Puntzak friet

Hoe er niets verandert

Op zaterdag is het hier het aller drukst. Inwoners van de stad weten dat ze dan in hun appartementen moeten blijven tot na 16:00, dan neemt de drukte af en is de stad weer van hen. Tot die tijd is er het huishouden, met slecht weer, wellicht een film, misschien zelfs kamermuziek en een boek en in de meest vlijtige gevallen is de zaterdag een uitgelezen dag voor een klusje in huis. Zelden zie je de centrumbewoner zich door een kluwen aan mensen voortbewegen om naar een belangrijke afspraak te gaan, ze wachten geduldig en geven het centrum uit handen, tenzij het echt niet anders kan.

Zaterdag is ook de dag van de jengelende kinderen die in deze benauwde situatie niet thuishoren, maar door menig moeder en vader meegetorst worden voor een nieuw setje kleding, of schoenen omdat er in de familie een feest aan zit te komen. Ze dreinen, hangen achter de ouders aan, schoppen amok waar dat kan, niet wetende dat de dag in het stadscentrum alleen maar langer duurt.

Ergens ben ik eender met deze kinderen, ik hang in de stad, drein als ik er moet zijn en kan niet, ook al is mijn wens toe te geven aan het ‘wel kunnen’, weg uit deze stad. Vandaag zeker niet. Mijn moeder heeft een hele reis ondernomen om hier te komen. Gezellig, zoals het de Nederlander betaamt. Mokkend loop ik via de smalle steegjes richting de markt, waar we, op mijn aandringen, af hebben gesproken bij het stadhuis, omdat juist daar de mensen niets te zoeken hebben op zaterdag. De betrekkelijke rust die er heerst is eenzelfde op mijn pad daarnaar toe. Tot op heden ben ik ontsnapt aan de gedrapeerde brij aan levende mensenlijven en hun nageslacht die, krioelen als mieren op een weggeworpen lolly.

Een krijsend exemplaar passeert me. ‘Ik wil naar huis’, eendachtig en weemoedig knik ik naar hem, als ik mijn moeder dirigeer naar de rustige straten en zij weigert omdat ze al zo lang niet in de stad is geweest.

Een man staat op mijn hakken. Ik wil twee mensen inhalen en op het moment dat ik langs ze wil lopen staan ze ineens stil waardoor ik tegen een plastic tas aan bots en de lingerie die de dame heeft gekocht om het huwelijk nieuw leven in te blazen, schuurt langs mijn been. Het is warm, ik draag een korte broek. De hitte overmand me en ik zeg dat mijn moeder. Zij zegt mij op haar beurt, dat ik niet moet zeuren, ‘je lijkt wel een kind’. En als ze mijn gezanik echt beu is doet ze wat ze altijd deed. Ze trakteert me op een puntzak friet, snoert mij de mond met patat en mayonaise. Tussen alle kinderen delen wij allemaal hetzelfde geluk. We zijn met succes omgekocht.

Door: Bas Geeraets

Standaard
Puntzak friet

Patat speciaal

Om te begrijpen waarom Rodney Graatmeter tegenwoordig patat speciaalzaken mijdt zoals Yvon Jaspers vrijgezelle boeren buiten opnametijd, moeten we even naar een paar maanden geleden, naar 14 maart 2014 om precies te zijn.

Rodney was nog jong, naïef en had, geheel volgens de heersende trend, zijn baard laten staan. Sterker nog, we pakken het verhaal op bij het punt waar hij net de deur achter zich dichtsloeg van een baard speciaalzaak in Rotterdam, alwaar de donkerblonde haren op zijn kin en rondom de kaaklijn stilistisch geordend waren naar voorbeeld van hippe Hollywoodsterren en zangers in folkbands met grote trommels en kleine gitaren die men in “het wereldje” sinds enige tijd vakkundig aanduid met de term banjo’s omdat de omschrijving kleine gitaren nu eenmaal veel verwarring zaaide onder muziek speciaalzaken door heel het land aangezien iedereen immers een ander idee heeft bij de kwalificatie klein.

U begrijpt, Rodney Graatmeter was die dag goed gemutst, want ook mutsen waren hip en hoe handig, het bedekte ook perfect het deel van z’n hoofd waar stilistisch gezien eigenlijk een knotje had moeten zitten. Maar, en dit beseft Rodney heden ten dage als geen ander, je kan niet alles hebben in deze wereld die soms wel enkel lijkt te draaien om mooie mensen en hippe muzikanten die perfect weten bij welke afmetingen je zo’n ding met snaren geen gitaar meer noemt maar een “banjo”.

Goed, onze hoofdrolspeler liep dus de baard speciaalzaak uit en na het oversteken van het zebrapad haalde hij z’n to-do lijstje tevoorschijn. Hij zag ‘kappertje doen’ bovenaan staan en al voelend in z’n broek- en daarna jaszakken, kwam al gauw het besef dat een balpen deze ochtend niet tot zijn urban city walking outfit behoorde. “Wat voor zin heeft een lijstje dan nog, als je niks kan lopen afstrepen!” riep hij in de drukke winkelstraat. “Helemaal geen kloot, of wel dan!”
Rodney Graatmeter beende een Etos in, want onder ‘kappertje doen’ had hij een paar uur eerder met de nog thuis liggende (of onderweg verloren) balpen ‘gelletje kopen’ geschreven. In de drogisterij gebeurde niks noemenswaardig; er waren voldoende haarstylingproducten aanwezig die het te besteden budget van Rodney weinig kwaad deden.

Het ging echter goed mis met onze held toen hij voldaan en met in zijn linkerhand een wit plastic tasje (inhoud: 1 gelletje) de drogisterij verliet en koers zette richting het centrum. Hij naderde patat speciaalzaak De Vieze Vette Vlaamse Gaai en zag van een afstandje al dat er stront aan de knikker was. Want wie stond daar op de stoep zijn dikke bakkes vol te proppen met grote gele patatten? Inderdaad: Barry Koperplaat, Rodney Graatmeters grote en succesvollere rivaal met een stilistisch superkapsel waar folkzangers hun favoriete kleine gitaar zonder twijfel voor zouden afstaan.

Uitgerekend Barry Koperplaat. Of zoals Rodney hem nu in het centrum van Rotterdam binnensmonds noemde en ook in de veilige omgeving van familie en vrienden: Barry –gloeiende, gloeiende- Koperplaat. Toch liet onze hoofdrolspeler zich niet kennen. Rivaal of niet, voor last minute routewijzigingen had zijn drukke zaterdagschema nu eenmaal geen ruimte. Rodney nam een grote hap lucht, trok zijn mutsje nog ietsjes schuiner en wandelde toen met gepaste snelheid langs patat speciaalzaak De Vieze Vette Vlaamse Gaai. Voor even dacht Rodney Graatmeter dat zijn grote en succesvollere rivaal hem niet had opgemerkt, maar vlak voor zijn geplande opluchtingszucht ging het dan toch mis.

“Schattig mutsje, Rukney,” riep Barry Koperplaat en balorig wierp hij z’n lege puntzak naar onze hoofdrolspeler. “Heb je moeder die lopen breien?”

Een hatelijke opmerking want iedereen in Rotterdam en omstreken wist dat de moeder van Rodney sinds de verloren breifinale van 1985 in een uitverkocht Feyenoordstadion geen breinaald meer had aangeraakt. Dat de winnares, Klaartje Koperplaat, met het prijzengeld een uiterst succesvolle brei- en punnik speciaalzaak was begonnen, had de familie Graatmeter recht in het hart getroffen. Die geschiedenis in het achterhoofd houdend, zorgde ervoor dat Rodney de woorden van Barry Koperplaat voelde als duizend zweepslagen op zijn met wijze teksten getatoeëerde rug. Daar, voor patat speciaalzaak De Vieze Vette Vlaamse Gaai, vocht onze hoofdrolspeler met z’n gelletje in het witte plastic tasje in zijn linkerhand en een niet afgestreept to-do lijstje in z’n rechterbroekzak tegen de opkomende tranen en koos hij eieren voor z’n geld. Barry Koperplaat geen woord gunnend stapte Rodney verder, maar door het uitglijden over de lege puntzak viel een groot, vernederend lachsalvo hem ten deel. Ja, 14 maart 2014 was een speciale dag in het met trauma’s bezaaide leven van Rodney Graatmeter, enig zoon van Aaltje Graatmeter, drievoudig verliezend breifinaliste in de jaren ’80 van de vorige eeuw.

Standaard
Puntzak friet

De Trappen van Vergilius

En toen besefte ik: geluk zit hem in de kleine dingen,’ zei de kersverse weduwnaar en alleenstaand stiefvader tijdens zijn begrafenisrede.

‘Dat kleine ding van jou zeker,’ riep Jonathan, terwijl hij de man naast hem – een oudoom of een buurman, wat maakt het uit – iets te hard op zijn bovenbeen sloeg. Een verbaasd doch harmonieus ‘Oôh’ gonsde door het kerkgebouw, als was het een belichting van de Luthers georiënteerde geloofsopvatting die voornamelijk Duitse componisten in de loop der tijd in hun muziek hadden verwoord. Jonathan stond op, keek de zaal even rond en nam een diepe buiging alsof hij het koor dat het begrafenispubliek was geweest met verve had gedirigeerd. Hij keek naar Bram, die aan de andere kant naast hem zat. Die aarzelde even, maar ging uiteindelijk ook staan. Gebroederlijk liepen ze over het middenpad richting de narthex van de kerk. De minuten voordat de weduwnaar het woord had genomen, had een prachtig lied geklonken. Het was een ontzettend pathetische dienst, vond Jonathan. Hij hoorde nog net een vrouw fluisteren dat het juist voor hem zo lastig was.
Ze duwden allebei een van de twee houten kerkdeuren hard open en deden vervolgens hun stropdassen los. Jonathan deed het soepel, bij Bram ging het uiterst knullig. Ze streken neer op een terrasje van een nabijgelegen café.
‘Wat gaan we doen, Jo?’
‘Ik wil iets doen wat nog niemand heeft gedaan, broertje,’ zei Jonathan, vlak nadat hij de rook van zijn sigaret in de vorm van sterretjes had uitgeblazen.
En toen verscheen er een jongen met één been aan hun tafel, met rozen in zijn hand en een polaroid camera om zijn nek. Nadat de broers – voordat hen iets gevraagd was – zowel de bloem als een foto hadden geweigerd, lachte de jongen en vroeg hij hen of ze in het lot geloofden.
Ze bleven stil. Ze wisten het niet, zeiden ze.
‘Volg mij,’ zei hij. Ze knikten.
Hij ging hen voor, langzaam, maar vrolijk. Hij zong soms hardop en danste af en toe. Zo leidde hij ze door de straten van de stad. Ze liepen langs de kerk, een steegje door en staken dwars over het Plein van Alighieri. Ze volgden de jongen totdat ze bij de bronzen trappen van Vergilius aankwamen. In de onderste trede stond een tekst gegraveerd: SIC ITUR AD ASTRA. De jongen keek even om en glimlachte. De broers stonden vertwijfeld onderaan de steile trap. Naar boven klimmen had nog nooit iemand gedurfd. Ze keken toe hoe de jongen rustig, trede voor trede, naar boven hopte.
‘Dit is het,’ zei Jonathan.
Ze volgden. Aanvankelijk snel, maar hoe hoger ze kwamen, des te langzamer hun passen. Op het moment dat een donker bos aan hen verscheen en de trap niet over meer treden leek te beschikken, hoorden ze het zingen van de jongen ineens achter zich, steeds zachter wordend. Ze waren alleen. Op goed geluk dwaalden ze door het bos, ze konden amper iets zien. Op een gegeven moment hoorde Jonathan zijn broertje niet meer en hij was doodmoe. En net toen hij de weg terug had gevonden, kwam hij niet meer vooruit en verloor hij zijn evenwicht. Hij tuimelde de trap af en het werd lichter. Lichter in zijn hoofd, lichter om hem heen. En terwijl er maar geen einde kwam aan zijn val, dacht hij aan zijn moeder. Hij herinnerde zich hoe hij eens naakt was gaan zwemmen, maar toen hij uit het water kwam merkte dat zijn kleren waren gepikt door jongens uit de klas. Het enige wat hij kon doen om de gêne lichter te maken, was zijn geslachtsdeel in het lege puntzakje friet stoppen, dat voor hem op de grond lag. Een uitgebreid hoongelach viel hem ten deel. Hij zou het woedend huilende gezicht van zijn moeder nooit vergeten, toen ze zijn kleren uit de handen van de klootzakjes had gegrist en hem de auto in sleurde.

Jonathan voelt een natte hand in zijn gezicht. Hij schrikt op, haalt adem, schudt zijn hoofd en kijkt om zich heen. Hij ziet een lelijk schilderij van een ondergaande zon en een tafel met een koffiekan erop en papieren bekertjes ernaast. Het hoofd van Bram komt steeds dichterbij.
‘Jo, gaat het? Drink wat water. We gaan zo beginnen.’

Standaard
Puntzak friet

Lieve Tom

Wauw Tom.

Je hebt mijn hoofd op hol gebracht. En niet alleen mijn hoofd, ook mijn telefoon. Het aantal appjes met aanmoedigingen om jou te schrijven is niet te tellen. Ze vinden dat je in de familie past, Tom. En in het vriendenclubje. Ze willen je allemaal graag ontmoeten en ze gebruiken mij om met je in contact te komen. Maar als ik je eenmaal heb, houd ik je lekker voor mezelf.

Ik heb mijn tractorrijbewijs. Misschien vind je dat prettig om te weten. Ik heb al heel lang niet meer op de trekker gezeten, maar zoiets verleer je niet hè. Net als fietsen. Ik kan dus heel goed meehelpen op jouw tulpenkwekerij. Ik houd ontzettend van tulpen. Helaas gaan ze bij mij altijd snel dood. Misschien komt dat door de luchtvervuiling in de stad. Daar kun jij me vast meer over vertellen, Tom.

Mooie, knappe Tom.

Jouw ogen vielen me als eerst op. Daarna je lach. Wat lach je leuk, Tom. En je komt helemaal niet over als zo’n onnozele boer die ze vaker in dat programma hebben. Ik heb eigenlijk niet gezien of er veel onnozelheid in dit seizoen zit. Nadat jij was voorgesteld heb ik niet meer gekeken. Ik ben meteen naar huis gefietst en in de pen geklommen.

Je bent knap Tom. Of liever gezegd: bloedmooi. Ik zou wel een kunstje op je kunnen. Haha. Kennen jullie die uitspraak in de kop van Noord-Holland? Hier in Brabant zeggen we het vaak.
Waarom heb jij nog geen vriendin, Tom? Je hebt alles mee; je ziet er goed uit, hebt een mooi bedrijf, waarschijnlijk veel geld en nog een vlotte babbel ook. Er moet toch íets mis zijn met je… Het is bijna te mooi om waar te zijn. Sla je vrouwen? Heb je misschien veel konthaar?

Ik ben verliefd op je, Tom. Stapel. Ik was bij mijn vriendin toen ik je op televisie zag, maar ik heb buikpijn geveinsd en ben naar huis gegaan om je te schrijven. Zij hoeft niet te weten dat ik je schrijf. Zij vond je ook leuk en heeft een motor. Dan gaat ze daarmee lopen pochen. Misschien ben je daar gevoelig voor. Ik heb geen motor, Tom. Ik vind motoren eng.

Ik kom nu misschien een beetje verward over, maar zodra de eerste verliefdheid is opgetrokken ben ik heel stabiel. Je zoekt een lieve, stoere en gezellige meid. Nou, dat ben ik allemaal. Lief vooral. Ik ben ontzettend lief, Tom. Zorgzaam ben ik ook. Op de website zag ik dat jouw moeder nu nog het huishouden voor je doet, maar dat hoeft dan niet meer. Ik neem het graag van haar over. Terwijl jij lekker tussen de tulpen werkt, zorg ik voor je natje en je droogje. En als je dan thuiskomt na een lange dag, masseer ik je voeten. Ik zie het al helemaal voor me, Tom.

Kies mij, lieve Tom. Dan kunnen we samen een keer een puntzak friet eten ofzo. Om elkaar wat beter te leren kennen.

Liefs,
Linda

Standaard