Belofte

Volgend jaar

De marmeren treden voelden aan als ijsblokken, ondanks zijn tennissokken. Al sinds hij oud genoeg was om zelf naar bed te gaan, had hij een hekel gehad aan de trap. Een spiraalvormig pronkstuk, midden in de hal. Eigenlijk had hij een hekel aan al het meubilair dat zijn ouders de afgelopen jaren verzamelden. Onnodige prullaria voor het vullen van kamers waar alleen Babs kwam om laagjes stof weg te poetsen.

“Lieverd, ben jij dat? Bernard?,” hoorde hij zijn moeder roepen vanuit de badkamer.
Ze had het raam aan het eind van de overloop beplakt met kitscherige rood lint. Het glas verdeeld in zes gelijke vakken. De spuitbus sneeuw kleurde parelmoer in het licht van de opkomende zon. Hij vond het weerzinwekkend.
“Ik ben bijna klaar hoor. Wilde je net wakker maken. Neem anders de badkamer van het gasten-verblijf. Je vader is al in de ontbijtkamer,” riep ze naar hem terwijl ze de kraan van de douche dichtdraaide.
Met een zachte klik liet hij zijn slaapkamerdeur in het slot vallen. Hij nam een slok uit een van de halfvolle bierflesjes op het bureau en observeerde zijn kamer. Een tweepersoons bed, de dekens opgerold aan het voeteneind. Zijn favoriete boeken op het nachtkastje, afgetopt met een volle as-bak. Voor de rieten wasmand een verzameling vuile t-shirts.
“Lieverd, waar ben je? Niet weer in slaap vallen hè?”
Hij opende het laatje van zijn nachtkastje. Bovenop zijn bijbel lag een flinke zak wiet.
“Bernard? Zien we je zo beneden?” vroeg ze hem, terwijl ze een paar keer op zijn deur klopte.
Hij pakte het boek en scheurde een stuk van een bladzijde uit het midden. Met een paar simpele handbewegingen vouwde hij een lang vloeitje.
“Babs heeft je pak gister opgehaald bij de stomerij. Ik hang het aan het haakje in de badkamer. Schiet je een beetje op? De mis begint al over een half uur.”
Op het gouden kruis van het omslag versneed hij een van de wiet toppen met de tabak uit een doormidden gescheurde sigaret.
“Trouwens, de pastoor vroeg nog naar je vorige week. Of je er met de kerstmis wel bij zou zijn. Ik vertelde hem nog dat je het zo druk hebt gehad dit jaar. Natuurlijk geen excuus, maar hij leek het te begrijpen hoor. Dus daar hoef je je geen zorgen om te maken.”
Een opgerold strookje van een oud treinkaartje uit zijn portemonnee diende prima als tip.
“Oma vroeg ook nog naar je. Iedere week eigenlijk. Ze mist je.”
Met duim en wijsvinger verdeelde hij het tabaksmengsel gelijkmatig over de lengte van het vloeitje en bevochtigde het overgebleven randje met zijn tong. In een vloeiende beweging rolde hij de joint dicht.
“Lieverd?”
Hij voelde in zijn broekzakken en verschoof wat lege bierflesjes op het bureau. Soms dacht hij dat zijn aanstekers pootjes hadden.
“Bernard lieverd, wat ben je aan het doen?”
Hij graaide in de borstzak van het rood geblokte shirt voor de wasmand en vond er twee.
“Bernard, geef eens antwoord?”
“Volgend jaar mam,” antwoordde hij “Beloofd.”

Door: Danja Raven

Standaard
Belofte

Zo werkt het dus niet

Iedereen wil altijd maar vuur van mij. Men denkt foutief dat ik een roker ben. Omdat ik moeilijk mensen kan teleurstellen kocht ik een aansteker.

Men noemt mij een grappenmaker. Letterlijk klopt dat: ik maak weleens een grap. Het is makkelijker dan een boek schrijven. Laatst vroeg iemand of ik ter plekke een grap kon verzinnen over z’n broer want die ging trouwen en hij moest, als ceremoniemeester, echt zo snel mogelijk nog iets leuks hebben. Zo werkt het dus niet. Je kunt dat probleem niet zomaar bij mij neerleggen. Maar ik kocht een moppenboek en stuurde die middag nog een e-mail met een grap over vanillevla, koffiefilters, een paar otters en de broer van die ene persoon in een benarde positie.
Mensen willen heel graag dat ik een schrijver ben. Dat ik een roman schrijf dat ze kunnen kopen in de boekenwinkel in hun woonplaats. Dat de verkoper dan vraagt of het een cadeautje is en ze dan kunnen wijzen op de foto op de achterkant en zeggen dat ze mij kennen. Alsof ze ‘m dan gratis krijgen.
Een roman schrijven is helemaal geen leuk werk. Je moet met van alles rekening houden. En het moet ergens over gaan. Iemand moet dat aanvuren. Een schrijver schrijft nooit een boek in z’n eentje.
Een maand geleden kocht ik een pakje sigaretten. Ik neem ‘t overal mee naar toe. Ik heb er zelfs speciaal een overhemd met een borstzakje bij uitgezocht. Soms, als ik door de stad loop, haal ik er een sigaret uit en doe ‘m achter mijn oor. Dan word ik pas echt vaak gevraagd om een vuurtje.
Ik schrijf een roman omdat mensen ‘m in hun boekenkast willen hebben staan. Maar eigenlijk ben ik helemaal geen schrijver. Ik doe weleens wat met woorden, zinnen, alinea’s en noem het dan een Kort Verhaal. Maar dan moet je een boek schrijven. Dat ligt in de lijn der verwachting. Na je achttiende verjaardag moet je meteen autorijlessen nemen. Het hoort zo. Net zoals iemand je eens eeuwige trouw belooft.
Vorige week, het was een woensdag, zag ik dat mijn vaste boekhandelaar in west al ruimte had gemaakt op de tips-van-ons-plank naast de kassa. Hij weet nog altijd niet dat ik de deadlines van de uitgeverij heb gemist.
Nog heel even over die grap met vanillevla, koffiefilters, een paar otters en de broer van die ene persoon in een benarde positie. Die was dus best grappig. Ik kan dat wel. Zolang het maar geen boek hoeft te worden. Wat ik me trouwens wel eens afvraag: is een belofte die niet wordt waargemaakt meteen al een leugen?

Standaard
Belofte

Onderbrekingen van sluimerende middelmatigheid

Ze kenden elkaar nog niet voordat hij zijn volledige halve liter gin-tonic over de bar van Café de Klapper had gegooid. Zij had er vanaf gepaste afstand naar gekeken. Haar schoenen werden net niet nat van het geklater. Hij werd eruit gezet, zij ging roken.

Buiten praatten ze voor het eerst.
‘Waarom gooi jij in godsnaam een halve liter gin-tonic over de bar, als ik vragen mag?’
‘Gewoon. Had ik zin in. Ik kon er niet meer tegen.’
Het meisje nam een haal van haar sigaret, zo een die rust en macht uitstraalde. Zo’n diepe inhalering, waarmee ze leek aan te willen geven dat ze nadacht over wat ze ging zeggen. Alsof dit een vooropgezet gesprek was, dat volledig uitgedacht was.
‘Waartegen?’ zei ze.
‘Het constante, sluimerende gevoel van middelmatigheid. Niks is extreem, alles is saai. En als iets extreem lijkt te worden, dan relativeer ik. Daar kan ik niet meer tegen.’
‘Dus dan doe je dat. Mooi is dat,’ zei het rokende meisje.
‘Ik sta hier elke vrijdag. Altijd beloven mijn vrienden dat het een legendarische avond wordt, maar het is elke keer hetzelfde. Dezelfde mensen, dezelfde grappen, dezelfde irritante fotopaki’s. Ik kan het niet meer.’
‘En ik dan? Mij heb je hier nog nooit gezien.’
Hij was haar inderdaad nog nooit tegengekomen. Hij vroeg naar haar naam, maar ze negeerde zijn vraag.
‘Kom met mij mee, ik beloof je dat het een onvergetelijke nacht wordt.’
Ze schoot haar sigaret weg en liep richting haar fiets. Hij pakte de zijne en samen gingen ze ervandoor.

Hij had geen idee waar hij was. Hij had het gevoel dagen achtereen geslapen te hebben. Hij probeerde te bewegen, maar het ging moeizaam. Zijn hoofd voelde alsof het een kerkklok was, die als hij bewoog een immens lawaai teweegbracht. Hij keek om zich heen en zag vooral zijn lijf, dat op een boxershort na volledig onbedekt was. Zijn ogen functioneerden nog niet zo goed. Hij voelde aan zijn kruis. Het zat er allemaal in ieder geval nog aan.
‘Ha, je bent wakker,’ hoorde hij. Het leek van ver te komen.
Hij keek omhoog. Ze zat op een zolder, er zaten twee trappen tussen hen. Ze zat naakt op een stapel kussens op pallets die als bank fungeerden met een boek in haar handen. Toen hij haar zag, herinnerde hij zich de fietstocht van hopelijk gister- en niet een eerdere avond. Langs grachten, door steegjes en over bruggen. Iets te roken, nog wat drinken. Gin-tonics.
Hij kwam overeind, deed zijn broek en shirt aan.
‘Wat lees je?’ zei hij, maar vroeg zich onmiddellijk af waarom. Alsof er geen belangrijkere vragen waren op dit moment.
‘Korte verhalen van Carver,’ antwoordde ze, zonder haar blik van de letters af te wenden. ‘Deze heet A Small, Good Thing.’
‘Hebben we..’ hij maakte de zin niet af, maar niet omdat hij te preuts was om uit te spreken wat hij bedoelde. Ze onderbrak hem.
‘Sssst,’ zei ze met een vinger voor haar lippen, ‘heel even.’
Kort erna keek ze voor het eerst op, en leunde over de rand van de zolder.
‘Luister dan.’ Ze las voor. ‘They talked on into the early morning, the high pale cast of light in the windows, and they did not think of leaving. Einde.’
Met een klap deed ze het boek dicht.
‘Wil je het lenen? En het antwoord is ja.’ Ze gooide het boek naar beneden, met haar hoofd maakte ze een beweging naar de deur.
‘Ja? Ik geef het je snel terug, dat beloof ik je.’

Standaard
Belofte

Belofte der eeuwigheid

Het water kletterde op zijn lijf. Het was te heet en deed pijn aan zijn verbrandde schouders, maar hij vond dat hij niet mocht klagen. De douches op deze camping waren prima. Heel anders dan de lauwe, miserabele pisstraaltjes op campings waar hij vroeger vaak had vertoefd.

Op campings gedijde hij het best. Waar de sfeer altijd ontspannen was en waar je eigenlijk continu buiten was. ’s Nachts werd hij slechts van de buitenlucht afgesloten door een dun stofje tentdoek. ’s Morgens werd hij gewekt door tjirpende krekels. Soms rukte een bries een paar vijgen van de boom en die ploften dan dof op zijn tent.

De belofte van het jaar staat onder een te hete douche, dacht hij. En hij besloot dat hij dat misschien wel als eerste zin van zijn nieuwe boek kon gebruiken. Hoe het verhaal zich dan verder zou ontwikkelen merkte hij vanzelf. Hij stopte het zinnetje in zijn hoofd achter het deurtje met eerste zinnen. Straks zou hij een plaatsje zoeken op een schaduwrijk terras, koffie drinken en zijn laptop tevoorschijn halen. Ja, straks zou hij beginnen. Echt.

Bij de wasbakken doopte hij zijn scheerkwast in het schuim en liep in gedachten de afgelopen jaren nog eens na. Zijn debuutroman was goed ontvangen. De recensies waren lovend en hij ontving via zijn website veel positieve reacties van lezers. De belofte van het jaar, zo had de Telegraaf hem genoemd. Nu had hij nooit zoveel opgehad met de Telegraaf, maar dit bekte wel lekker. Toen hij nog journalist was, had iemand hem ooit het kankergezwel van de samenleving genoemd. ‘Ha! Ik heb promotie gemaakt!’, grinnikte hij en zag door de spiegel dat de man die net binnen kwam een beetje schrok. Hij knipoogde, meer naar zichzelf dan naar de kromme grijsaard.
‘Misschien moet je er even een tijdje tussenuit’, had Anja geopperd toen het met zijn tweede boek niet zo wilde vlotten. ‘Lekker rondreizen door Kroatië, dat wilde je altijd al zo graag.’ Hij vroeg of ze dan mee ging, maar ze kon haar werk niet in de steek laten en Kroatië trok haar niet zo. Ze was gek, vond hij. Kroatië was een van de mooiste landen ter wereld. De natuur was verbluffend, de zee kristalhelder, de olijfbomen indrukwekkend en de bergen imponerend. Met de vrouwen was ook niets mis trouwens, maar daar kéék hij alleen naar. Hij had Anja immers eeuwige trouw beloofd.
Hij vroeg zich af wat kranten hadden gekopt als hij dertien jaar geleden al was uitgeroepen tot belofte van het jaar. Zijn huwelijk zou dan in de media misschien wel aangekondigd zijn als: ‘Belofte van het jaar belooft trouw aan toekomstige echtgenote’.
Hij grinnikte weer. Met zijn humor was niets mis, vond hij zelf. Nu zijn inspiratie nog. Daar was wel iets mis mee.
Op een terrasje in de schaduw opende hij zijn laptop, terwijl hij van zijn gloeiendhete koffie nipte. De postvak in van zijn e-mail verscheen onmiddellijk op zijn scherm. Hij zag 242 ongelezen items en zijn blik werd naar de naam van zijn vrouw getrokken. ‘Mail van Anja?’, vroeg hij verbaasd aan zijn koffielepel en hij opende het digitale briefje.

Zijn inspiratie was terug. Een traan rolde over zijn wang en de eerste zin van de belofte onder de douche schrapte hij in zijn hoofd. In plaats daarvan typte hij: ‘Ik hield van haar, maar zij nam het niet zo nauw met de belofte van eeuwige trouw.’

Standaard
Belofte

Zoenen in een wolkbreuk

Zou je ooit met me willen trouwen?
De vraag kwam er gevoelig en tegelijk onhandig uit. Ze waren een eind gaan fietsen. Het was mooi weer en toen ze moe werden hadden ze de stoute schoenen aangetrokken en waren ze een weiland ingestapt. Ze lag met haar hoofd op zijn borst, met een arm en een been over hem heen. Hij had z’n ene arm om haar heen en de andere onder z’n hoofd. Ze waren gelukkig.

Tot die vraag.

Het bleef even stil. Te lang, als je het hem vroeg.
“Ooit wel”, zei ze.
Hij glimlachte. Typisch. Toen hij laatst vroeg of ze zin had in een ontbijtje op bed zei ze dat ze daar even over na moest denken.
“En waarom niet nu dan, bijvoorbeeld?”
“Nou lig ik in het veld met jou.”
Ze draaide een beetje en gaf een heel zacht duwtje met haar lichaam. Een beweging die wou zeggen ‘ik hou van je’, maar ook ‘begin maar over iets anders’.

Een wolkje dreef tussen hen en de zon langs.

“Hoeveel kinderen wil je later?”
Nu was zij het die de vraag stelde. Ergens in haar stem klonk een trilling door die daar normaal niet zat. Een mix van lichte onzekerheid, spanning en misschien zelfs een beetje enthousiasme. Hij tilde z’n hoofd een beetje op om haar aan te kijken, verwonderd. Zij voelde het en draaide een klein beetje bij om terug te kijken.
“Ik wil wel kinderen, ja.”
“Hoeveel, vroeg ik.”
Hij liet z’n hoofd weer rusten en luisterde naar een in de verte fluitende weidevogel. Hij telde de wolken boven hem. Zes. Zoveel kinderen hoefde hij nou ook weer niet.
“Drie, denk ik. En jij?”
“Zes.”
“Haha!”
“Je telde de wolken ook, hè?”
Hij knikte, waarbij z’n kin over haar kruin wreef. Ze had een brede grijns op haar gezicht.

Natuurlijk telde ze die wolken ook.

“Het gaat regenen.”
Ze hadden de donkere wolken niet zien aankomen. Druk met elkaar. Pas toen het licht veranderde naar het geel-grijze dat voor zware buien uitgaat, kregen ze argwaan. Omhoogkijkend zagen ze het laatste beetje zon verdwijnen achter een gitzwarte massa. Er begonnen dikke druppels te vallen.
“Kom, dan gaan we.”
Ze stonden op en fatsoeneerden hun kleren.
“Ik zou wel met jou willen trouwen, hoor”, zei hij terwijl ze de modder en grassprieten van zijn rug klopte. Ze gaf hem een tik tegen z’n billen en een kus op z’n mond er achteraan.

Ze zoenden in de wolkbreuk.

Standaard