Vrouwen onder elkaar

Sylvie

Ik weet nog hoe ik haar ooit zei: ik geloof niet in monogamie. Je hoort niet voor altijd samen te zijn met een persoon, misschien vroeger, toen we niet ouder werden dan vijfendertig, maar nu niet meer. En nu ik hier tegenover haar zit en ze me vertelt hoe dronken ze gisteravond was en hoe ze met wel zeven mannen had gezoend, denk ik: misschien is dat gewoon hetzelfde met vriendschappen. Je hoort niet voor altijd samen te zijn met een persoon.

‘Lies?’ zegt ze.
Ze kijkt naar me. Wachtend.
‘Hoe heette hij?’ vraag ik haar, ik pak mijn wijn en beweeg het heen en weer in het glas.
‘Dat kon me gisteravond niet heel veel schelen Lies, vraag jij altijd de naam van de jongens met wie je zoent?’
‘Mannen,’ onderbreek ik haar. Ze kijkt verward.
‘Het zijn mannen, ze zijn ouder dan vijfentwintig. Heb jij een aansteker?’
Ze geeft me haar aansteker aan. En net voordat ze iets wil zeggen wordt ze afgeleid van haar telefoon die gaat. Ze kijkt even op het schermpje en begint dan te lachen.
‘David. Hij heette David,’ zegt ze.

De serveerster komt langs ons tafeltje en vraagt: ‘Alles naar wens?’
En ik wil zeggen: ‘Nee, echt helemaal niet.’
Maar in plaats daarvan glimlach ik en zeg ik: ‘Ja hoor, bedankt.’

Ik kijk naar Sylvie. Haar witte haren vallen voor haar gezicht, ze heeft vlekken van haar te donkere foundation in haar hals. Dan draait ze haar hoofd naar me toe en zegt: ‘maar ja, we zijn hier natuurlijk om te praten over dat voorval op mijn verjaardag.’

Toen ik acht was noemde ik Sylvie mijn hartsvriendin. En nu ik eraan terugdenk weet ik eigenlijk niet of ik haar zo noemde, omdat ze echt het allerleukste meisje uit de klas was om mee te spelen, of gewoon omdat zij de populairste was en ze mijn haren altijd mooi invlocht. Later, toen we twaalf waren en naar de middelbare school gingen, kwamen Sylvie en ik weer samen in de klas. We schreven in elkaars agenda, sliepen elk weekend bij elkaar. Ze was erbij toen de politie belde en zei ‘ben jij Lize? Er is iets met je moeder aan de hand,’ en ik was erbij toen ze voor het eerst gezoend werd door Kjell. Op ons vijftiende verzonnen we smoesjes om te vertellen tegen onze ouders, als we stiekem uitgingen. We fantaseerde over het studentenleven, Sylvie zou Communicatiewetenschappen gaan studeren en ik Media en Cultuur. We zouden in dezelfde faculteit colleges hebben en misschien zelfs huisgenoten worden.

‘Misschien moeten we het wel gewoon niet meer doen,’ zeg ik dan tegen Sylvie.
‘Wat?’
‘Gewoon, die kerstdagen, etentjes, afspraken, verjaardagen.’
Ze kijkt me aan. En het liefst wil ik gewoon nu weg.
‘Hoe bedoel je, niet meer doen?’
‘Gewoon, minder. Ik snap gewoon niet waarom we altijd alles maar samen moeten doen en waarom we zulke hoge verwachtingen van elkaar hebben. Ik had gewoon geen zin om naar buiten te gaan en naar je verjaardag te gaan. Waarom kan niet alles gewoon even wat minder. ’
‘Dat is dan toch gewoon het einde van de vriendschap?’
En ik denk; ‘ja dat is het inderdaad’.
Maar ik zeg; ‘Dat hoeft toch niet.’
Ze knikt en zegt ‘Oké, gaan we dan ook niet meer samenwonen?’
En ik schud mijn hoofd en denk: ‘Nu snapt ze dat de vriendschap echt voorbij is.’

Als we later afscheid nemen, en ik eindelijk naar huis kan, omhelzen we elkaar bij de tramhalte en dan zegt Sylvie opeens: ‘ik hoop echt dat we voor altijd vrienden blijven.’
Ik kijk haar aan en zeg dan, met een glimlach: ‘Ik ook. Ik hoop ook dat we vrienden blijven’.

Door: Charlot Kroon

Standaard
Vrouwen onder elkaar

De Bende van de Beemster: Nairobi Dick

Bel me, Ismaïl.’
Dat is het laatste wat Mariska tegen hem zei, vlak nadat hij haar kortstondig had gepenetreerd in de garderobe van discotheek ‘t Stampertje. Daarna verdween hij in de mensenmassa en nu krijgt ze hem weer niet uit haar hoofd. En dan gaan ze nu ook nog eens een weekendje weg met de meiden. Even helemaal weg, om hun gedachten verzetten, zoals ze dat zeggen.

Ze noemen zichzelf de Bende van de Beemster. Dat staat ook op de tanktops die ze elk jaar speciaal voor vakanties aan de Spaanse kust laten maken. Komende zomer zijn ze weer roze, zoals ze de eerste keer ook zijn geweest. Het jaartal toen: 2004.
En nu zitten de vier jonge vrouwen in de auto onderweg naar Landall Greenparks, in het Noord-Brabantse Hapert. Milou zit voorin, Saskia rijdt. Ze heeft de bedrijfsauto van haar man meegekregen, dus bromt er nu een met vier vrouwen bepakte Citroën Berlingo van Bakkerij Willems over de A2. Lekker ver weg van de hectische thuissituatie. Even geen nagelsalon, geen kinderen, geen thuiscursus. Alhoewel, geen kinderen: Mariska ziet eruit als een grote, witte potvis. Haar derde is alweer op komst. Ze heeft van tevoren in de Whatsappgroep gezegd dat ze dit weekend een grote mededeling zal doen, en iedereen gaat ervan uit dat ze het geslacht van de baby bekend gaat maken. Milou heeft gezegd dat ze hoopt op een meisje voor Mariska, ze gunt haar man geen drie jongens.

Ismaïl is de man van Milou. In 2009 zijn ze getrouwd, nadat ze elkaar tijdens haar reis naar Kenia hadden ontmoet. Maar sinds Milou haar been verloor bij een skiongeluk – ze kwam in botsing met Mariska en verbrijzelde onherstelbaar haar been – is hun relatie niet meer wat het geweest is.

Om iets over half elf arriveert de auto op het vakantiepark. Nancy rent als eerst het huisje binnen. Typisch Nancy, die een goed bed moet claimen. Dat doet ze in Spanje ook altijd. De bungalow is kleiner dan ze hadden gedacht. Er is een woonkamer, een keukentje en één slaapkamer met twee stapelbedden. Nancy heeft haar tas op een bovenbed gelegd, hetgeen met uitzicht op het subtropisch waterparadijs. Ze ligt boven Mariska, die gezien haar conditie toch meer gebaat is bij een benedenbed. Evenals Milou, die vanzelfsprekend het andere lage bed krijgt.

Even later zitten ze in de woonkamer aan de eettafel. Mariska heeft de meiden gesommeerd te gaan zitten, nadat ze een quinoasalade heeft klaargemaakt.
‘Ik moet jullie iets vertellen,’ zegt ze.
Iedereen bereidt zich voor op ‘Het is een meisje!’ of ‘Het is alweer een jongen’.
Mariska begint te snikken.
‘Ik hoop dat God luistert, terwijl ik dit zeg. Onwetendheid is de moeder van alle angst.’
De rest van de bende van de Beemster kijkt haar aan, alsof ze net Moby Dick in het Chinees heeft voorgelezen. En dan zegt ze het, recht voor zijn raap.
‘Milou, het spijt me. Ismaïl is de vader van mijn kinderen.’
‘Denk je dat dit een verrassing voor me is?’ zegt Milou. ‘Ik weet allang dat je elke week geniet van zijn Nairobi Dick.’
Na het gesprek gaan ze het subtropisch waterparadijs in, waar ze talloze keren van glijbaan de Draaikolk gaan.

Standaard
Vrouwen onder elkaar

Het was een ongeluk

Het was een ongeluk’, herhaal ik keer op keer in mijn hoofd. Al jaren doe ik dat, het is een mantra geworden. Maar ik heb er nooit iemand mee kunnen overtuigen.
Ik heb haar vaak doodgewenst. Heel vaak. Ze was verschrikkelijk. Een heks, een onuitstaanbaar kreng, slecht. Dus ja. Misschien zijn mijn wensen uitgekomen en heb ik haar een handje geholpen. Ik weet zeker dat ze me dankbaar is. Ik kan me niet voorstellen dat ze met zichzelf kon leven.

‘Ik heb jouw man geneukt’, zei ze die bewuste avond. Ik zag krankzinnigheid in haar ogen. En angst. Maar berouw zag ik niet.
Ik snap nog steeds niet zo goed waarom ze het vertelde. Mijn man was een jaar daarvoor gestorven door een noodlottig ongeval. Ik wist natuurlijk al lang dat hij met haar was geweest. Ik rook haar parfum op zijn blouse. Keer op keer.
Waarom ze me het kwam vertellen weet ik niet. Ik denk dat ze me een venijnige trap na wilde geven.
Jarenlang was ze mijn vriendin geweest. Vroeger vertelden we elkaar alles. Over onze vriendjes en scharrels. Of hij goed was in bed of juist bedroevend slecht. Soms wisselden we vriendjes uit. Als ik genoeg van iemand had die wel goed was in bed, mocht zij hem hebben. En andersom.
Ze was er bij toen ik mijn man leerde kennen. Ik denk dat ze toen al op hem viel.
Ik vroeg haar of ze er van had genoten toen hij haar neukte en ze zei van niet. Ze zei zelfs dat ze er spijt van had, maar dat geloofde ik niet, want ik zag geen schuld in haar ogen. Toen ze begon te huilen, zette ik haar mijn huis uit. Hoe durfde ze te huilen om mijn overleden man. Ik kon er met mijn verstand niet bij.
Twee uur later stapte ik in de auto. Ik wist dat ze vaak rond die tijd ging hardlopen en ik hoopte dat ze dat vanavond ook zou doen, ondanks haar tranen en bekentenis.
Daar liep ze. In haar afschuwelijk reflecterende, roze hardloopjasje. Het licht van mijn koplampen weerkaatste pijnlijk in mijn ogen en even zag ik niets meer. Toen volgde de klap en de gil. Ik weet niet of het haar of mijn gil was. Daarna was het stil. Ik moest de behoefte om weg te rijden bedwingen, dus ik stapte uit en belde op mijn dooie gemak 112. Doorrijden zou heel dom zijn, want dan zou de politie meteen snappen dat het geen ongeluk was.

‘En toch was het een ongeluk’, mompel ik. ‘Ik werd verblind door het reflecterende hesje.’ Mijn mantra zit al jaren gevangen in mijn hoofd. Aangekoekt als een restje tomatensoep in een pan. Daar komt niemand nog doorheen.

Mijn cel is klein, maar redelijk comfortabel. Ik schik me in mijn lot. Sommige ongelukken worden nu eenmaal duur betaald. Soms is het zelfs best gezellig hier. Overal cellen vol vrouwen. Naast mij, boven mij en onder mij. Alleen maar vrouwen.

Standaard
Vrouwen onder elkaar

Het grote onrecht van de vrouwelijke blaas

Ik moet plassen.”
Lachend kijk ik opzij. Een volle blaas is niet iets dat mijn vriendin voelt aankomen – het is iets dat haar overkomt. Als een meeuw die op je nette blouse poept, zo ontdekt zij dat ze naar het toilet moet. Ze kijkt er altijd een beetje zielig bij, alsof ze zich afvraagt waarom dit grote onrecht haar nu moet overkomen. Geschokt en verontwaardigd dat zij het slachtoffer is van deze terreuraanslag.

Maanden voordat we met de auto naar Frankrijk zouden gaan plaagde ik haar al met het moment dat nu is aangebroken. We rijden namelijk net weg van onze eerste stop, een tankstation in België. Ik had zelfs net nog gevraagd of ze niet naar het toilet moest. Nee, zei ze. En nu zit ze daar, met het begin van een pruillip en een verdrietig-melancholieke blik in haar ogen. De blaas op knappen. Schuddend van het lachen draai ik de eerstvolgende afslag af en laat haar plassen bij een McDonald’s. We houden er een cheeseburger aan over.

Pas als we op de camping arriveren hoeft ze weer te plassen. Al lijkt het erop dat ze het al een tijdje ophield, aan de sprint naar het toilet te zien. Vijf minuten later sta ik met een rol toiletpapier in het damestoilet, blij dat we daar vooraf wél aan gedacht hebben. Giechelend pakt ze de rol onder de deur door aan.

Samen met haar ouders lopen we door Saint-Brieuc in Bretagne. De dames zijn druk aan het shoppen, ik en haar vader wandelen er rustig achteraan, genietend van de zon en onze kirrende meisjes. Een gelukkige vrouw is een gelukkig huishouden, zei een wijs man ooit.
We kijken naar de inventaris van een juwelier, terwijl verderop vijf verschillende zomerjurkjes worden gepast. Even later komen ze zonder plastic tas aanlopen.

“We moeten plassen”, wordt er aangekondigd. Ze kijken er verheugd bij. Vrouwen die samen naar het toilet kunnen zijn daar opeens niet verdrietig meer over. Het delen van hun misère doet zoveel goeds dat het opeens geen misère meer is. Een vreemd fenomeen, voor mannen.
Wederom biedt een McDonald’s uitkomst. Arm in arm lopen de dames naar het toilet, waar ze acht minuten later weer uit komen. We houden er een McFlurry aan over.

Het ‘kasteel’ van Quintin lijkt meer op een uit de kluiten gewassen vakantiehuis dan op een middeleeuws bastion. Maar goed, de middenstand in Quintin moet ook wat en wij zijn de beroerdsten niet. Nooit geweest overigens. Vanaf de bovenste verdieping hebben we een mooi uitzicht over het zacht glooiende landschap. Een sperwer draait zijn rondjes over de velden. Ik druk m’n meisje tegen me aan en fluister dat ik van haar houd. Blij kijkt ze omhoog.
“Ik moet plassen.”

Standaard
Vrouwen onder elkaar

Honderdduizend hoeren

Wie is die slet?’ roep ik. ‘Je kent haar! Ze keek je aan alsof…’
‘Schat, waar heb je het over?’
‘Alsof je haar hebt gedaan!’

Jaloezie is een tong, een rode tong die mijn bovenbeen likt terwijl ik mijn ondergoed nog aan heb.
‘Ik zeg haar wel eens gedag, dat is alles. We zijn buren!’ Peter maakt wilde gebaren terwijl hij praat, alsof zijn handen mij zouden kunnen overtuigen.
‘En haar man?’ roep ik terug. ‘Zeg je die ook gedag? Haar dikke kale man?’ Mij overtuigt hij niet. De tong beweegt zich langzaam naar boven, over het kant tussen mijn benen, en ik voel de vochtige warmte.
‘Nee, natuurlijk niet!’ ga ik verder wanneer hij niet antwoordt. ‘Jij praat alleen met vrouwen! Met hoerige, seksbeluste vrouwen die niks beters te doen hebben dan hier in hun korte rokjes voorbij te paraderen.’
Die angst dat de tong nu stopt, dat ik niet meer zal krijgen wat ik wil, is wat mijn lust naar Peter telkens opzweept. Jaloezie doet verlangen.
‘Hoeveel vrouwen zijn er nog meer?’ vraag ik. ‘Hoerenloper.’
Peters bovenlijf gaat snel op en neer, net als het mijne, en zijn gezicht is rood. Ik grijp hem vast. Hoe meer benen zijn tong gelikt heeft, de begeerlijker hij wordt. Mijn hand glijdt in zijn broek en ik zeg hem dat hij moet gaan liggen. Hij laat zich zakken op de keukenvloer.

Ik weet het, Peter is vergif. Hij heeft een ring om mijn vinger gedaan maar dat weerhoudt hem er niet van om zijn lul in iedere vrouw uit de buurt te stoppen, meestal in de knappe maar met de lelijke neemt hij ook vaak genoegen. ‘Jij bent mijn koningin’ zegt hij tegen mij. Ik ben de vrouw die hij verwent, verleidt en op een voetstuk plaatst, maar alleen wanneer hij eens niet door een ander wijf naar de slaapkamer is meegesleurd. Ik heb er zijn neus om gebroken en ook een keer zijn haar afgeknipt in zijn slaap. Maar het haar is weer aangegroeid, de neus is genezen en slechts het beetje extra kraakbeen herinnert ons aan die smerige hoer op die ene herfstmiddag. En het staat hem nog ook. Wat zijn perfecte gezicht nog miste was iets rauws, blijkt nu, en ik was het die hem die karakteristieke neus gaf.

‘Je bent van mij’ zeg ik als ik klaar met hem ben. We liggen nog op de keukenvloer. Het raam waardoor we daarnet de hoer van de buren zagen langslopen, staat open.
‘Ik ben van jou.’ Peters tong draait langzaam rondjes in mijn mond; hij plaagt me, streelt me. De lust is getemperd, net als de jaloezie. Het is ook allemaal zijn schuld niet. Het komt door die wijven, die vieze, hoerige wijven die niet met hun handen van mijn man af kunnen blijven.
‘En nu’, zeg ik. ‘Wat moet ik met die slet?’
‘Schatje…’ Hij drukt een kus op mijn voorhoofd.
‘Misschien dat ik maar eens bij haar man langs ga’ zeg ik. ‘Kijken of die bierbuik een beetje uithoudingsvermogen heeft.’
‘Lieverd!’
‘Ach, nee.’ Ik geef Peter een geruststellend klopje op zijn borst. ‘Dat kan haar waarschijnlijk niets schelen ook.’ Ik sta op. Ik wil haar jaloezie ook helemaal niet aanwakkeren. Haar lust. Ik rommel in een keukenkastje.
‘Wat ga je doen?’ vraagt Peter. Hij ligt nog op de vloer, leunend op zijn elleboog en met zijn broek open. Zijn lul ligt slapjes tegen zijn buik.
‘Eitje bakken’ zeg ik en ik pak de grootste koekenpan.
Hij staat ook op. ‘Laat mij dat voor je doen.’
‘Nee hoor. Dat is nu echt een vrouwenklusje.’
Ik trek aan mijn rokje dat tijdens ons vluggertje omhoog is gekropen, zodat het mijn billen weer bedekt. Dan loop ik de keuken uit.
‘Het fornuis is daar, lieverd!’ roept hij. ‘Waar ga je heen?’
Ik heb de voordeur al achter me dichtgegooid. Terwijl ik richting de buren loop, roep ik door het open raam: ‘Zo terug!’ Ik maak mijn lippen nat. Ik denk niet dat er ooit een vrouw knapper is geworden van wat extra kraakbeen in haar gezicht.

Standaard