Bouwmarkt

Eindelijk

Kun jij die paal even vasthouden? Super. Waar was ik gebleven? Oh ja, bij ons huis. Nou ja, waar zal ik beginnen? Weet je nog Mirella uit onze klas, vroeger? Die altijd zo verschrikkelijk liep te hoesten, terwijl haar vader nota bene dokter was? Nou ja, zo’n huis hebben wij dus. Het hoest dan wel niet, maar het is behoorlijk krakkemikkig. En dat voor het huis van een timmerman! Pardon, zelfstandig meubelmaker en interieurbouwer. Als ik timmerman zeg, wordt Pieter woest.

Waar heb ik die spijkers nou gelaten? Oh, hier. Jemig, wat zijn die dingen glad. Nou goed, ons huis dus. Toen we het zes jaar geleden kochten, was Pieter door het dolle heen. Weet je dat nog? Hij bleef maar roepen dat-ie dat varkentje wel eens even zou wassen. En ik, met m’n stomme kop, geloofde ‘m. Nou, na een maand was het voorbij met z’n enthousiasme. Volgens hem was het volkomen logisch: zolang hij betaald werk had, deed-ie niks in huis. En als-ie dan eens vrij had, was-ie moe en deed-ie ook niks.

Echt, ik heb ‘m gesmeekt om in elk geval de hoognodige reparaties uit te voeren. Maar nee, hoor. Altijd een excuus. Toen ik vroeg of we het werk dan niet beter konden uitbesteden, werd-ie helemaal woest. In zijn huis werd niet geklust door amateurs. En dus modderden we voort in een half afgebouwd huis.

Afgelopen winter was ik er opeens helemaal klaar mee. Ik heb ‘m voor de keus gesteld: of jij gaat wat doen of ik ga weg. Met Teuntje. Nou, je had ‘m moeten zien met z’n drie stagiaires. Hele huis overhoop, alles onder het stof. Maar na drie dagen tochtte en lekte het niet meer, had ik eindelijk kozijnen in de keuken, was de badkamer gekit, zat er een slot op de wc-deur en ga zo maar door.

Zelf heeft Pieter er overigens weinig aan gedaan, hoor. Terwijl die jongens zwoegden, was hij vooral druk met heen en weer rijden naar de bouwmarkt. Kostte namelijk ook nog flink wat geld, al dat geklus. Weet je wat die dingen om een raam open te houden kosten? Veertig euro per stuk! Maar goed, we kunnen nu tenminste de boel laten luchten zonder dat meteen alles naar buiten waait. En van de trap lopen zonder eraf te donderen, want ze hebben ook eindelijk de leuning vastgezet.

Weet je wat Teuntje tegen me zei toen het af was? ‘Eindelijk hebben we een gewoon huis, mam!’ Da’s toch erg? Kun jij die paal nu even zo vasthouden? Top. Ga ik proberen of ik ‘m de grond in krijg. Zo, die staat. Nou maar hopen dat we snel kijkers krijgen. Hoe eerder ons huis verkocht is, hoe beter. Ja, het is mooi geworden, hoor. Prachtig zelfs. Maar het is te laat. Echt, trouw nooit een timmerman. Komt alleen maar ellende van.

Standaard
Bouwmarkt

Hou je douchekop erbij

Mijn vrouw en ik hebben een lijstje met soorten winkels waar wij nog nooit samen zijn geweest. De bouwmarkt konden we na zaterdag 17 mei afstrepen.
We hadden een nieuwe douchekop nodig. De oude was kapot gegaan, mijn vrouw had ‘m laten vallen tijdens het schoonmaken. Het was een goede kop, zo’n eentje met harde stralen, maar waar je ook aan kon draaien om ‘m wat meer te laten sijpelen (al kan ik me niet voorstellen dat iemand dat vrijwillig doet).
Hoe dan ook, hij was nu stuk. Ik had ‘m nog wel proberen te maken door wat dingen terug te slaan op de plek waar ze volgens mij hoorden te zitten, maar het mocht niet baten. Sijpelen was nu alles wat-ie kon.
Wij in de auto naar de bouwmarkt.
Voor een winkel die ik doorgaans maar al te graag meed, reed ik er zonder moeite in één keer heen. Met vrees voor wat er ging komen draaide ik onze Volkswagen Passat het parkeerterrein op. Ik zette de moter uit en hield mijn vrouw tegen met uitstappen. Ik pakte haar arm en keek haar recht in de ogen aan. ‘Luister,’ zei ik, ‘het plan is simpel: we gaan zo snel mogelijk naar de afdeling sanitair, pakken de eerste de beste douchekop en gaan daarna linea direct naar de kassa.’
Ze knikte.
‘Oké,’ zei ik. ‘Dan stappen we nu uit. Succes. En als ik je niet meer zie: ik houd van je.’
Natuurlijk was het belachelijk druk in de bouwmarkt. Alle klussers klussen immers op zaterdag. Dat is genetisch bepaald, dat gaat van vader op zoon. Bij ons thuis werd op zaterdag gevoetbald. Zoals het hoort.
Mijn vrouw legde haar hand op een winkelwagentje, maar ik wist haar net op tijd tegen te houden. ‘Nee, een mandje,’ zei ik. ‘Als ze zien dat we een wagentje hebben met daar alleen een douchekop in, komen ze direct op je af met hun praatjes over een nieuwe termo-turbo-boormachine die deze week in de actiefolder staat. En ik wil geen boormachine, Marja. Zie ik eruit als een man die een boormachine nodig heeft?’
De afdeling sanitair.
Douchegordijn.
Douchegordijn.
Schreeuwerig douchegordijn.
Douchegordijn.
Te dure douchekop.
Te dure douchekop.
Te rare douchekop.
Lijkt me geen douchekop.
Prima douchekop.
In het mandje.
‘Ogen recht vooruit, niemand in een rode polo aankijken,’ zei ik tegen mijn vrouw. Als snelwandelaars die nodig naar de wc moesten, koersten we richting de kassa. We ontweken met moeite een kluitje klussers bij de afdeling Schroeven, Spijkers & Bouten en wisten net op tijd een sluiproute te nemen via het Stekkerdoos-eiland zodat we niet in de file kwamen te staan bij de bladblazerdemonstratie.
Ik pinde het bedrag, bedankte voor de Zaagselzegels en zuchtte opgelucht op het parkeerterrein.
‘Godzijdank, we hebben het gehaald,’ zei ik tegen mijn vrouw en triomfantelijk hield ik de douchekop omhoog zoals Robin van Persie van de zomer ook de wereldbeker boven zijn hoofd gaat houden. Helaas niet met twee handen, dus elke ochtend was ik mij onder een sijpelend straaltje.

Standaard
Bouwmarkt

Witloftaart

Amsterdam Noord, vroeg in de ochtend. Egbert ligt in zijn bed, zijn ogen heeft hij al even open gehad. Hij voelt zich suf, alsof de verwarming vannacht aan is blijven staan. Te benieuwd naar hoe lang nog voor de wekker gaat, duwt hij zich op zijn zij en tast naar het nachtkastje. Hij doet zijn bril op, pakt zijn telefoon. Daarop ziet hij hoe laat het is.
En de datum.
Hij laat zich naar achteren vallen, zijn hoofd landt op twee kussens op elkaar. Buiten hoort hij de wind en de rateltikker van een stoplicht. Hij doet zijn ogen dicht. Knijpt. Hij wil het niet, toch gaan zijn gedachten naar de eerste verjaardag die hij met haar vierde.
Hij ziet zichzelf. Lopend, vanaf zijn huis naar haar flat. Hij belt aan. Hij duwt met een hand tegen de deur, net nadat het zoemgeluid gestopt is. Moeizaam buigt hij naar achteren, om opnieuw de bel naast nummer 117 in te drukken.
‘Is ie open?’ hoort hij haar weer zeggen.
‘Nee, anders bel ik toch niet nog een keer?’ Hij zegt het hardop met zichzelf mee.
Het signaal voor het openen van de deur klinkt opnieuw. Nu gaat het goed.
In de hal van de flat twijfelt hij tussen de trap en de lift. Hij drukt op het knopje, het lampje gaat branden. Maar het duurt te lang. Hij gaat lopen, terwijl hij de taart in balans houdt.
Oh ja, die taart. Hij glimlacht, maar houdt zijn ogen dicht.
Zijn moeder had een witloftaart voor hem gebakken, om mee te nemen. Hij ziet zichzelf de trappen oplopen, de taart op de palm van zijn linkerhand. Hij heeft een rugtas om, met daarin een boek en een trui, maar het gaat eigenlijk alleen om de schone onderbroek die onderin zit. Hij hoopt dat hij kan blijven slapen.

Verder gaat het niet, de herinnering aan de eerste keer dat hij haar zag dringt zich op. Hij had de stap gezet om verf te gaan kopen, nadat hij jaren geleden had geconstateerd dat zijn huis in de Sneeuwbalstraat nodig geverfd moest worden. Hij was met de auto naar de Klaprozenweg gegaan; daar zaten bouwbedrijven. Vier om precies te zijn, nog geen 400 meter van elkaar. Hij koos voor de Gamma. Er naar binnen gaan voelde als een berg opwandelen. Hij wist dat hij eroverheen moest, dat daarna een fijn moment zou komen. Een punt van rust, of lunch, en altijd een uitzicht. Momenten om foto’s te maken.
Binnen, aan de rand van een wand vol mogelijkheden, stond hij naast haar. Hij vroeg wat zij een goede kleur voor zijn slaapkamer vond. Hij was oprecht, wist het zelf echt niet. Jaren later leerde hij dat het als een belegen versierpoging had geklonken. Ze vond hem aandoenlijk, toen. Ze bleken vlakbij elkaar te wonen. Zij was lopend, hij bracht haar naar huis. Hij ziet zichzelf, weer.

Hij doet zijn ogen open, kijkt naar de afgebladderde muur. De wekker gaat, half acht. Hij pakt het kussen dat zo lang het hare was stevig vast, en gunt zichzelf nog heel even. Toch ziet hij zichzelf wel een witloftaart bakken vandaag.

Standaard
Bouwmarkt

Kapitalisme

Er was een vlakte. En op die vlakte bevond zich slechts één ding: een bouwmarkt. Voor de rest was de vlakte leeg. Er was geen boom, geen grasspriet, geen kiezelsteen.

Op een dag kwamen er mensen. Al snel ontstond er ruzie tussen twee van hen, omdat de ene de laatste hamer wou kopen en de ander datzelfde van plan was. Iemand mengde zich in de discussie, en zei dat de ene gelijk had. Dat vond iemand dan weer onzin, want de ander stond duidelijk aan de goede kant. Weer iemand zei dat ze geen ruzie moesten maken en kreeg bijval van nog iemand.

De drie groepen groeiden. Na een aantal vechtpartijen verzamelden ze zich rondom de bouwmarkt op drie punten op gelijke afstand van elkaar.

Zo nu en dan kwamen ze naar de bouwmarkt om spullen te kopen en te vechten. En heel soms kwam de ene groep naar de andere groep om verhaal te halen.

Daarom bouwde een van de groepen een verhoging om dat soort verhaalpogingen eerder te zien aankomen. Een andere groep vond dat een goed idee en bouwde een uitkijkplatform. De laatste groep zag er het nut ook wel van in en bouwde een toren. De bouwmarkt deed goede zaken.

De torens groeiden hoger. Toen ze eenmaal boven de bouwmarkt uit waren konden ze elkaar zien en naar elkaar roepen hoe stom de anderen wel niet waren. Steeds als één van de torens hoger was dan de anderen, gingen er weer groepen mensen naar de bouwmarkt om hun eigen torens ook hoger te maken. En zo groeiden de torens en de bouwmarkt samen door.

Langzaam maar zeker kwamen de mensen in de buurt van de wolken. Ze riepen dat ze wijsheid zouden vinden in de wolken en daarmee zouden winnen. Het bouwen ging sneller en sneller. Elke groep wilde de wolken als eerste bereiken.

Op een dag verscheen er een hand boven de hoogste toren. De hand hing in de wolken en strekte een vinger uit naar beneden. Kijk, daar is de wijsheid, zeiden de mensen. De groep met de hoogste toren bouwde snel verder, terwijl de andere twee groepen afwachten wat er ging gebeuren.

Al snel kon de langste man uit de groep met de hoogste toren de vinger aanraken. En toen hij dat deed stortte de hele toren in elkaar. Ha, riepen de andere groepen, ze kunnen de wijsheid niet aan! En ze bouwden verder. De groep zonder toren besloot dat het toevallig was dat ze juist op dat moment instortten en begonnen een nieuwe toren te bouwen. De bouwmarkt was op dat moment al over de halve vlakte heen gegroeid.

Toen de tweede groep de hand boven hun toren zag verschijnen stopten de andere groepen niet meer met bouwen. En toen de vinger werd aangeraakt en de toren instortte keek niemand gek op. De ingestorte groep likte zijn wonden en bouwde de toren opnieuw.

Zo ging het door, tot de vlakte geen vlakte meer was. Er was slechts een bouwmarkt – en drie torens die om en om instortten.

Standaard
Bouwmarkt

De droom van Bert Beijsens

I have a dream.’
Het was 51 jaar geleden dat Martin Luther King zijn legendarische quote uitsprak.
Twintig jaar was Bert toen. Kings woorden gingen in no time de wereld over. Anno nu was het citaat nog steeds beroemd. Je hoefde de vier woorden maar uit te spreken en men wist dat je het over de vermoorde dominee had.
Zoals heel veel anderen was Bert Beijsens gefascineerd door de rede van de Amerikaan. De inhoud interesseerde hem niet. Het ging hem om het effect van de oneliner. Wat het deed met zijn lichaam.
Twee maanden eerder had hij ook al zoiets gevoeld. Een kriebel in zijn onderbuik, borrelende belletjes in zijn bloed en prikkend zweet in zijn nek. Vier Duitse woordjes waren de oorzaak:
‘Ich bin ein Berliner’, aldus John F. Kennedy.

Tegelijk met Martin Luther King had ook Bert een droom.
Ooit zou hij een oneliner verzinnen, hem uitspreken of hem opschrijven. Hij zou één minuscuul zinnetje beroemd maken. Hoe, dat wist hij nog niet, maar het zou hem lukken. Dat gevoel van opwinding wilde hij nog veel vaker meemaken. Bovendien vond hij dat meer mensen dat gevoel moesten hebben. Hij zou daarvoor zorgen.

Hij ging politicologie studeren, want hij dacht dat in die branche de beste oneliners voortgebracht werden.
Helaas was de studie veel te hoog gegrepen, dus hij besloot als presentator auditie te doen bij verschillende televisiezenders. Dan zou hij in de spotlights staan en de ene pakkende zin na de andere uit kunnen kramen. De wereld merkte dan vanzelf dat hij superieur was in het maken van kwinkslagen met woorden. Ze zouden aan zijn voeten liggen en hem smeken die fantastische, inspirerende quote nog eens uit te spreken. En nog eens. En nog eens.

Hij deed auditie na auditie, maar het wilde niet vlotten. Toen hij op een middag met een weigerende pinpas bij de kassa van een supermarkt stond, wist hij dat hij een andere baan moest gaan zoeken. Hij had nog net genoeg kleingeld voor de krant van die dag en thuis spitte hij de vacatures door. Een grote winkelketen zocht een reclameman. Hij oefende op zijn verkooppraatjes, solliciteerde en werd prompt aangenomen. Het was 15 augustus 1993.

In 1994 werd ‘zijn’ reclame voor het eerst uitgezonden en die sloeg in als een bom. De gemiddelde Nederlander hoefde de eerste drie woorden van zijn oneliner maar uit te spreken, of hun gesprekspartner vulde de zin aan.
Groot was Berts teleurstelling toen Pim – at your service – Fortuyn zijn slogan naar de achtergrond liet verdwijnen. Een snoeiharde campagne volgde en die blies de quote nieuw leven in.

Bert lag op zijn sterfbed met een grote glimlach. Hij had zijn droom waargemaakt. Nederlanders spraken zijn drie fenomenale woorden regelmatig uit. ‘Dat zeg ik’.
Een paar uur na zijn dood haalde zijn dochter opgelucht adem toen ze een gloednieuwe commercial met een splinternieuwe oneliner op televisie zag. ‘Mooi hè, Gamma’. Ze was blij dat haar vader dit niet meer mee hoefde te maken.

Standaard