Verhaal #385 • Afgesproken thema: Puntzak friet

Hoe er niets verandert

Op zaterdag is het hier het aller drukst. Inwoners van de stad weten dat ze dan in hun appartementen moeten blijven tot na 16:00, dan neemt de drukte af en is de stad weer van hen. Tot die tijd is er het huishouden, met slecht weer, wellicht een film, misschien zelfs kamermuziek en een boek en in de meest vlijtige gevallen is de zaterdag een uitgelezen dag voor een klusje in huis. Zelden zie je de centrumbewoner zich door een kluwen aan mensen voortbewegen om naar een belangrijke afspraak te gaan, ze wachten geduldig en geven het centrum uit handen, tenzij het echt niet anders kan.

Zaterdag is ook de dag van de jengelende kinderen die in deze benauwde situatie niet thuishoren, maar door menig moeder en vader meegetorst worden voor een nieuw setje kleding, of schoenen omdat er in de familie een feest aan zit te komen. Ze dreinen, hangen achter de ouders aan, schoppen amok waar dat kan, niet wetende dat de dag in het stadscentrum alleen maar langer duurt.

Ergens ben ik eender met deze kinderen, ik hang in de stad, drein als ik er moet zijn en kan niet, ook al is mijn wens toe te geven aan het ‘wel kunnen’, weg uit deze stad. Vandaag zeker niet. Mijn moeder heeft een hele reis ondernomen om hier te komen. Gezellig, zoals het de Nederlander betaamt. Mokkend loop ik via de smalle steegjes richting de markt, waar we, op mijn aandringen, af hebben gesproken bij het stadhuis, omdat juist daar de mensen niets te zoeken hebben op zaterdag. De betrekkelijke rust die er heerst is eenzelfde op mijn pad daarnaar toe. Tot op heden ben ik ontsnapt aan de gedrapeerde brij aan levende mensenlijven en hun nageslacht die, krioelen als mieren op een weggeworpen lolly.

Een krijsend exemplaar passeert me. ‘Ik wil naar huis’, eendachtig en weemoedig knik ik naar hem, als ik mijn moeder dirigeer naar de rustige straten en zij weigert omdat ze al zo lang niet in de stad is geweest.

Een man staat op mijn hakken. Ik wil twee mensen inhalen en op het moment dat ik langs ze wil lopen staan ze ineens stil waardoor ik tegen een plastic tas aan bots en de lingerie die de dame heeft gekocht om het huwelijk nieuw leven in te blazen, schuurt langs mijn been. Het is warm, ik draag een korte broek. De hitte overmand me en ik zeg dat mijn moeder. Zij zegt mij op haar beurt, dat ik niet moet zeuren, ‘je lijkt wel een kind’. En als ze mijn gezanik echt beu is doet ze wat ze altijd deed. Ze trakteert me op een puntzak friet, snoert mij de mond met patat en mayonaise. Tussen alle kinderen delen wij allemaal hetzelfde geluk. We zijn met succes omgekocht.

Door: Bas Geeraets



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard