucht, vandaar die voetsporen in het bloed die jij nog niet gezien had. Achteraf gezien toch niet zo’n clichémoordpartij als dat ik dacht hè? Oh, we zijn weer Horres! Ons liedje! When You Say Nothing At All!’

Lees de eerdere avonturen van Horres en Van Dam:

De Dode Wodkaliefhebber
– Vuile Spelletjes
Het Regent
Met Voorbedachten Rade
Het Witte Goud

Standaard