Tussenjas

Klein

Zijn handen omklemden de rand van de tafel. Mijn handen hingen in het voorvak van mijn schort. Ik speelde even met de gedachte om ze eruit te halen en die van hem aan te raken. Misschien wilde hij dat ik een keer initiatief nam.

Ik zocht contact, maar hij keek dwars door me heen. Plots ging zijn stoel naar achter en met moeite duwde hij zich van de tafel af. Hij noemde me een kreng van een wijf en liep met grote stappen naar de voordeur.
Even leek het nog alsof hij twijfelde, tot hij demonstratief een jas van het hout trok. Toevallig de jas die ik hem jaren geleden gaf. De jas was veel te klein geworden. Of eigenlijk was hij veel te groot geworden voor de jas. Een knoop sprong met moed van zijn borst bij het aantrekken. Ik wisselde kort een blik met het ronde schijfje op de grond. Hij had zich inmiddels omgedraaid en kondigde zijn vertrek aan.

John leek zo meer op een rollade dan op mijn man. Hij zag rood. De naden van de witte jas sneden als touw in het vlees eronder, vervormden zijn lichaam tot een heuvelachtig landschap. Hij puilde er aan alle kanten uit. Slechts twee knopen leefden nog. Ik voelde mijn mondhoeken jeuken, maar het was geen moment om te lachen. Ironisch genoeg spuwde hij minuten geleden over te weinig ruimte in onze relatie. Hij moest weg, want hij voelde zich gevangen. Ik had vaak geknikt. Zijn wil was inderdaad te groot voor ons, te groot voor mij en zelfs te groot voor zijn jas. Maar vooral zijn gebaren waren groter geworden. De uren samen langer. Zijn klappen harder. En ik steeds kleiner.

Ik bleef staan en hield mijn lippen uit gewoonte strak op elkaar. Ik aarzelde over wat ik niet moest doen. Hij liep naar me toe. Met slechts twee passen voelde ik zijn warme adem op mijn voorhoofd. Hij probeerde zijn rechterarm op te tillen en ik kneep mijn ogen dicht. Maar de te strakke jas ontzag mij van een blauw oog.

De jas leek voor even het enige wat er nog tussen ons was. Ik durfde me even voor te stellen hoe John eruit zou zien in een echte dwangbuis. Ik zag hem langzaamaan afkoelen en nam zelf voorzichtig een hap lucht. Hij trok de jas weer uit en zei dat hij honger had gekregen. Ik hing de jas terug, deed de knoop in mijn zak en volgde hem naar de keuken. Later die avond zou ik de jas weer repareren.

Door: Ailbhe Cunningham

Standaard
Tussenjas

Een meisje laat je niet wachten

Om nou te zeggen dat-ie veel te laat was, nou nee. Een minuutje of vijf nu. Maar het was genoeg om Marten de eerste paar kilometers van dat klote eind te laten stampen op de pedalen. Hardop vervloekte hij de wisselende weersvoorspellingen en het te snel gaan van de tijd. Een meisje laat je niet wachten.

Ondertussen zat zij droog in Café Het Spoor. Ze had alvast iets besteld en veegde over het telefoonscherm. Ze had een paar vriendinnen berichtjes gestuurd, maar niemand had nog gereageerd. Het was nog vroeg.
Hij stond voor een open brug.
Zij bedankte de bediening voor het brengen van haar kop thee.

Echt op gang was Amsterdam deze zaterdagochtend nog niet gekomen. Er reden wat trams, er liepen wat toeristen, maar voor de rest voelde het nog een beetje dorps aan. Het beviel Marten wel, deze rust. Het deed ‘m denken aan vroeger en heel af en toe speelde hij ook met het idee hoe het zou zijn als hij terug naar de provincie zou verhuizen. Van een beetje minder haast is nog nooit iemand overleden.
Wachtend voor het verkeerslicht oefende hij z’n openingsgrap. Binnensmonds zei hij de zin “Hallo, kom je hier vaker” een paar keer, al schuivend met de klemtoon. Ja, hij moest het van zijn humor hebben.
Langzaam dronk ze van haar thee. Het was geen bijzonder café waar ze hadden afgesproken, maar het zat wel dicht bij het Centraal Station en omdat ze niet in Amsterdam woonde leek het haar een goede optie. Hoe dan ook, het wachten begon nu wel een beetje vervelend te worden.

“Fuck, fuck fuck,” riep hij hard ter hoogte van het Vondelpark. Bij het aanzetten om een paar slingerende toeristen in te halen, was zijn ketting eraf gevlogen. “Dat kan er ook nog wel bij,” schreeuwde hij en met een vloeiende beweging draaide hij de fiets om en kwakte ‘m neer op de stoep. Het gefriemel begon.
Een vriendin reageerde: “En? Is-ie er al?” Ze stuurde terug dat hij inmiddels al ruim twintig minuten te laat was. Een smiley kon er niet af. Een meisje laat je niet wachten.
Zijn handen werden steeds viezer en de ketting een steeds grotere vijand. Een vloek ontsnapte. Als het op klussen aan kwam had hij twee linkerhanden aan elke hand, maar kom op, een fietsketting er weer opleggen zou toch wel moeten lukken?
Een half uur. Nog een kop thee doen? Waarom had ze nou niet een boek meegenomen? Wat een slecht idee was dit.
Gelukt. Tevreden gaf hij een slinger aan de trapper. Als een zonnetje. Hij draaide de fiets weer om en zag toen pas zijn zwarte handen. Er zat niks anders op dan ze af te vegen aan de tussenjas waar hij vanochtend zo lang over getwijfeld had.
Aan de andere kant van Amsterdam vertrok een trein naar Utrecht. Zijn berichtje kwam te laat.

Standaard
Tussenjas

Het is een tussenjas, zeggen ze

Ik ben dertig en heb voor het eerst zelf kleding gekocht.
Normaal doet mama dat voor mij, maar nu is mama dood zeggen ze.
Daardoor kan ze nu geen kleren voor mij kopen, dus ik mocht zelf mee naar de winkel.

Ik weet best wat dood betekent, hoor.
Je wordt dan in een doos gestopt en in de grond begraven. En daar leggen ze dan bloemen op.
Ze zeggen dat mama nu een engel is en dat vind ik fijn, want engelen zijn mooi.
Ze hebben vleugels, net als vlinders. Ik denk dat mama nu kan vliegen, tussen de sterren.
Hoewel dat wel lastig is, van onder de grond. Ik zou eigenlijk niet weten hoe ze daar dan uit komt.
Hm, daar moet ik nog even over nadenken.

Ik ben anders, zeggen ze. Niet minder leuk, maar kinderlijker. Wat dat ook mag betekenen. Ik ben gewoon ik. Soms kijken mensen me raar aan. Dat komt omdat ik er normaal uitzie, maar me anders gedraag. Dat kunnen mensen niet rijmen, zeggen ze.
Dat vind ik raar; rijmen doe je toch alleen met Sinterklaas?
Als je er normaal uit ziet heb je blond haar, blauwe ogen en een rode vlek op je kin.
Dat weet ik, omdat ik dat zie als ik naar mij kijk in de spiegel. Er zijn best veel mensen die er normaal uit zien, zag ik toen ik kleren ging kopen. Hoewel ze niet allemaal een rode vlek op hun kin hebben, dus misschien zijn zij niet normaal.
Jessica ging met mij mee naar de winkel, want ze zeggen dat ik de weg naar het centrum van de stad niet weet. Dat klopt wel, want ik kom bijna nooit in de stad. Het is er te druk voor me, zeggen ze. Meestal blijf ik bij het huis waar ik woon. Er staat een hek omheen. We wonen daar met best veel mensen. Mama is er vaak, maar ze woont er niet. Ik vraag me af waar mama nu is. Ik heb haar al een tijdje niet gezien. Ik wist niet dat dood zo lang duurde.
Het kleren kopen was wel druk, hoor. Ik merkte het in mijn hoofd en ik werd er moe van. Ik had nog nooit zoveel kleuren en stoffen bij elkaar gezien. Toen de verkoopster vroeg wat ik zocht zei ik: ‘Kleren.’ Dat vond ze stom en daarna praatte ze alleen nog maar met Jessica, die bij mij was.
Jessica heeft rode haren en geen vlek op haar kin, dus zij ziet er niet normaal uit.

Ze zeggen dat het een tussenjas is, wat ik gekocht heb. Ik weet niet wat dat betekent, een tussenjas. Misschien moet ik hem aan tussen therapie en het eten door. Of tussen het douchen en slapen.
Als mama weer terug is van het dood zijn, zal ik het aan haar vragen.
Ik denk dat mama roze vleugels heeft. Mama vindt roze mooi; ze kocht altijd roze kleding voor mij. Mijn tussenjas is ook roze.

Standaard
Tussenjas

Een Van De Domste Dagen Ooit

Ik volgde de discussie tussen een moeder en haar zoon in de rij voor de pasruimte van de Hennes & Mauritz met groot genoegen. Het was alsof God mij zijn gouden staf toereikte, terwijl ik wachtte voor de gordijntjes van de hel.
Voor de goede orde: ik was hier weliswaar vrijwillig, maar niet voor mijzelf. Ik zat te wachten tot mijn vrouw naar buiten zou komen om mij vier witte, weinig van elkaar verschillende broeken te tonen. Twee linnen, twee spijker. Even ervoor had zij een plastieken kaartje met daarop het cijfer 6 ontvangen, wat betekende dat zij nog twee kledingsstukken bij zich droeg in het pashokje. Er werd haar door een geenszins chagrijnige maar ook niet bijzonder vriendelijke medewerkster van het modeketen medegedeeld dat dit tevens de limiet was, waardoor mijn vrouw de overige vier kledingsstukken waaronder overigens twee bikini’s waar ik het meest tegenop zag, even aan een rek moest hangen en dus werd het passen over meerdere etappes verspreid. Ik sloot niet uit dat dit een van de domste dagen van mijn leven was. Het kon dus geen verrassing heten dat ik het gesprek tussen moeder en haar gezette telg als een geschenk van hoger hand beschouwde. Het was prettig hoe ik steeds meer leerde over het leven van de twee. Allereerst begreep ik dat ze hier waren voor het uitbreiden van zijn en niet haar garderobe, want hij stond met twee herenjassen met prijskaartjes eraan over zijn arm gedrapeerd en zij met lege handen te wachten.
Ik hoorde de vrij stereotypische moederfiguur zeggen dat Jasper één jas per seizoen moest hebben. Jasper zelf vond dat maar onzin. Hij had één jas, zei hij. Als het koud was, deed hij hem aan. Als het warm was, deed hij hem niet aan. Het klonk mij logisch in de oren en ik besloot voor hem te zijn in deze discussie. Vurig hoopte ik tegelijkertijd dat hij per direct de brui zou geven aan dit ontzettend sneue tafereel alsook dat dit schouw- en soms hoorspel nooit op zou houden. Hij ging met dringende maar zachte stem, zich waarschijnlijk bewust van de ruimte, de discussie aan. En nee, hij was niet per se naïef, legde hij zijn moeder uit. Hij besefte heus wel dat er tussenmomenten bestonden. Het kon, bijvoorbeeld als hij ’s ochtends naar zijn werk ging, nogal fris zijn terwijl het in de loop van de dag warmer zou worden. Dan zou hij op de terugweg zijn jas niet aan hoeven te doen. Hij zag dat niet als een probleem. Je kon een jas toch makkelijk in je tas of onder je snelbinders doen, merkte hij naar mijn mening terecht op. Verontrustender was dat hij klaarblijkelijk een baan had, waarmee hij dus hoogstwaarschijnlijk een inkomen verdiende, iets wat een aantal vragen bij mij opriep. Hoe oud was hij? Woonde hij in één huis met zijn moeder? En als hij werk had, ervan uitgaande dat het hebben van zijn baan gepaard ging met een inkomen, waarom liet hij zijn moeder dan beslissen over zijn kleding, of in ieder geval over zijn jas, ongeacht waar zij beide woonachtig waren? Waarom waren ze hier überhaupt aanwezig? Even dacht ik aan een daadwerkelijke ingreep van Godser aard, puur om mij te voorzien van amusement terwijl ik wachtte op mijn aanpassende vrouw. Die gedachte ging vervolgens over in een angstig, Truman Showachtig visioen waarin ik het centrum van een overduidelijk horribel universum was, maar dat verdween toen Jasper weer begon te praten. Wat hij zei herinner ik mij niet exact, maar het allerbelangrijkste was dat hij zijn zin eindigde met het woord ‘liefje’. Ik viel om. Liefje? Ik was er gemakshalve vanuit gegaan dat hij met zijn moeder op pad was, maar toegegeven: er was met geen woord over gerept. Ik schoot in de lach, precies op het moment dat mijn vrouw haar gordijntje opzijschoof en naar buiten kwam. Ik bekeek haar en niet de witte broek om haar benen. Ze zou nooit voor mijn moeder aangezien kunnen worden. Toen ik zei dat zij een geschenk uit de hemel was en dat ik het meende, zei ze dat ik niet zo dom moest doen.

Standaard
Tussenjas

Ik hang in de kast

Begraaf mij in mijn zomerjas. Dat was de eerste zin die ik schreef in m’n dagboek. Nu twijfel ik over de tweede zin. M’n moeder had ‘m voor me gekocht omdat het zogenaamd goed zou zijn als ik over mijn emoties en gevoelens schreef. Dat krijg je, als je bij een psycholoog loopt, dat iedereen opeens met goede raad komt.

“Misschien moet je eens echt goed huilen. Ik heb nog wel een leuke film die je kan lenen?”
“Je moet gewoon denken dat je nergens last van hebt, dan ben je er ook echt zo van af.”
“Zal ik een blind date voor je regelen?”

Ik ga nog liever dood.

Vandaar die eerste zin. En ook een beetje omdat ik het leven an sich niet meer zo zie zitten, de reden dat ik bij die psycholoog loop. Mooi cirkeltje.

Mijn ‘probleem’ begon op een ochtend in maart. Ik weet niet meer wat voor dag het was, maar nog wel dat ik op de fiets zat naar college. De zon scheen en zweetdruppeltjes parelden op mijn voorhoofd. De winterjas die ik nog aan had was zwaar en warm. Ik kreeg het benauwd. En precies daar, op het moment dat ik wat moeite kreeg met ademen, daar brak het. Gek eigenlijk, dat het daar en om die reden gebeurde. Maar opeens had ik geen zin meer om verder te gaan. Ik stopte, zette m’n fiets neer, deed m’n jas uit en ging op de stoep zitten. Ik verloor de tijd uit het oog, geen idee meer waar ik op dat moment aan dacht. Op een gegeven moment stond ik op en liep ik naar huis. M’n fiets en jas liet ik achter. Toen ik thuiskwam bleek dat ik drie uur weg was geweest. Het was te warm voor een winterjas en te koud voor een zomerjas. Het was mijn dag en daarom werd ik depressief.

Voor mijn vrienden en familie ben ik precies die jas die ik daar nodig had. Dat besef kwam tot me op die bewuste fietsrit. Heel soms is het wel handig als ik er ben, maar echt blij wordt niemand van me. En waarom zou ik dan nog leven? Voor die keer dat het nog niet helemaal gezellig genoeg is op een feestje maar iemand die echt leven in de brouwerij brengt too much zou zijn?

Daarom: begraaf mij maar in mijn zomerjas.

Misschien laat ik het wel bij die ene zin. Dan weten m’n ouders wat ze met me moeten als het zover is. Al zal het nog wel even duren voordat ze me missen. Ze hebben me voorlopig toch niet nodig. Ik hang in de kast.

Standaard