Klittenband

Mijn wereld is fokt op zonder jou

Op de achtergrond klonk gejank. Niet echt gehuil met tranen en tuiten, maar meer gesim. Simmen is iets anders dan huilen, het is meer een soort klaagzang van een zeikerd.

‘Trek je er niks van aan,’ zei ze terwijl ze onverschillig uit haar ogen keek, ‘hij jankt altijd.’
Ik trok nog een fles bier open, dronk hem half leeg en zette hem bij de andere twaalf half lege flessen. Ik ergerde me aan het gejank in de kamer naast ons.
Toen kleedde ze zich uit en ging naakt bovenop me zitten.
‘Neuk me dan,’ kreunde ze wulps.
Nou kan je als man in zo’n positie twee dingen doen: of je trekt je kleren uit en je neukt haar. Of je ritst alleen je gulp open en je neukt haar. Andere opties zijn uitgesloten, hoezeer het ook tegen al je principes indruist: er moet geneukt worden.
Het is ook een godverdommese kut oerdrang, een drang die alles overhoop had gegooid.
En nu is zij weg. Uit mijn leven verdwenen, het enige wat nog van haar over is is haar naakte lichaam in mijn fantasie en een hart dat langzaam overeenkomsten vertoont met de ijskappen.
Met een door alcohol vertroebeld zicht keek ik om me heen. Ik lag in een onbekend bed, in een onbekend huis, met bovenop mij een onbekende naakte vrouw.
Godverdomme wat deed ik hier?
Ik duwde haar op haar rug en zakte onder de dekens. Ik begon haar te beffen, lange, natte halen over haar kut. Langzaam bouwde ik een intieme liefdesband op met haar clit.
Een clittenband.
Ze sidderde in mijn armen. Ondertussen trok ik mezelf stijf, maar ik had flink gezopen en dus moest ik er een paar keer flink in knijpen om hem te laten ontwaken. Toen ze zacht klaar kwam op mijn tong, was ik inmiddels hard genoeg. Ze trok me bovenop haar en ik bracht mezelf met een snelle beweging in haar. Hard neukte ik haar. De buren moeten er ongetwijfeld van hebben meegenoten want ze kreunde als een kitten opzoek naar moedermelk. Het gejank in de kamer naast ons hield op. Haar bed kraakte hard en ik pompte haar bijna door de vloer heen. Ik bleef maar kijken naar haar borsten die meebewogen op mijn ritme, ze leken als twee druppels op en neer te drijven.
Toen ik klaarkwam duwde ik haar gezicht weg van dat van mij en dacht ik aan het meisje dat me verlaten had. Daarna liet ik mezelf op haar vallen.
De volgende dag ontwaakte ik met een kater. Ze stond aangekleed naar me te kijken.
‘Je moet weg,’ zei ze.
In de kamer naast ons hoorde ik weer hetzelfde gejank als gisteren.
Ik stapte uit het bed en liep naar de wasbak.
‘Wat is dat toch?’ vroeg ik terwijl ik een vinger in mijn keel stopte om de kater eruit te kotsen.
‘Trek er nou niks van aan, hij kan niet eens zijn eigen veters strikken.’
Ik braakte in de wasbak en op dat moment sloeg de deur open en zag ik een knaapje van een jaar of zeven.
‘Mama, ik krijg mijn schoenen niet dicht,’ zeurde hij.
‘Hou op met janken,’ zei zijn moeder streng, ‘hoe moeilijk kan klittenband nou zijn?’

Door: Yuki Kempees

Standaard
Klittenband

De slimste mens in deze treincoupé

Oké,’ zegt ze, ‘na deze noodzakelijke onderbreking gaan we gewoon weer door met de quiz. Beste kandidaat, wat weet jij van klittenband?’
Hij lacht en stopt de ov-chipkaart weer in z’n broekzak. Ze staan stil, een blauw bordje met Naarden-Bussum aan de andere kant van het raam. Stoptrein, de reis gaat langzaam.

‘Dat is een makkie,’ zegt hij. ‘Daar weet ik toevallig álles van af.’
‘Oja? Is dat zo, fijne kandidaat?’
‘Jazeker. Ik heb je dit nog nooit verteld, maar mijn afstudeerscriptie ging over klittenband.’ Hij beweegt zijn rechterhand boven z’n hoofd van links naar rechts en zegt onderwijl plechtig: ‘De Invloed Van Klittenband Op Het Naoorlogse Nederland En Ander Baanbrekende Hulpstukken In De Kledingindustrie. Goeie titel natuurlijk, dat is het halve werk.’
‘Uiteraard. Cijfer?’
‘Acht-en-een-half. Het hoofdstuk over de mislukte introductie van paperclips als sokophouders, midden jaren ’60 ontstaan in Oxford, was niet volledig genoeg. Ik zat in tijdnood. Anders had ik wel een punt hoger gescoord.’
‘Ach, een acht-en-een-half is toch ook mooi?’
‘Ja, is ook zo. Ik ben er nu ook niet meer rouwig om, hoor’
‘Gelukkig maar. Goed, waar zijn we ook al weer?’
‘Iets na Naarden-Bussum.’
‘Haha, flauw. Waar zijn we in ons spel, De Slimste Mens In Deze Treincoupé?’
‘Je zei dat ik een fijne kandidaat ben.’
‘Oja. Omdat je nu moet vertellen wat je van klittenband weet.’
‘Wist je dat ik mijn afstudeerscriptie over klittenband heb gedaan?’
‘Toe nou!’
‘Oké, oké.’
‘En trouwens, je hebt je studie niet eens afgemaakt.’
‘Details, showmaster, dat zijn enkel details in het groter verhaal dat Mijn Leven heet.’
‘Jaja. Nou, hop: wat weet je van klittenband. Je tijd loopt.’
‘Goed, klittenband. Uitgevonden door een Zwitser. De Mestral was zijn naam, geloof ik. Hij kwam in 1941 op het idee nadat hij zich verbaast had over hoe moeilijk hij klitten uit zijn kleding en uit de vacht van zijn hond kreeg.’
‘Klinkt goed, ga door, kandidaat.’
‘Het ontwikkelen koste onze Zwitser wat moeite, vandaar dat hij pas in 1951 patent kon aanvragen.’
‘Aannemelijk verhaal. Nog meer?’
‘Ja, leuk woordfeitje: hij noemde z’n uitvinding Velcro. In Engeland gebruiken ze dat nog steeds. Weet je waar die naam vandaan komt?’
‘Zeg, wie is hier de kandidaat en wie is hier de showmaster?’
‘Sorry, ik herkende je niet met die snor.’
‘Hij kriebelt ook een beetje en hij valt er steeds bijna af.’
‘Misschien had je ‘m vast moeten zetten met…’
‘Klittenband. Grappig, want daar hebben we het over.’
‘Jij snapt ‘m.’
‘Maar goed, wat is dat woordfeitje, lichtelijk vermoeiende kandidaat?’
‘Oké, onze Zwitserse vriend noemde het dus Velcro. Dat is een samentrekking van de Franse woorden “velours”, wat fluweel betekent, en “crochet”, wat haakje betekent. Grappig, toch?’
‘Enig.’
‘Klittenband is ook leuk gevonden, hoor. Maar met een beetje meer fantasie hadden we het ook fluwaakjesband kunnen noemen. Gemiste kans als je het mij vraagt. Klinkt toch een stukje speelser.’
‘Hoe wéét je dit allemaal?’
‘Scriptie, zei ik toch. Acht-en-een-half.’
‘Even serieus, Hans. Of heb je dit allemaal zojuist verzonnen?’
‘Haha, nee joh. Ik keek zonet even snel op Wikipedia toen je de conducteur je ov-chipkaart gaf.’
‘Hm. Toch was je een fijne kandidaat.’
‘Mag ik nu de snor?’

Standaard
Klittenband

In een klein hoekje

De sleutels vond hij onderin haar tas. Typisch vrouwen, dacht hij. Een enorme tas vol rommel en datgene dat echt nodig is, is niet te vinden. Zo’n tas stikt van de vakjes, maar een apart vakje voor de sleutels? Welnee.

Het was stikdonker in het appartement. De gordijnen had ze al dichtgedaan toen ze naar het restaurant vertrokken, terwijl het nog licht was. Vanavond zou ze bij hem slapen. Hij kwam al jaren in dit appartementje, hij kende het op zijn duimpje. Hij kende haar op zijn duimpje.
Annemees. Met haar prachtige blonde krullen, haar stralende lach en donkergrijze ogen. Ze loenste een beetje, vooral op foto’s als ze recht in de camera probeerde te kijken. Juist als ze recht in de lens keek, loenste ze. Hij vond haar prachtig. Haar lichaam was suikerzoet, maar ook wulps en begeerlijk. Ze was zijn droomvrouw.

Hoe anders zag ze er nu uit. Hij had haar gezien net nadat ze door de auto was geschept. Ongelofelijk, wat was hij geschrokken. Na een bevroren moment was hij naar haar toe gerend. Hij boog over haar heen en schreeuwde om hulp. Volledig in paniek. Omstanders belden tegelijkertijd 112. Dat had hem op de een of andere manier gekalmeerd. Iedereen stond achter hem. De automobilist was uitgestapt en had alleen maar verdwaasd staan kijken. Ook dat deed hem goed. ‘Kijk maar goed wat je gedaan hebt, lul!’, had hij willen schreeuwen. Maar het kwam niet over zijn lippen. Ergens wist hij ook wel dat Annemees zelf uit het niets was overgestoken. En ergens was hij ook een keurige jongen, die zoiets nooit zou roepen.

De dokters hadden hem naar huis gestuurd met de mededeling dat de operatie nog wel uren in beslag zou nemen en dat hij beter even wat spulletjes voor het verblijf kon halen. Een pyjama, zeep, de oplader van haar telefoon misschien. Dat laatste was niet nodig, wist hij. Hij had haar telefoon van straat geraapt. Compleet aan gruzelementen.

Eén momentje van onoplettendheid en ze was van alles kwijt geraakt. Haar telefoon. Haar mooie gezicht. Haar vrijheid. Althans voorlopig. Revalideren zou wel een tijdje gaan duren. Hij dacht ver vooruit. Zoals altijd. Hij wist ook dat de kans aanwezig was dat ze niet meer zou kunnen lopen. Hij had toch verdomme gezien hoe ze er bij lag? Hij had die houding eerder gezien, toen hij als ambulancechauffeur werkte. Die brokkenpiloot had niet meer kunnen lopen.

Hij beefde terwijl hij nog eens na ging wat hij allemaal mee moest nemen. De praktische dingetjes waren zo gepakt. Een pyjama, wat handdoeken, zeep en shampoo. Haar spiegeltje liet hij maar even thuis. Uit de koelkast nam hij wat dingen die konden bederven, zodat hij ze straks in zijn eigen koelkast kon leggen. Als hij het vergat zou het hier gaan stinken.
Hij voelde zich vreemd. Zijn gedachten waren logisch en helder, maar omwikkeld door paniek, chaos en angst. Verder dan een pyjama, handdoek, zeep en shampoo kwam hij niet dus hij ging naar buiten.
Haar sleutels stopte hij in het voorvakje en dat sloot hij af met het daarvoor bestemde stukje klittenband.
Zo. Die zou ze in ieder geval niet kwijtraken.

Standaard
Klittenband

Bewonderenswaardig bezoek in Ballastrië

Men kent aan mannen die gereisd hebben vaak een zekere geleefdheid toe. Die denkt men te onderscheiden in de lijnen in het gezicht, rondom de ogen. En als het even meezit, heeft de man wapperend, halflang grijs haar en een nonchalante baard in bijpassende tint. De bewonderaar van de geleefde reiziger weet alleen niet dat die geaccentueerde lijnen, waar men zo bij wegkwijnt, enkel voortkomen uit het dichtknijpen van de ogen tegen te fel zonlicht.

Theodor had precies zo’n grijze baard en in iets mindere mate zo’n bewonderaar. De moeder van zijn kinderen, en ze kwam hem hier voor het eerst opzoeken sinds zijn vertrek naar Ballastrië. Hij zou haar van het vliegveld halen en haar alles laten zien.

In de aankomsthal moest hij lang wachten. Haar vliegtuig was vertraagd, hij moest anderhalf uur zien te doden. Gelukkig waren er op dit tijdstip nooit powercuts, die de gezaghebbers de laatste tijd steeds vaker doorvoerde. Het was niet duidelijk of dit noodzakelijk was of om politieke redenen, maar hij was eraan gewend. Je ermee bemoeien had nog nooit iemand iets opgeleverd in dit land. Hij besloot een zakje pinda’s uit een verstoft automaat te halen en op het bankje tegenover de schuifdeuren te wachten.
Als een van de eerste passagiers trok de vrouw waarmee hij technisch gezien nog getrouwd was haar bagage mee de hal in. Theodor stond op en zag dat ze in gesprek was. Naast haar liep een bloedmooie vrouw, met een veel kortere korte broek dan de moeder van zijn kinderen om haar witte benen, die van zacht linnen gemaakt leken. Vast degene naast haar in het vliegtuig, dacht hij. Ze liep mee, tot aan het bankje waar hij zat. Ze werd voorgesteld als vriendin Alice. Ze was mee, maar dat hadden ze niet afgesproken.

‘We willen al je mooiste plekjes zien,’ fluisterde ze in zijn oor, toen hij de moeder van zijn kinderen een vluchtige zoen gaf. Vriendin Alice leek niet zo goed te weten waar ze aan toe was. Ze besloot dat een omhelzing op zijn plaats zou zijn. Daarbij drukte ze haar lijf hard tegen het zijne aan op onbeholpen wijze, het was niet innig bedoeld. Hij glimlachte.
Hij tilde de twee rolkoffers op, liep naar zijn jeep en glimlachte weer.

In zijn jeep moest hij gejammer aanhoren – dat hij nog uit een ver verleden kende – over allerlei praktische, vaderlandse, zaken. Onderwerpen als de magnolia snoeien, katten voeren en het AD uit de brievenbus halen deden zijn linkerooglid trillen. Gelukkig kon hij vriendin Alice bekijken via de achteruitkijkspiegel. Ver was het niet meer naar zijn huis, waar hij haar zou aanraden om zwemgerei aan te trekken.

Onweer echode in de kamer waarin alles tegen elkaar open stond. De vrouwen vonden het ongehoord, dit kwam hier toch niet voor? Snel droegen ze hun over stoelen gehangen bermuda’s en witte onderbroeken naar binnen. Hij wist wel beter. Het noodweer trok uit het gebergte richting de kust, maar zou de zon op haar pad vinden. Het zou oplossen in de stilzwijgende kracht van de warmte. Als ware het een bestorming van het fort zal het leger van de regen, aangevoerd door donder en bliksem, de zon tevergeefs proberen aan te vallen. Hij bleef in zijn stoel zitten, stilzwijgend. Hij zou ze meenemen, richting het platteland.

Vanuit de bergen keek hij naar de zee, die net zo blauw was als haar ogen. Hij keek naar het verschil tussen het droge landschap en het water. Het is de grens tussen mat en glans, dacht hij. Hij keek om naar de vrouwen en zag hetzelfde.

Die avond zaten ze te dineren. Niet bij een van zijn favoriete restaurants zoals hij had voorgenomen, maar op de veranda van zijn huis, enkele meters verwijderd van het strand en een half uur verwijderd van zonsondergang. Er was gepraat over toestanden in beide landen, in jubeltoon en in memoriam. De jaren kwamen voorbij. Toen ze klaar waren met eten, keek hij Vriendin Alice na, die nog even de zee in ging.
‘Is er iets?’ zei de moeder van zijn kinderen.
‘Hoezo?’
‘Gewoon. Je bent zo stil.’
‘Ik geniet van mijn gezelschap.’
‘Ik hou van je.’
Hij draaide zich naar haar om en keek, met zijn getekende ogen dichtgeknepen. Ze wipte op haar tuinstoel. Hij keek naar haar vale bloemenjurk, naar haar sandalen. Klittenband.
Hij besloot dat het tijd was voor een frisse duik, trok zijn blouse over zijn hoofd en galoppeerde richting het glanzende blauw. Morgen zou de zon pas weer fel zijn.

Standaard
Klittenband

Het eindpunt van je geheugen

Ik weet niet meer hoe oud ik was of waar m’n moeder me mee naartoe nam. Ik weet alleen dat ik enorm onder de indruk was van de mededeling over de intercom: “…is het eindpunt van deze trein. Vergeet bij het uitstappen uw bagage niet mee te nemen.”

Raar dat je dat soort momenten onthoudt. Niet de bestemming, niet het weer of dat er een hele dikke mevrouw tegenover je zat, ofzo, maar dat je hoort dat een trein z’n eindbestemming nadert. Het zal de eerste keer geweest zijn. Het eindpunt kwam magisch op mij over, als de pot met goud aan het einde van een regenboog. Want hoe keert een trein? Komt hij dan op een roterend stuk spoor te staan, zoals in mijn stripboeken? Is er een gigantisch rangeerterrein achter dit station? Kan ik eigenlijk wel uitstappen, zometeen? Is er wel iets, hier? En is dit het eindpunt van alle treinen? Waar moeten ze dan allemaal staan? En hoe komt de machinist weer thuis?

Ik was in mijn jeugd onder de indruk van álles. Zo kan ik me nog precies herinneren waar ik stond en welke juf erbij was toen ik mijn veterstrikdiploma kreeg. De Scapino, ook zo’n plek die me nog bij is gebleven. Het geurtje, mijn eerste paar voetbalschoenen en de videobanden bij de kassa.

Overigens waren de treinritten die ik in mijn jeugd maakte op één hand te tellen. Een keertje naar opa en oma, een pretpark en twee keer naar Vlieland. Een van die keren naar Vlieland is me altijd bijgebleven. M’n moeder kwam met mij, m’n zusje en m’n broertje zo vroeg aan op het station, dat de trein vóór de trein die we moesten hebben er nog stond. Ze reden twee keer per uur, dus ga maar na.
“Kom, die gaan we pakken”, zei ik geloof ik.
“Nee, dan komen we te vroeg in Harlingen”, zei mijn moeder.
Vertwijfeld zag ik de trein vertrekken. Drie kwartier later was onze trein nog steeds niet gearriveerd en werd er omgeroepen op het station dat er een giflek in de buurt was en dat het station ontruimd moest worden. Twee uur later zaten we in een bus naar een ander station. We kwamen uiteindelijk vijf uur later dan gepland aan op Vlieland, geloof ik. De grap was dat ik niet de details van dat giflek heb onthouden, maar het gesprek met mijn moeder.

Drie jaar terug begroef ik mijn vrouw van vierenveertig jaar op een begraafplaats in Zwolle. Ik kan me nog goed herinneren dat een kleinzoon op kleine, bruine sandaaltjes de zaal binnenkwam. Er zat gras in de klittenbandsluiting en de punten waren meer groen dan bruin. Toen ik vroeg of hij gewonnen had zei hij van ja, en dat hij heel goed was, en dat hij vier keer gescoord had en dat Jeroen niet tegen z’n verlies kon en een sukkel was. Wat er die dag over mijn lieve vrouw gezegd is weet ik niet meer, maar wel dat Jeroen een sukkel was.

Standaard