Snelwandelen

Doorzetter

En bijna cum laude afgestudeerd zie ik.’
Daar zal je het weer hebben. Daar vallen ze steeds over; bijna cum laude.
Het initiatief naar zich toe trekken. Het gesprek naar zijn hand zetten, daar ging het nu om.

‘Nu ja, dat lag aan mijn hobby. Of beter mijn passie, zo u wilt. Mijn sport. Die vergde veel tijd.’
Casper Dubois zag drie paar ogen van de leden van de sollicitatiecommissie geïnteresseerd oplichten.
En nu toeslaan, met nog meer enthousiasme dan tijdens vorige gesprekken.
‘Maar het is het alleszins waard geweest, ziet u. Ik ben nu nog slechts een paar stappen verwijderd van de nationale sub-top.’
‘Dat moet voldoening geven.’
‘Oh, absoluut. Absoluut! Maar ik blijf met beide benen op de grond, met één althans.’
Hij glimlachte, maar besefte tegelijkertijd dat hij de ingestudeerde kwinkslag te vroeg had geplaatst.
Toch meende hij de interesse te zien groeien.
Terecht. Bijna nationale sub-top. En dat in amper acht jaar tijd.
Even dreigde hij weg te dromen.
‘Ah. Na uw studie bent u dus actief gebleven in uw sport? Dat getuigt van doorzettingsvermogen.’
Hij proefde de instemmende toon.
Een leugentje om bestwil, dat mocht hij zich nu toch wel permitteren?
De knoop doorhakken. Nú Casper! Lieg!
‘Ik ben er speciaal voor teruggekeerd naar Groeskerk. De trainingsfaciliteiten zijn daar ideaal.’
‘U bedoelt het kanaal?’
Beet! Ze dachten nu waarschijnlijk dat hij zo’n gedegenereerde sport als roeien beoefende. Wellicht zelfs het marathonschaatsen.
De spanning nog iets opbouwen.
‘Nou, vooral de lange rechte wegen aan weerszijden van het kanaal zijn perfect. Bovendien woont mijn oom daar. Hij werd eind jaren zeventig twee keer derde bij het Nederlands kampioenschap en is nu mijn coach.’
De waarheid, dat zijn hele familie in Groeskerk woonde en hij bevangen door heimwee was teruggekeerd, achtte hij niet relevant.
‘En uw oom is?’
‘Niemand minder dan Cretien Dubois.’
Herkenning leek uit te blijven.
‘De Maraboe van het Noorden, een van de meest getalenteerde snelwandelaars die ons land ooit gekend heeft. Onder druk van mijn tante koos hij, helaas, voor een maatschappelijke carrière.’
Verdomme. Die laatste zin was er weer uitgeglipt.
‘Ik denk trouwens dat werk en sport uitstekend met elkaar te combineren zijn. Balans, daar draait immers alles om.’
Zie je, dat werkt. Ze sluiten alle drie de ogen even. Het kan niet anders of ze zien het karakteristieke soepele draaien van je heupen even voor zich.
‘Ach, ja, ja. Snelwandelen. De Maraboe van het Noorden.’
Kijk, kijk. Ze wisselen nu snel een paar blikken uit. Ze glimlachen een beetje geheimzinnig naar elkaar. Je bent binnen Casper!
‘Ik denk dat we genoeg informatie hebben, mijnheer Dubois. U hoort snel van ons.’

Met een voldaan gevoel stak hij de drukke straat over, op weg naar de tramhalte. Hij gooide er even een snelwandelpas tegenaan.
Want wie weet, kijken ze je na. Even omdraaien. Alle drie! Zie je wel. Ze staan alle drie voor het raam. Hun glimlach is zelfs vanaf hier te zien.
Hij zwaaide even, joviaal, broederlijk zelfs en zette weer een snelle pas in, de tegemoetkomende voetgangers behendig ontwijkend, hun verbaasde, bewonderende, blikken negerend.

Door: Han Knols

Standaard
Snelwandelen

Technische problemen

Stijf uitverkocht. De zaal zit vol en is ongeduldig. Hij is al een half uur te laat. De huis DJ gooit er nog maar een plaatje in. Hier en daar klinkt boe-geroep. Waar blijft-ie nou?

Tom bestelt nog een biertje en graait in het bakje borrelnootjes. Zijn hand trilt, er moet meer alcohol in. Het mobieltje naast z’n lege glas licht af en toe op. Soms kort, het laatste kwartier steeds langer.

‘Mensen, blijf alstublieft rustig zitten,’ klinkt het door De Kleine Komedie. ‘We ondervinden momenteel technische problemen, vandaar dat we iets later beginnen vanavond. Onze excuses voor het ongemak.’

‘Weet je wat het is,’ zegt Tom en hij neemt een slok van z’n nieuwe biertje.
‘Nou?’ vraagt de barman.
‘Ik doe eigenlijk maar wat. Straks hebben ze door dat ik eigenlijk maar een prutser ben en lachen ze me allemaal uit.’

In de kleedkamer achter het podium loopt de spanning steeds verder op. Manager Paul heeft het niet meer. Hij ijsbeert en schreeuwt. Dit gaat ‘m geld kosten als er niet snel een oplossing komt. Zoveel dingen moeten regelen het afgelopen jaar en dan dit. Artiesten… Ondankbaar tuig is het.

‘Nee joh, jij bent hartstikke grappig,’ antwoordt de barman.
‘Dat zeg je vast tegen alle klanten.’
‘Ja, je hebt gelijk. Nog een biertje?’
‘Alleen als je hebt, hoor. Niet apart voor mij gaan lopen brouwen en gisten.’

Een zenuwachtig klop op de deur.
‘Binnen!’ roept manager Paul hard, wetende dat het niet zijn verloren zoon is want die zou nooit kloppen.
Een verlegen theatermedewerker in de deuropening. ‘Meneer Paul? Hoe lang gaat het nog duren? Mensen worden ongeduldig. Ik werd zonet al aangevallen door een echtpaar dat de oppas tot half twaalf heeft besteld.’
‘Weet ik veel! Zeg maar dat we bijna klaar zijn. Lekker blijven zitten.’

‘Zeg, ben jij niet die ene gast van televisie?’
‘Nee, ik ben z’n saaie neef,’ antwoord Tom geïrriteerd. Fans zijn leuk, maar alleen op Facebook.
‘Hou op met me! Ik zie het wel! Jij bent Tommie Haasjes! Man, jij bent zo grappig. Doe eens een grapje! Kom op, doe eens.’
‘Nee, sorry. Koop anders mijn boek. Er ligt nog een hele stapel bij de AKO.’
‘Maakt ook niet uit, pik. Hier, snel even een fotootje. Wel lachen, hè!’

‘Dames en heren, helaas moeten wij u mededelen dat de voorstelling wegens technische problemen niet doorgaat.’
Boe-geroep stijgt op. Programmaboekjes worden richting het podium gegooid.
‘U kunt uw geld terugvragen via de website, maar liever niet. Onze excuses voor het ongemak.’

‘Ik zag je laatst op televisie met die ene show van je,’ vertelt de fan die inmiddels naast Tom aan de bar is gaan zitten.
‘Ah, was jij dat.’
‘Nog een biertje doen?’ vraagt de barman en Tom knikt.
‘Ik kende die show al want die is van 2012 of zo, maar ik moest toch weer lachen. Dat stukje over André van Duin bij Lingo is hilarisch. Met z’n scheve mond en dan bal 34. Staaaaaahaaat… niét op de kaart! Haha, geweldig.’
‘Dank je. Dat stukje is geschreven door een vriend van me met podiumvrees. Ik zal je complimenten aan hem doorgeven.’
‘Is goed, pik. Weet je trouwens wat ook vet grappig is? Snelwandelaars. Ziet er niet uit, man! Met die korte pasjes en zo. En dat is gewoon een olumpische sport, hė!’
‘Olympische sport.’
‘Ja, dat zeg ik. Bizar.’
‘Je zei olumpisch. Matthijs van Nieuwkerk doet dat ook altijd. Let er maar eens op, bloedirritant.’
‘Maak toch niks uit, man! Anyway, die grap mag je zo van me hebben. Voor je nieuwe show.’
‘Bedankt, maar ik ben met pensioen.’
‘Haha, altijd lachen met jou, ouwe pik! Staaahaaaat… niét op de kaart! Haha, genieten dit.’

Standaard
Snelwandelen

Er was meer nodig

Hij had een hekel aan veel dingen, merkte hij achter zijn bureau. Zijn gedachten waren afgedwaald, terwijl hij eigenlijk aan een nieuw idee zou moeten werken.

Hij dacht aan vanochtend, aan de manier waarop zijn vrouw naar hem had gekeken terwijl hij het bed waarin zij lag probeerde op te maken. Hoe de koffie die ze hem had voorgezet lauw en zijn croissant te lang in de oven was geweest. Hoe ze zich alweer zo’n vet ontbijt kon permitteren. Hij had niks gezegd, hij had zich ingehouden. Maar later stond hij wel zachtjes mompelscheldend de vaatwasser uit te ruimen. Misschien moest hij nodig weg, dacht hij.

Toen sprong de kat op tafel. Haar kat. Ze wist toch dat dat niet mocht? Hij was aan het werk, begreep ze dan niet dat hij daar niet van afgeleid mocht worden?
Echt werk was het niet, hij kreeg er immers niet voor betaald. Nog niet, volgens hem. Maar het volgende idee kon zomaar raak zijn. Een idee dat zomaar een hoop zorgen weg zou nemen. De afgelopen maanden had hij echter weinig op papier gekregen, maar met wat redactie kwam het dit keer echt wel goed. Dat had hij haar ook op het lijf gedrukt. Hij had haar bij de schouders vastgepakt, zachtjes geschud en met zijn hoofd geknikt. Maar zoals vaker ging het minder dan van tevoren gedacht. Zijn laatste manuscript heette Elektriciteitsdraden Als Muziekbalken. Hij had een tekstbestand op zijn bureaublad staan, Titelsvanromans.txt. Op dit moment stonden daar alleen Nooit Hoe het Eruit Ziet, Veertig Meter Buitenlucht en de werktitel van zijn huidige project in: Elektriciteitsdraden Van Geluk – wat hij inmiddels had aangepast. De titels die niet goed genoeg waren voor al die redacteuren had hij al verwijderd uit het bestand met nog te schrijven boeken. Het had ze niks gedaan, er was altijd meer nodig geweest.

Als pauze, zo vertelde hij zichzelf, was hij even naar de woonkamer gelopen. Daar zat zijn vrouw voor de televisie, het journaal stond op. Het item ging over de Vierdaagse. Hij stond achter de bank, keek even toe hoe ze in sneltreinvaart een zak chips wegvrat. Hij sloot zijn ogen.
‘Die Vierdaagse, ik begrijp daar niks van,’ zei ze met volle mond. ‘Een oerdom evenement.’
Hij slikte.
‘Waarom zou je in vier dagen 40, 50 of 60 of wat-is-het kilometer lopen, zonder dat je ergens heen hoeft? Je kan niet eens winnen.’
Hij verzamelde moed. Dit was een moment, een waarvan hij er meer had gehad. Hij kwam naast de bank staan, legde zijn arm op de leuning. Hij nam diep adem, maar zei niet wat hij eigenlijk van plan was te zeggen.
‘En die mensen langs de zijlijn, die zijn het ergst.’
Ze draaide langzaam en met een schuin hoofd keek ze naar hem op. Hij ging door.
‘En maar jubelen. Kijk dan, die vrouwen daar. Ik hoor ze al. ‘Je moet het maar doen hè, Dinie?’ roept die linker,’ zei hij. Hij ging naast haar zitten.
Ze genoot, ze vond het heerlijk als hij haar bijviel. Ze wist wat hij allemaal ook had kunnen zeggen. Ze zette een stemmetje op, als was ze de andere vrouw uit het publiek. ‘Ik zou het zelf niet kunnen, Corry!’ zei ze, met gevoel voor zelfspot. Lachend zaten ze naast elkaar.
‘Wil je een plakje cake pakken?’ vroeg ze. Toen hij niet antwoordde, kwam ze overeind van de bank waarop hij hetzelfde deed en haar daarbij inhaalde.
‘Wat ben je inhalig,’ zei ze, nog met het moment van meligheid versmolten.
Hij liep naar de keuken, pakte een snijplank en legde er mompelscheldend een mes en een hele cake op. Hij wist dat er meer nodig was.

Standaard
Snelwandelen

Laat mij maar zwerven

Ik zit in het pas gemaaide gras naast een fietspad. Het gras is op hopen bijeen geveegd en begint al geel te worden. Voor me langs schieten forenzen op hun hippe fietsen voorbij, op weg naar hun spannende kantoorbaan waar ze op feestjes over opscheppen. Senior Account Managers, en zo. Ze dragen pakken, strakke spijkerbroeken en stoffen pantalons, maar altijd met van die nette, bruine, glanzende schoenen eronder. Ik kijk naar m’n eigen afgetrapte nep-All Stars.

Twee uur later komt er nog slechts sporadisch een zakenman voorbij. Het zijn nu vooral studenten, huismoeders en zonderlinge nietsnutten, zoals ik. Ook veel sporters, maar die vallen altijd wel in één van de eerdergenoemde categorieën. Hardlopen is hip, dat is duidelijk. Ik staar naar de rode, opgeblazen gezichten en ik luister naar het gepuf dat ze uitstoten. Ze werken hard aan hun zwembandjes, of hun billen, of hun buik, of soms aan alles. Op de een of andere manier krijg ik altijd medelijden als ik hele dikke mensen zie sporten. En het gevoel dat ze bij een groep proberen te horen die hen verstoten heeft. Het klotsen van hun vet verafschuwt me. Ik laat mezelf achterover vallen, midden in een hoop drogend gras. Plukjes en pollen schieten alle kanten op. Met het geluid van de late ochtend val ik in slaap.

Ik word wakker van een klein regenbuitje. Terwijl ik omhoog kom en een pilsje opentrek, zie ik twee nordic walkers voorbijkomen. Een paar jaar terug struikelde je over ze, tegenwoordig heb je geluk, of pech, als je er eentje in de week ziet. Ik hef m’n blik Schültenbrau naar ze omhoog, ten teken van aanmoediging. Ze kijken me even vluchtig aan en zetten dan hun blik weer op oneindig. Nog geen knikje. Hun zwembandjes floppen op en neer met de bewegingen van hun stokken. Ze lijken een tikje te versnellen. Ik slobber kwaad aan m’n biertje, expres morsend, zodat het bier over m’n baard naar beneden druipt. Ik ben dan ook niet verbaasd als een paar minuten later een politieauto aan komt rijden. Het gebruikelijke riedeltje. Een waarschuwing, maar ik mag blijven zitten. Zolang ik maar van het bier afblijf, maar dat begrijp ik zelf ook heus wel, daar zijn ze van overtuigd.

Als een tijd later de forenzen weer voorbijschieten besluit ik een eindje te gaan wandelen. Niet te snel. Gemoedelijk, alsof ik alle tijd van de wereld heb. Een hardloper rent met een ruime boog om me heen. Hij haalt z’n neus op, waarschijnlijk omdat er wat snot in z’n neus zit, maar hij had me net zo goed in het gezicht kunnen stompen. Nog geen seconde later schiet er een scooter met twee opgeschoten jongemannen voorbij. Een fluim belandt voor m’n afgetrapte gympen. Gauw stap ik er overheen, m’n pas versnellend.

Standaard
Snelwandelen

Van korte duur

Ze was dronken. Zeg maar gerust straalbezopen. Maat houden was nooit haar sterkste kant geweest, maar nu gingen alle remmen los.

Ze had whisky gevonden in de drankkast. Het bier dat ze eerder had gedronken was haar niet snel genoeg gegaan, ook al had ze zeker zes flesjes naar binnen geklokt.

Ze had iets te vieren. Oh hemel, wat had ze iets te vieren. Ze schonk zichzelf haar vierde glas in en maakte daarmee de fles leeg. Ze goot het goedje in één zwierige beweging achter in haar keel, stond op om andere drank te zoeken en wankelde. En viel. ‘Au. Verdomme’, vloekte ze terwijl ze zich vastgreep aan de bank om zich op te trekken. De whisky kwam als een zure golf omhoog. Net op tijd wist ze het weer weg te slikken, wat een nieuwe golf braaksel veroorzaakte. Ze slikte het weer weg en strompelde naar de wc, waar ze haar kokhalsneigingen de vrije loop liet. Opgelucht spoelde ze door. Als ze op het tapijt had gekotst, had ze een groot probleem gehad.

De badkamervloer was koel. Heerlijk koel. Behaaglijk. Hemels voor haar gloeiend hete wangen. Ze legde haar hoofd op de tegels. Toen ze wakker werd, was het pikdonker. Regen sloeg tegen het badkamerraam. Haar hoofd bonkte en haar tong voelde als een lap uitgedroogd rattenvlees. Zo smaakte hij ook. Haar wangen voelden schraal. Toen ze in de spiegel keek zag ze dat haar make-up was uitgelopen. Ze had gehuild in haar dronken slaap.

Uit het medicijnkastje haalde ze een doosje paracetamol en ze slikte er meteen vier. Op de wc wachtte ze tot de ergste hoofdpijn was gezakt, terwijl ze zich afvroeg wat er in vredesnaam gebeurd kon zijn waardoor ze op de badkamervloer wakker was geworden. Ze had geen bloed gezien en vond zo gauw ook geen blauwe plekken op haar lichaam. Ze vroeg zich af waar Elco was. Had hij haar geslagen? Had ze daarom zo’n hoofdpijn? Was ze gevallen?
Langzaam stond ze op en ze liep wankelend naar de woonkamer. De kamer was donker. Elco was dus niet thuis. Wanneer was hij weggegaan? Ze knipte de lamp aan en liep de kamer in.
Het eerste dat ze zag waren zijn voeten die iets voorbij de bank staken. ‘Elco?’, vroeg ze met raspende stem. Stokstijf stond ze in de woonkamer en de gebeurtenissen van die middag kwamen als kanonschoten terug. Ze klapte dubbel en kotste over het tapijt. Whisky, bier, brokjes van de patat en snacks die ze als lunch hadden gegeten. En daarna alleen nog maar gal. Zuur, geel gal, afgeblust met een laagje schuim. Tranen stroomden over haar wangen.

Ze wist het weer. Ze wist het maar al te goed. Ze kon ook niet anders; het tapijt rondom Elco was bloedrood. Het mes lag nog naast hem. Het mes met haar vingerafdrukken. Ze kon het schoonmaken of meenemen, maar het had geen zin. Haar DNA zat toch al in het tapijt. Compleet met brokjes frikadel.
Snel wandelde ze naar huis. Alsof dat zin had. Ze kon net zo goed rustig aan doen. Vroeg of laat zou de politie toch wel voor haar deur staan. Dan zou de vrijheid die ze een paar uur geleden had verworven door Elco te doden, haar weer afgenomen worden.

Standaard