Engeland

Niet zomaar een boot

Een onbekend land, dat Engeland. Maar met volle goesting zette ik een voet aan boord van de Ferry genaamd P&O, erg originele naam vond ik het niet, maar ja, Little Mermaid was ook niet toepasselijk geweest gezien de omvang van dit gigantische vaartuig.

Zodra ik en mijn zus gesettled waren in onze kajuit, bestaande uit jammer genoeg twee bedjes voor minimatroosjes en een douche waarin ik amper durfde te niezen, gingen we op tocht. Verschillende zalen en mogelijkheden hield dit tuig voor ons in petto. Ik dacht meteen aan de Titanic en keek met schrik in de ogen of er geen gekke hekken of tralies te vinden waren die bepaalde delen – zoals het onze – zouden afsluiten van de rest van het schip. Dan zou ik me echt gedoemd voelen. Gelukkig waren er geen gevangenisachtige taferelen, of althans waren ze heel goed verstopt.

Het tapijt was iets minder zacht dan ik me had ingebeeld en de gangen leken toch wel breder op de Titanic, misschien lag dat aan de breedbeeld tv of aan het feit dat Kate natuurlijk wel een maatje minder droeg dan ikzelf. Iets om over na te denken terwijl ik bijna duizelig werd. We hoorden de motoren starten en zachtjes kwam de boot in beweging, England, here we come! Spiegels op de muren zouden de minuscule doorgang groter moeten doen lijken maar geven eerder het enge spiegelhuis-effect waardoor je denkt dat je de hele tijd de verkeerde richting uitloopt en ik al helemaal mijn oriëntatievermogen verloor. Mijn zus is gelukkig zeer goed in heroriënteren en wist meteen de weg naar het casino en de bar te vinden, door de zorgvuldig maar menig geplaatste aanwijzingsbordjes. Zelf zou ik waarschijnlijk nog een ommetje gelopen hebben maar dat moet zij niet weten natuurlijk.

Daar aangekomen bleek het casino te bestaan uit twee ‘slotmachines’ met van die fruittekeningetjes en twee stokoude dametjes die waarschijnlijk ouder zijn dan deze boot en misschien zelfs de Titanic overleefd hadden. Vastgenageld op hun stoel en hun rechterbovenarm zag er verrassend gespierd uit. Dan maar verder naar de bar, dat bleek een iets groter succes maar nog altijd niet zó geweldig. Er waren enkele cocktails die ons wel konden smaken dus dronken we deze gezellig op en genoten van het verdwijnen van de kust in de horizon. Niet veel later begon de karaoke-avond. Jammer genoeg waren er niet veel inschrijvingen waardoor de DJ zich geamuseerd liet gaan op het podium en je kon zien dat hij er tenminste ten volle van genoot – dan toch iemand op deze hele boot.

Ik vroeg me steeds af waar eigenlijk al die andere matrozen zich schuilhielden. Volgens mij kon deze boot verschrikkelijk veel mensen vervoeren. Ik geloofde echter helemaal niet dat deze onbekende zich verschuilden in hun ministulpjes. Mijn zus en ik gingen op jacht naar andere lotgenoten op het dek, stuurboord, bakboord en we keken zelfs even overboord maar de Engelse wind sneed ons om de oren en we trokken onszelf terug. Binnen in het ijzeren hotel dat ons voerde naar Engeland. Zonder lotgenoten, maar met elkaar, zaten we in hetzelfde schuitje. Maar wat waren we blij dat we de volgende ochtend even terug voet aan wal konden zetten in Hull, where it is never dull.

Door: Sofie Bogers

Standaard
Engeland

Octopus in Blackpool

Fish & Chips, cup o’ tea, bad food, worse weather, Mary fucking Poppins: London!’ Mr. Apachelbel sprak overdreven luid mee met de tekst uit Snatch. Er stond hier altijd een film aan.

Apachelbel zat in een bordeaux rode fauteuil. De Dobermann Pinscher die aan zijn voeten lag, was opvallend rustig vergeleken met de vorige keer. Toen had er een nerveus klinkende, voor hem onbekende western opgestaan, wat het gedrag van de hond wellicht verklaarde.
De zestienjarige Alistair McBriefcase was hier voor de vereffening van een rekening. Zijn baas Hirashimo Mikonamura had hem de opdracht gegeven te collecteren wat Apachelbel hem verschuldigd was.
Het was de tweede keer deze week dat hij hier stond, hetzelfde briefje in zijn hand. De eerste keer, op maandagmiddag, had Apachelbel hem een spotgoedkoop nee verkocht. Toen had Alistair – Ali voor intimi – het hele end op zijn mountainbike weer teruggefietst naar het pand waar zijn baas resideerde. Het bericht dat hij vanuit Noordoost Londen mee terug had gebracht kon Mikonamura plezieren noch verrassen.
‘Woensdag ga terug. Zeg hem gebeurt iets met zoon als niets geeft,’ had de Japanner hem toegesist.

‘Wist je dat het in Engeland eigenlijk wel meevalt met het weer?’ zei Apachelbel. ‘In Amsterdam regent het bijvoorbeeld veel vaker.’
‘Nee, meneer Apachelbel. Dat wist ik niet.’
‘Wat wil jij eigenlijk van het leven, jongen?’
Het was een moeilijke vraag.
‘Dat weet ik ook niet.’
Mr. Apachelbel stond op, trok een dolk uit de houten wereldbol die voor hem op tafel stond. Met de botte kant streek hij afwisselend over de palm en de rug van zijn hand.
‘Het is belangrijk om te weten wat je wil, jongen. Ik wist al vroeg wat ik wilde. Een eigen fish & chipszaak aan de kust van Blackpool. Obviously, is die droom niet uitgekomen. Maar het is ook belangrijk om te weten wat je ooit wilde. Hoe oud ben je?’

Met een dreun gooide Apachelbel het mes in de deur.
Alistair zei dat hij eenentwintig was, maar het was duidelijk dat Apachelbel het niet geloofde. Niettemin schonk hij hem een glas whisky in, en daarna ook zichzelf.
‘Weet je wat het is met jullie jonge mensen, Tommy?’
‘Ik heet Alistair, meneer.’
‘Weet je wat het is, jullie zijn zo fucking bijdehand. Iedereen heeft een weerwoord tegenwoordig. Als ik je Tommy noem, dan heet je Tommy. Is dat helder?’
Alistair knikte. Hij vond het niet zo leuk waar dit gesprek heenging, vooral omdat hij daar nog nooit geweest was. Met zijn gezicht naar de muur en zijn rug naar de jongen toe, dronk Mr. Apachelbel zijn glas in eens leeg. Toen draaide hij zich om.
‘Weet jij eigenlijk waar je zou willen sterven, Tommy? Heb je daar weleens over nagedacht?’
Alistair had vaak nagedacht over de dood. Hij kon zich niet voorstellen dat er mensen waren die geen angst voor de dood kenden, hij vond de dood het raarste wat er was. Hij had nooit gedacht dat hij ergens anders zou sterven dan hier. Maar de vraag had zijn kortetermijngeheugen ververst. Hij was hier voor zijn baas.
‘Ik moest doorgeven dat er iets met uw zoon gebeurt als u het geld vandaag niet heeft,’ zei Alistair.
‘Ben jij eigenlijk wel op de plek waar je wilt zijn, Tommy?’
Hij wachtte Alistairs antwoord niet af.
‘Weet je waar ik zou willen zijn,’ zei Apachelbel. ‘Onder de zee, in de tuin van een octopus. In de schaduw.’
Toen liep hij naar de kast en haalde een grote envelop uit een safe.
‘Neem dit mee, vertrek. Doe ermee wat je wilt. Mijn zoon is toch al verloren.’
Verward fietste Alistair weg. Onderweg stelde hij zich voor hoe het zou zijn om de stad te verlaten, om naar een ander land te gaan. Om daar te sterven.

Standaard
Engeland

Mind the gap

Ze zouden een grotere koelkast moeten kopen; de deur van deze was vol. Een magneetbord zou ook uitkomst bieden, maar de koelkast werkte toch al niet goed meer.

De deur van het apparaat was een bron van herinneringen, vol gekleurde magneetjes uit alle landen en steden waar ze ooit hadden gewandeld, gegeten, gedronken en gevreeën. Een Ganesha uit India, een miniatuur Eiffeltoren uit Parijs, maskertjes uit Venetië, een wietplantje uit Amsterdam, Kroatische Plitvicemeren en de letters Hollywood uit Los Angeles.
Goede herinneringen, want op vakantie was alles goed.

Vanmorgen had ze een nieuw magneetje toegevoegd. Uit Londen, waar ze de afgelopen vier dagen samen met Otto had vertoefd. Een rode rand, wit ingekleurd met een blauw bordje waarop ‘Mind the Gap’ stond.
Vier jaar geleden had ze hem leren kennen. Otto. Een oer-Hollandse knul met blosjes en lange, blonde lokken. Ze viel niet op blond en al helemaal niet op blosjes, want die gaven mannen iets kinderlijks. Maar Otto was anders. Otto was nonchalant, alternatief, een tikkeltje arrogant, had altijd een baardje van twee weken en was – hoewel hij zijn haar in een knotje droeg – verschrikkelijk mannelijk. Als hij haar aankeek zag ze lust in zijn ogen. Hij zorgde ervoor dat zij zich vrouwelijk voelde. Ze was zijn prinses en hij droeg haar op handen. Hij kookte de meest verrukkelijke maaltijden voor haar, zette thee en perste sinaasappels als ze ziek was, maar hij gaf ook tegengas. Precies wat ze nodig had.

‘Wil je nog een biertje, schat?’, vraagt ze en ze haalt een flesje uit de koelkast. Het magneetje blinkt even als ze de deur sluit. Otto geeft geen antwoord; hij kijkt voetbal. Ze zet het bier voor hem neer en opent Twitter.
‘Als Nederland verliest stijgt het aantal meldingen van mishandeling met veertig procent’, luidt een tweet van Trouw. Het scorebord op televisie vertelt haar dat Nederland met 1-0 voor staat. En ze zijn toch al door, denkt ze glimlachend. Nederland staat in de achtste finale. Bovendien hebben ze vier heerlijke dagen Londen achter de rug. Otto is ontspannen. Niets aan de hand.

Als Nederland in de blessuretijd de 2-0 scoort is Otto’s flesje leeg. Een paar minuten later fluit de scheids de wedstrijd af. Nederland heeft gewonnen. Emma staat op om nieuw bier te halen.
Dat de koelkastdeur te hard dichtvalt en het ‘Mind the gap’ magneetje daardoor stuk valt, is niet eens haar schuld. Het veertje van de deur had al lang gemaakt moeten worden.

‘Ook bij winst wordt er een kwart meer geweld gepleegd’, leest Emma later verder in het artikel van Trouw, terwijl ze een zak ijs tegen haar wang houdt en Otto thee voor haar zet.

Standaard
Engeland

Je hebt het soms niet in de hand

Onder hem wordt Schiphol steeds kleiner en hij denkt aan het boek dat hij vergeten is in te pakken. Zij zit naast hem met muziek in haar oren. Het helpt tegen de vliegangst, ook al is het maar een uurtje.

Londen, daar wilde hij wel weer heen. Een keer eerder was hij er geweest, met de middelbare school. Je moest kiezen: Parijs, Praag of Londen. Natuurlijk werd het Engeland. Het land van de gepassioneerde voetbalsupporters, van de geweldige humor en boven alles van de betere popmuziek.

Engeland was, zo ondervond hij zelfs als schuchtere 17 jarige Havo-leerling, het land waar hij eigenlijk geboren had moeten worden.

Nu, ruim vijftien drukke jaren later, maakt hij weer de oversteek. Dit keer niet met de boot vanuit Calais, maar met het vliegtuig van bijna letterlijk om de hoek. Dit keer niet eerst met de bus vanuit Noord-Nederland naar Frankrijk karren, maar een kwartiertje met de trein vanaf een station op tien minuten fietsen.

Straks in Londen willen ze eigenlijk meteen naar de Abbey Road studio’s. Net als het Wembley stadion had hij daar met z’n klasgenoten destijds niet heen gemogen. In de tussentijd had hij er zoveel over gelezen dat het er nu maar eens van moet komen. Misschien dat hij het boek over alle daar opgenomen Beatles liedjes nog ergens op de vluchthaven kan opsnorren. Je weet het niet en wat voorbereiding kan nooit kwaad.

Het was de vriendschap tussen John Lennon en Paul McCartney die hem altijd zo gefascineerd had. De vriendschap die The Beatles in de begindagen voortstuwde en zoveel tijdloze liedjes had voorgebracht. Diezelfde vriendschap die na de breuk in 1970 veranderde in een smerige ruzie. De vriendschap die tien jaar later weer in de maak leek, maar waarvan het verzoeningsproces abrupt werd verstoord door een gek die zo nodig vijf kogels door John Lennon moest jagen.

Hoe oneerlijk en onvoorspelbaar het leven soms kan zijn, daar ligt hij nog altijd weleens wakker van. Neem bijvoorbeeld dit vliegtuig. Ze zouden zomaar kunnen neerstorten. Dat soort dingen gebeuren nog altijd. Alle inzittenden overleden. Hoe kan dit anno 2014 nog gebeuren op zo’n routinevlucht? Zakenlui, toeristen, bemanningspersoneel: allen hadden meer van deze dag verwacht. Zeker niet deze duikvlucht in ijskoud water. Vijftien jaar geleden had hij het waarschijnlijk niet eens zo erg gevonden. Misschien zelfs wel blij geweest met de spanning. Nu is zij er.

Zijn klasgenoten op de middelbare school konden niks met zijn liefde voor The Beatles. Het waren de jaren ’90; de tijd van Nirvana en meer van die herrie. Hij werd uitgelachen, in de hoek geduwd met z’n rare liedjes zonder dikke gitaarlagen. Jaren later las hij ergens dat Kurt Cobain ook een grote Beatlesfan was. Daar had hij die eikels in de klas mee om de oren moeten slaan.

Zij was anders. Dat zag hij meteen al tijdens het introductieweekend van de Hogeschool van Amsterdam. Ze was leuk, grappig én hield van muziek. “En The Beatles?” had hij voorzichtig gevraagd na twee dagen fijn met elkaar opgetrokken te hebben. Ze had ‘m verheugd aangekeken en vertelt dat de rode verzamelaar, met de beste liedjes uit de periode 1962 – 1966, een van haar meest dierbare jeugdherinneringen was. Het eerste album dat ze had gekregen. Van haar vader, voor haar zesde verjaardag. Zoals het hoort.

Voorzichtig tikt hij haar aan.
Ze doet een oordopje uit en hij vraag waar ze naar luistert alsof het antwoord hem nog zal verrassen.

Standaard
Engeland

Van koffiegrappen tot levenslessen

Jakko stond voor het smoezelige, enkele glas en volgde een druppel die over het raam naar beneden liep. Als de druppel beneden was gekomen verlegde hij zijn blik omhoog en volgde een volgende druppel op zijn reis naar de grond.

Hij zocht naar een beeld om het lijden van deze druppels uit te drukken, iets met het leven dat soms zinloos kan lijken, maar dat je ook op je weg naar beneden anderen kan helpen, wat voor de druppels dan de planten waren, maar hij wist de juiste zin niet te vinden.

Hij zat al anderhalve maand in dit huisje in Hunmanby aan de oostkust van Engeland en was na de eerste vier hoofdstukken helemaal vastgelopen in zijn boek over twee slimme detectives die in Amsterdam de ene na de andere bizarre moordzaak moesten oplossen. Hij weet dat vooral aan het bordje dat in de keuken hing met de tekst Life isn’t about waiting for the storm to pass, it’s about learning to dance in the rain. Het was walgelijk – en nadat de wittebroodsweken (want zo tof was het, schrijven in een speciaal daarvoor gehuurd huis) voorbij waren, kon hij het bordje niet meer aanzien. Weghalen durfde hij het niet, bang dat de eigenaar eens langs zou komen, het bordje zou missen en geschokt door de brutaliteit van die vreemde Hollander het huurcontract zou opzeggen.

Jakko besloot weer te gaan zitten. Op het scherm van z’n hippe MacBook stond nog steeds groot ‘Hoofdstuk 5: ’. Hij minimaliseerde ‘Roman.docx’ en opende ‘Koffiewoordgrappen.docx’. Onder ‘Kappen nou – kappucinou’ en ‘Ik blijf maar malen’ schreef hij ‘Zet je je espresso expres zo?’

Roman.docx ging weer open. Jakko schreef: Het was een donkere en stormachtige nacht. Onze Amsterdamse detectivrienden liepen over de Bilderdijkkade, een notoire gebruikersplek.

Jakko ging weer staan. Het regende nog steeds buiten. Hij dacht aan Snoezel, de heerlijke schootkat die nu werd verzorgd door Tante Annie. Hij had ‘m graag meegenomen, maar het kon niet. Gedoe met het vliegtuig, het huisje, dingen. En Tante Annie wilde Snoezel maar wat graag vertroetelen. Had ze iemand om tegen te praten. In de regendruppels dacht Jakko even het kopje van Snoezel te herkennen. Hij verbond de druppels met een denkbeeldige lijn, had zelfs de snorharen te pakken, totdat een windvlaag roet in het eten strooide. Typisch, dacht Jakko, want zo is het leven ook. Juist op het moment dat je het geluk bijna te pakken hebt, komt het leven voorbij en gooit alles doormekaar. Snel ging Jakko zitten, opende Koffiewoordgrappen.docx en schreef ‘Boontje komt om zijn loontje’. Hij dacht even na en zette de cursor voor ‘Boontje’ en schreef ‘(Koffie)’.

Een uur later had Jakko ‘Hoofdstuk 5: Koffieboontje komt om zijn loontje’ af. Zijn detectiveduo vond een vermoorde vrouw in een appartementje, met als enige aanwijzing de kattenbrokjes op haar borst. Het spoor leidde naar een koffieverslaafde schrijver, maar de uitkomst kwam pas in hoofdstuk 6, dat hij ‘Kater’ besloot te noemen.

Al met al een goede dag, dacht Jakko. Misschien zat er toch wel een kern van waarheid in die spreuk. Misschien moet je wel leren dansen in de regen van het leven. Heel even dacht Jakko eraan om naar buiten te stappen en de daad bij het woord te voegen.

Standaard