Ontbijtkoek

Beleg en beslag

Het ligt ergens tussen de schappen, onze band, onze grap. In de ochtend word ik wakker, na vijf uur slapen, zodat ik voor jou je ontbijtkoek kan smeren voor je werk. Jij ligt dan nog te slapen, de laatste momenten voordat je alarm afgaat. Al een paar jaar hetzelfde deuntje waar ik helemaal gek van word. Wij verplaatsen ons in elkaars ritme, maar het blijft hetzelfde. Een dikke laag boter, op dezelfde droge plak. Vijf dagen per week, onderbetaald voor de moeite die erin wordt gestoken.

Terwijl ik de bar schoonmaak, corrigeer jij de examens van de scholieren die jouw dag in beslag nemen. Toen wij nog studenten waren, was het makkelijk om tijd voor elkaar vrij te maken. We werden wakker, skipten college, rolden nog eens om, en stonden op, rustig, koffie en ontbijtje op mijn kleine balkon in Bos en Lommer. Klein maar fijn, zeiden we toen. Nu zijn we vijf jaar verder, en staat het balkon vol met jouw racefiets die je nooit gebruikt.

Wij hadden nogal een interessante ontmoeting, wat eigenlijk wel zou moeten aangeven wat een burgerlijk bestaan we nu leiden. In de Albert Heijn, daar stond ik dan, kersvers studentje met 249, 45 om uit te geven voor de maand. Ik had geen idee wat ik moest kopen, al helemaal niet hoe ik moest koken. Ik kocht dan ook echt alles wat voor beleg kon doorgaan, want als mijn kookkunsten me niet bevielen had ik altijd nog de optie om pindakaas met vlokken te eten. Komkommer erbij, gezonde maaltijd toch? Vijf pakken cup-a-soup in mijn mandje. Terwijl ik de schappen afstruinde naar de jam die achttien jaar in het ouderlijk huis op tafel stond, zag ik je uit mijn ooghoeken. Een donkerblonde, lange slungel, maar op zich best een mooi exemplaar. Geen koorbal, wel netjes gekleed, met afgetrapte All-stars. Een teken dat jij ook nog net niet bij het volwassen leven hoorde. Boodschappen mand vol ontbijtkoek en beleg. Ik ging wat rechter staan. En toen zei je de zin waar het allemaal mee begon. ‘ Jij ook boterhammen voor het avondeten?”

We gingen samen eten, een eitje, en je kuste me in mijn keuken nadat ik de eerste omelet had verbrand. Wist ik veel hoe elektrische gasfornuis werkte. In plaats van avondeten aten we dikke lagen boter op ontbijtkoek met twee flessen rode wijn. We lachten altijd, zoveel, en ongemerkt kwamen er steeds meer spullen bij, en mijn leven werd ons leven. We hadden een vrij leven, onbezorgd, en waren verliefd, zo verliefd.

Tijdens mijn stage bij een van de beste kunstenaars uit Europa, hielp je mij door mijn brood te smeren, liefdesbrieven in het folie die ik stiekem in mijn bureau bewaarde, elke dag weer. Ik was kapot als ik thuiskwam, en je stond erop dat ik met mijn voeten omhoog rust nam. Ik vertelde over mijn dag, en jij luisterde aandachtig. Wijn stond al klaar op tafel.

De rollen zijn omgedraaid. Het werkloze kunstenaarsbestaan leid ik, jij bent het volwassen leven ingegaan, en jouw ontbijtkoek smeren is het enige wat ons nog bindt als herinnering aan hoe het begon. Maar liefde, vandaag ga ik. Ik vouw de folie om je ontbijtkoek, briefje erin, en stop het in je tas. Terwijl jij in de douche staat, pak ik mijn tas, en doe de deur achter me dicht.

Door Annelies van Haeften

Standaard
Ontbijtkoek

Wisten wij veel

Norbert heette het jongetje op de schoot van Saar. “Eigenlijk helemaal geen naam voor een baby,” zei jij met een hap beschuit in je mond.
Subtiel was je nooit geweest.
Je was een collega. En net als familie zoek je die niet uit. Tenzij je hoofd personeelszaken bent, maar die functie ambieerden wij beide niet.
Afijn, jij kwam binnen als stagiaire. Zo’n eentje die dacht dat-ie alles al wist. Zo’n eentje die minachtend keek naar iemand als mij, omdat ik niet veel ouder was dan jou en nu al vast zat in de sleur van het dagelijks leven. Voor jou was ik een oude zak die gestopt was met het om zich heen kijken.
Wist jij veel.

Maar toch, je fascineerde me. Misschien herkende ik wat van mijzelf in jou. Je zei dingen die ik vroeger ook gezegd zou hebben als ik wat meer lef had gehad. Alleen die snor al van je: dat moet je durven, Ferry.
Na je stage kwam je in dienst. Eerst een jaarcontract, maar daarna al gauw een vaste aanstelling. Je leverde goed werk af. Zowel je teamleiders als opdrachtgevers liepen met je weg. Terecht, denk ik. Je was binnen no-time een welkome aanvulling op ons, eerlijk is eerlijk, enigszins vastgeroeste team.
Saar had meteen al een hekel aan je. Arrogant noemde ze je. En niet eens achter je rug, nee, gewoon recht in je gezicht waar iedereen bij stond. In de kantine, het was een vrijdag, we hadden kroketten. Een vervelend en verwend kind dat zijn plaats niet kende, riep ze ook nog.

Ik denk dat mijn haat voor jou vorm begon te krijgen toen we samen op een campagne werden gezet. Haagsma Ontbijtkoek. Vreselijk gore ontbijtkoek. Elk hap bleef kleven aan je gehemelte. Een plak koek was letterlijk een plakkoek.
Maar goed, het is je werk. Je moet alles kunnen verkopen. Zelfs gore ontbijtkoek.
Ik zag het dan ook als een uitdaging. Een kans om te laten zien dat ik mijn vak verstond. Iedereen kan Apple producten aan de man brengen. Haagsma ontbijtkoek, dat is toch andere koek. (Die slogan sneuvelde al in een vroege brainstormsessie.)
Mijn idee was om Saar er bij te betrekken. Dat probeerde ik eigenlijk bij elk project. Vergaderen werd een stuk minder vervelend als ik naar haar kon staren.
Hoe dan ook, jij was tegen. “Saar heeft geen flauw benul van wat andere mensen willen. Ze denkt alleen maar aan haar zelf. Zoals alle vrouwen. Prima, maar val mij er niet mee lastig.”
Daar was ik het dus niet mee eens. Als er iemand op ons reclamebureau mij begreep en wat ik wou in het leven, dan was Saar het wel. Nog voor jouw tijd zaten wij geregeld na werktijd met een wijntje te filosoferen over wat we nu echt willen en wat we echt nodig hebben. Ik zei eens, licht aangeschoten, dat je de meeste energie moet steken in datgene dat je niet kan achterlaten wanneer je onverhoopt zou moeten vluchten. “En wat is dat dan?” vroeg ze. Ik aarzelde even, en zei toen: “De liefde.” Ze lachte en noemde mij een hopeloze romanticus.
Wist ik veel.

Ik moet zeggen dat het mij verbaasde dat je me uitnodigde om bij jou en Saar thuis te komen eten. Zo keek ik niet naar onze relatie. Ik zag ons niet als collega’s die bij elkaar over de vloer kwamen. De werkvloer was vaak al te veel van het goede.
Ik deed het dan ook voor Saar. Ik had haar al zo’n drie maanden niet gezien. In het begin schreef ik nog weleens iets onder een Facebookfoto van baby Norbert, maar meer dan een duimpje leverde dat niks op van haar kant.
Ja, ik miste haar.

Jij deed de deur open en nam de fles rode wijn in ontvangst. “Wil je de tour?” vroeg je, maar ik bedankte beleefd. Het was al lang geen geheim meer dat je mij in salaris was gepasseerd en het laatste waar ik op zat te wachten was materiële bevestiging. Ik vroeg me af of jij het allemaal zou kunnen achterlaten.

Saar was blij me te zien. Dat zei ze, en daarna dat ze een ovenschotel had gemaakt.
We aten, we dronken en jij vertelde over je nieuwe auto.
Ik knikte en keek vooral naar Saar. Ze had alles nu, maar was het ook wat ze ooit wilde?
Stilletjes at ze haar bord leeg. Ze zocht oogcontant met je, maar je beantwoorde haar niet.
Wat ben je toch een lul, Ferry.
We lieten je het bekende verhaal vertellen over hoe je met een geniale ingeving de hoge piefen van Haagsma Ontbijthoek voor je had gewonnen. Ik sprak je niet tegen. Ik zei niet dat het eigenlijk mijn slogan was geweest. Ik keek naar Saar en zag wat ik echt had verloren.

Standaard
Ontbijtkoek

Het lettertype van de eeuw

Dit is een prettig lettertype,’ zegt Harmen.
Ze zitten samen aan de grote tafel. Zij aan het hoofd, hij met zijn rug naar het raam. Zij leest de krant, hij staart naar zijn laptop.

Iets minder dan een uur is hij nu bezig om een geschikt font te vinden. Het is een truc, volgens haar. Een van de velen, om maar niet te hoeven beginnen. Zelf doet hij dat af als onzin.
‘Een goed lettertype is waarbij het allemaal begint. Mijn boeken schrijven zich voor de rest bijna vanzelf’, zegt hij dan. Vervolgens gaat hij dan de afwas doen, of stofzuigen. Dat vindt zij ook wel fijn – het geeft haar wat lucht – al heeft ze liever dat er eindelijk weer eens iets op papier komt. Het gaat nu al maanden zo. En een tweede boek moet er snel komen, heeft ze gehoord. Het duurt nu al veel te lang, en hij heeft nog niet eens een idee.

‘Cambria, 11-punts, 1,25 regelafstand. Dat wordt hem.’
Hij zegt het met geveinsde overtuiging. Ze hoort ook geen getik, enkel het klikken met de muis. Ze mist het geratel van zijn vingers, dat vanaf zo’n anderhalf jaar geleden haast onophoudelijk heeft geklonken. Toen hij nog in een flow zat, zoals hij het zelf noemt.
‘Wil je nog een kopje koffie?’
‘Ah, ja. Dat kan ik wel gebruiken’
Als hij niet reageert op zo’n vraag of hij nog iets wil hebben, weet ze dat het goed zit. Het is haar manier om te vragen of hij lekker bezig is.

Ze weet nog dat hij er de vorige keer zeventien minuten over deed om een geschikt lettertype te vinden. Dat is uiteindelijk ook gebruikt in Indische Cake, zijn debuutroman. Die gaat over het geheime liefdesleven van Jan Pieterszoon Coen, met onthullingen over een verzwegen bastaardzoon, die hij had verwekt bij een lid van het koninklijk huis. Het verhaal begint in Baarn en eindigt in Atjeh, waar Coen uiteindelijk in 1629 tijdens de Atjeh-oorlog is overleden. Het boek is jubelend onthaald en als baanbrekend beschouwd. Volgens de Volkskrant ‘rammelt Indische Cake aan de grondvesten van de Vaderlandse geschiedenis’.
Harmen is een echte onderzoeksschrijver. Hij zoekt alles helemaal uit, wil alles weten. Alles in zijn boek klopt, niets is verzonnen. Het project heeft dan ook vijf jaar geduurd, waarvan hij er drie op Sumatra heeft doorbracht. Zij is meegegaan, en dat heeft ze geenszins erg gevonden.

‘Weet jij wel dat het lettertype Cambria door een Nederlander is ontworpen?’
Dat weet ze niet, en het kan haar ook niet schelen. Ze wil dat hij gewoon schrijft. Ze weet dat ze hem moet blijven steunen, maar vraagt zich tegelijkertijd af of dat het wel waard is. Natuurlijk, zijn boek is nog steeds hun voornaamste bron van inkomen, maar het begint allemaal wat krap te worden. Het voorschot dat hij van de uitgever heeft gekregen is weliswaar royaal geweest, maar niet eindeloos. Ze wil wel weer eens op vakantie.

‘Wil je anders een plakje ontbijtkoek, schat?’
‘Ontbijtkoek? Ontbijtkoek? Ontbijtkoek!’
Ze kijkt hem aan, ziet het aan zijn ogen. Dit heeft ze lang niet gezien. Het is oprecht, zo lijkt het. Een gouden ingeving.
‘In de gouden eeuw heeft Jan Pieterszoon Coen samen met Antoni van Leeuwenhoek en Christiaan Huijgens specerijen gevonden in de bossen op Bali. Daar ligt de basis van ontbijtkoek. Er zijn daar ongetwijfeld dingen gebeurd. Dit wordt een vervolg, een deel twee van Indische Cake: Ontbijtkoek. Bedankt, lieverd.’
‘We gaan naar Bali!’ roept zij verheugd.
Hij hoort het niet, en mompelt: ‘Century, 11-punts, 1,5 regelafstand. Goud.’

Standaard
Ontbijtkoek

Rustkoek

Moedeloos scrolde hij op zijn telefoon door zijn agenda. Zijn vrouw murmelde nog wat in haar slaap en zuchtend stond hij op om koffie te zetten. Hij zou vandaag iets eerder moeten vertrekken om een peperkoek te kopen bij de supermarkt. Die ene, die hij vroeger altijd bij zijn opa at. Het merk wist hij niet, maar de verpakking kende hij uit duizenden.
Vandaag ging hij aan drie mensen vertellen dat verdere behandeling zinloos was. Dat ze dood zouden gaan. Poppetje gezien, kastje dicht. Zeg maar dag met het handje. Hoe lang ze nog zouden leven? Dat kon hij niet met zekerheid zeggen. Dat kon hij wel, maar hij deed het niet. En daar voelde hij zich prima bij. Want hoe vertel je iemand dat de aarde niet meer rond is? Dat zinnetje dreunde altijd door zijn hoofd op zulke dagen, en dat terwijl hij een hekel had aan Marco Borsato.
‘Sorry mevrouw Maurino, de laatste chemokuur is niet aangeslagen en we kunnen niets meer voor u doen. De kanker woekert steeds wilder om zich heen.’ Dat zou hij straks tegen de 55-jarige vrouw zeggen. Vijfenvijftig. Net zo oud als hij zelf. Zij zou over een maand of twee wel dood zijn. Hij zou haar dan misschien al vergeten zijn en aan andere patiënten vertellen dat hun organen lagen te marineren in kankercellen. Die woordspeling had hij ooit verzonnen – dat maakte zijn werk net een stukje draaglijker – maar hij had de zin nooit gebruikt. Hij vond dat hij dat niet kon maken.

Hij hield van spelen met tekst. Als hij geen arts was geworden, had hij een beroep als schrijver geambieerd. Maar zijn vader beval hem medicijnen te gaan studeren en daar had hij braaf naar geluisterd, met de harde hand van zijn vader in zijn gedachten. Zijn opa niet, die vond dat hij moest schrijven. Elke zondagmiddag presenteerde hij aan zijn opa een nieuw verhaal. En terwijl de oude man het las, knabbelde jonge Jaap aan zijn peperkoek. De variant met gember vond hij het lekkerst. Nog steeds trouwens. De koek gaf hem toen al een rustig gevoel, omdat hij dan bij zijn opa was. Zijn lieve opa, die hem na het lezen van zijn verhaal glimlachend aankeek en zei: ‘Je hebt talent, jongen.’
Thuis hadden ze nooit ontbijtkoek in de voorraadkast.
Peperkoek was zijn geheime wapen geworden op dagen als dit. Slechtnieuws gesprekken – U hebt longkanker, ik raad u in ieder geval aan te stoppen met roken – ging hij achteraf te lijf met een paar flinke happen koek. Dan kon hij er weer even tegen. Het rustgevende gevoel dat de smaak van de zoete koek met gemberstukjes hem gaf, zorgde ervoor dat hij de dag door kwam.
Half vier ’s middags. Hij overdacht de gesprekken die hij de afgelopen uren had gevoerd. Mevrouw Maurino had hartverscheurend gehuild, samen met meneer Maurino. Er was berusting bij meneer Jager en die goede ouwe Van Oort, die al jaren onder behandeling was, had hem alleen maar sprakeloos aangestaard.
Jaap zuchtte, schudde zijn hoofd om zijn gedachten te verdringen en trok de lade waarin zijn koek lag te wachten open.

Standaard
Ontbijtkoek

Mooi roze is niet lelijk

Ik sluit aan in wat volgens mij de kortste rij is. Voor me staat een persoon met een klein, iel postuur, een gele broek en een fel roze fleecetrui. De bovenkant van het hoofd van de persoon is kaal, waaruit ik opmaak dat het een man moet zijn, en vanaf de lijn aan de bovenkant van z’n oren vallen grijze, vale lokken haar naar beneden. Er hangen vier of vijf grote tassen aan z’n arm – waar er weer drie felroze van zijn – en een winkelmandje aan de andere, waaruit de man nu zijn boodschappen aan het overladen is op de lopende band. Als hij een pak ontbijtkoek op de band legt zie ik dat de man niet alleen een roze fleecetrui en roze tassen heeft, maar ook een roze bril. Het is een hip montuur, vrij dik, maar het kan mijn aandacht niet lang vasthouden, want het puntje van de neus van deze man is net zo roze als zijn bril.

Terwijl ik geniet van deze situatie en het grappige boodschappenlijstje van deze man (Choca vlokken, Hertog kersenijs, ontbijtkoek en bevroren hamburgers), sluit er een meisje achter mij aan in de rij. Ze legt een appel op de band, en pakt dan het scheidingsbordje voor de volgende klant. Ik kijk haar even aan. Ze is een jaar of zesentwintig en heeft vrij lang, zwart stekelhaar. Ze heeft een piercing in haar neus en veel oorbellen. Mooie ogen ook. Dan kijk ik weer naar de appel.

‘Boodschappen voor de hele week?’ vraag ik.
‘Ja, ik ben heel zuinig,’ antwoordt ze glimlachend.

We lachen even naar elkaar en kijken dan weer naar de man met de roze neus die inmiddels moet gaan afrekenen. Iets dat hij blijkbaar niet van tevoren heeft zien aankomen, want hij begint met zoeken naar z’n portemonnee op het moment dat de kassière zegt ‘9,63 alstublieft’. Langzaam zet hij z’n vijf tassen neer en begint in één van de tassen te zoeken, totdat hij zich bedenkt en in de zak van z’n roze fleecetrui begint te graaien. Daar vindt hij een briefje van vijf, dat hij alvast voor de kassière neerlegt. Een eeuwigheid later heeft hij nog wat muntgeld te pakken gekregen, dat hij minutieus uittelt. Hij wil het bonnetje graag mee, ja.

Ik reken mijn boodschappen, ontbijt voor morgen, snel af. Terwijl ik inpak is de man met de roze neus, roze bril, roze fleecetrui en roze tassen net zover dat hij de ontbijtkoek in z’n tas gaat stoppen. Al z’n andere spullen liggen nog op de band. Het meisje met de appel heeft inmiddels ook afgerekend en loopt voorbij. Tergend langzaam en trillend gaat z’n hand met de ontbijtkoek een tas in, om vervolgens tot de conclusie te komen dat het niet past. Hij haalt de ontbijtkoek weer uit de tas en probeert het nu met de bak ijs. Die past.

Standaard