Poldermodel

Polderliefde

Twee paar nieuwsgierige ogen keken haar aan.
‘Naam?’
‘Ilonka Haverbrood’.
‘U mag zich uitkleden’, zei het eerste jurylid.
Ilona deed wat er gezegd werd.
‘Uitstekend’, zei het andere jurylid. ‘Als u Poldermodel wilt worden dan bewaakt u vijf jaar de vrede tussen Stad en Polder. Ik verzeker u: u wordt aan alle kanten in de gaten gehouden. Denkt u dat u dit kunt?’
Ze aarzelde, maar zei zelfverzekerd: ‘Dat lukt wel. Vijf minuten in m’n niksie voor jullie of vijf jaar met kleren aan door allebei De Landen, ik zie weinig verschil.’
‘Bent u al verhuisd?’
‘Nog niet’, zei ze. ‘U weet zelf dat Stadsmensen moeilijk toegang krijgen tot jullie nogal gesloten Polder. Met alle respect natuurlijk.’
‘U mag zich aankleden. Nog één ding. Wat weet u over de Liefde?’
Ilonka kleedde zich aan en dacht na.
‘Niets, mijn moeder gebruikte kunstmatige inseminatie. Wat ze ook bij jullie met koeien doen.’
Het jurylid knikte. ‘U lijkt ons het ideale Poldermodel. Maar leert u nog over De Liefde: zonder Liefde geen Eeuwige Vrede tenslotte. Kom over twee dagen terug. Goedemiddag!’

Ilonka stond buiten op de landerijen. Van De Liefde wist ze weinig. Ja, een gestolen kusje in het fietsenrek, maar dat was een weddenschap. Het voelde plotseling als een gemis. Ilona riep een taxi voor de terugreis.
‘Waarheen?’, vroeg de chauffeur.
‘De Stad graag, station West’, zei ze verdrietig.
De chauffeur keek haar aan.
‘Het komt allemaal wel goed mevrouw’, zei hij gemoedelijk.
Ze keek vragend door de achteruitkijkspiegel. ‘Echt waar’, zei hij.
Bij het uitstappen hield hij hoffelijk de deur voor haar open. ‘Een prettige dag nog.’

Op het station zag ze een ouder echtpaar op een bankje. ‘Heb je het koud?, vroeg hij.
‘Nee hoor, lieverd’, zei zij. Ze hield haar man stevig vast voor z’n lichaamswarmte.
Ilonka keek naar het bord met de vertrektijden. Uit haar ooghoek zag ze een meisje de armen van haar vader inrennen.
‘Mevrouw, mevrouw!’, hoorde ze achter zich.
Een blonde jongen keek haar aan. ‘U bent uw shawl vergeten!’
‘Zeg maar jij, hoor’, zei ze vriendelijk.
Hij bloosde.
‘Kan ik je misschien een kop koffie aanbieden?’
‘Ben je van de Stad of van de Polder?’
‘Maakt dat wat uit?’
‘Ik moet weten wat De Liefde is. Ik kom uit de Stad, ik ben er niet bekend mee.’
‘Hier.’
Hij gaf haar een kus. Kort, geen tong. ‘Zo doen wij dat hier.’
‘Sinds wanneer zijn jullie in de Polder zo lief? Net al die chauffeur, en dat meisje, die mensen op het bankje.’
‘Jij kwam hier zeker vanwege de Poldermodel-verkiezing?’
‘Klopt.’
Er was iets in zijn ogen dat haar aantrok. ‘Kom’, zei hij.
Hij leerde haar alles over De Liefde. Vertelde over rozen, harten in het zand, chocola. Nog een kus, tedere aanraking. Hij leerde haar letterlijk alles. Ilona kwam terug bij de jury en vertelde haar bevindingen.
‘Is dit genoeg voor Poldermodel?’
‘Helaas mevrouw. We hebben toch gekozen om voor iemand uit de Polder te kiezen als Poldermodel. Voorkeursbeleid.’
Buiten was de jongen verdwenen.

Door: Maarten van Krimpen

Standaard
Poldermodel

Het Gedroogde Land

Vlak na het achtuurjournaal werd ik overvallen door een gevoel van onvoorstelbare heimwee. Ik belde mijn vrouw, maar kreeg haar niet te pakken.
Dan maar een glas whisky aan de bar van het hotel.
‘Het is me wat,’ zei ik daar tegen de man die er zo te zien al een tijdje zat. Hij dronk zonder te genieten, dat zag je meteen. Met elke slok trok zijn mond een beetje. De rimpels in zijn voorhoofd verrieden groot persoonlijk drama. Waarschijnlijk in de orde van een weggelopen vrouw of een overleden kind. Hopeloos vertrokken op zakenreis, want dat was alles wat er nog over was nadat de stofwolken waren opgetrokken: het werk.
‘Tja,’ zei ik in een diepe, alleszeggende zucht en nam een slok.
Het was een vrij waardeloos hotel waarin ik verbleef. Er stonden genoeg sterren op de gevel om de prijs per nacht per kamer te rechtvaardigen, maar dat was dan ook alles. Er was geen enkele poging ondernomen om een beetje sfeer te creëren in de lobby, in de bar en in de kamers. Het hele hotel was een grijs compromis tussen eenvoud en veiligheid. Want stel je voor dat een van de gasten iets als aanstootgevend zou ervaren. Chaos. Paniek. Anarchie.
Afijn, laten we het er op houden dat men niet voor de gezelligheid naar Hotel Het Gedroogde Land in Almere hoefde te komen.
‘Het is waardeloos,’ zei De Man Met Grootse Zorgen naast me.
De barman schonk ‘m nog eens bij.
‘Wat is waardeloos?’ vroeg ik met de hoop op een praatje.
‘Dit hotel. Het is alles wat het niet zou moeten zijn.’
Ik knikte. ‘Behoorlijk waardeloos, inderdaad. Als je het mij zou vragen, hadden ze het brein dat voor dit gedocht verantwoordelijk was ook moeten inpolderen.’
De Man Met Grootse Zorgen stak zijn hand naar me uit en zei: ‘Aangenaam kennis te maken. Mijn naam is Adriaan van den Brand, ontwerper van vele gebouwen, waaronder deze waar wij nu in zitten.’
Dat had ik weer.
Ik schudde de uitgestoken hand en noemde mijn naam.
En we namen allebei een slok van onze drankjes. Als synchroondrinken het ooit tot een olympische sport zou schoppen, dan zouden wij toch wel een serieuze kandidaat voor een gouden medaille zijn.
‘Goh,’ zei ik toen.
‘Ik had dit hotel gemodelleerd naar die motels die je overal langs de snelwegen ziet in Amerika,’ ging het Brein achter hotel Het Gedroogde Land verder. ‘Dat leek me wel te passen in de polder. Niet dus.’
De barman schonk de man bij. Ik hield mijn hand over mijn glas, wetende dat de avond nog vroeg was.
‘En nu?’ vroeg ik. ‘Kan er niks meer aangedaan worden? Een beetje aankleding zou al helpen.’
‘Geen idee,’ antwoordde het Brein met Grootse Zorgen. ‘Zal me ook aan m’n reet roesten. Ik werk al jaren niet meer in die branche. Verrotte wereld is het. Ik heb m’n bedrijf verkocht en hang nu over al en nergens maar wat rond. Ze zoeken het maar uit.’
Mijn broekzak trilde. Ik viste het mobieltje eruit en zag haar naam op het scherm.
‘Succes ermee,’ zei ik tegen het Brein Met Grootse Zorgen en legde tien euro op de bar. Ik liep weg en nam het telefoontje aan.
In de troosteloze lobby van hotel Het Gedroogde Land sprak ik met mijn vrouw. Ik vertelde haar dat ik begreep waarom we een paar dagen geleden deze afspraak hadden gemaakt, maar dat het gewoonweg niet klopte, want man, wat miste ik haar vreselijk en hopelijk was het niet te laat om alsnog het juiste te doen.

Standaard
Poldermodel

Over bruggen

Ooit was de auto van mijn ouders de enige manier om bij mijn oma in Almere te komen.

Ik herinner me mijn moeders vraag, elke keer op hetzelfde punt, vlak voor we de snelweg op konden. Gaan we door de polder? Het maakte mijn vader niet uit. Mij en mijn zusjes wel, want als we door de polder gingen, kwamen we altijd langs een restaurant bij Barneveld met een enorm ei voor de deur. We stopten en aten er nooit, maar dat was niet erg. Iets daarvoor zat een McDonalds, vlakbij wegrestaurant de Goudreinet, maar die kregen allebei geen enkele aandacht. Het ging om dat enorme ei en het was altijd een spel wie hem als eerste had gezien. Soms zag ik hem, maar liet dan een van mijn zusjes winnen. Daarna vroeg altijd wel iemand of we een ijsje van het tankstation mochten. Nee, nee. We zijn er zo, nog even stilzitten.

Nu spelen we dat spel niet meer en zijn er veel meer manieren om bij mijn oma te komen. Desondanks ging ik juist steeds minder vaak. Wel wist ik de vorige keer nog goed. Toen had ze me ontroerd, door te zeggen dat ze begreep dat ik niet zo vaak kwam, maar dat ik wel echt moest komen zodra ik een vriendinnetje kreeg. Afgesproken? Afgesproken. Mijn moeder spoort me regelmatig aan. Je woont nu in Amsterdam, je bent er toch zo? Ja, mama. Ja. En toch komt het er nooit van. Waar ligt het aan? Aan dat ik lui ben? Dat ik niks heb om te vertellen? Ligt het aan de band met mijn oma? Aan mijn familie? Aan hoe we zijn? Aan alles? Wie weet. Het doet er voor even niet toe, want morgen ga ik eindelijk die kant op.

Vanuit Amsterdam West fiets ik als je op de kaart zou kijken recht naar beneden, over de Hoofdweg. Voor het stoplicht bij de kruising met de Postjesweg ruikt het naar hoe ik me voorstel dat de ideale multiculturele samenleving ruikt. Het komt door de bakkerij Simit Paleis. Een geurmengsel van puddingbroodjes, baklava en döner kebab vergezelt het verkeer op het kruispunt. Ik moet denken aan de geur van de tomatensoep die mijn oma vroeger altijd maakte, de lekkerste soep die er ooit heeft bestaan. Dan kijk ik op de klok die boven de bushalte hangt. Tien voor half elf.
Voor me zit een grote, ronde fietsbel in de weg verwerkt. Ik vraag me af of die daar expres zo voor de helft in het asfalt zit. Of dat hij daar gewoon zo gekomen is, met de jaren. Alleen door daar te liggen, vergroeid met het steen.
Als het groen wordt, fiets ik door en verderop lach ik om de driedubbelzinnigheid van het bedrijfsbord van Kapper H. Bakker Autoverhuur. Bij de rotonde op het Surinameplein ga ik richting de Overtoom en Amstelveenseweg. De brug, waarvan de onderkant gesponsord is, staat open en ik voel dat ik alleen nog maar koffie op heb vandaag.
Vlakbij het Haarlemmermeerstation bel ik bij de reden van deze reis aan en als ik op de kerkklok kijk, is het weer – of nog steeds – tien voor half elf. In ieder geval een van de klokken staat niet goed, maar ik heb het gevoel dat de wereld even heeft stilgestaan. Met haar achterop fiets ik naar Zuid.

In de trein denk ik aan de boottochtjes in Friesland, toen mijn opa er nog was. Mijn zusjes in badpakken voorin de boot, ik mocht af en toe sturen. Bukkend onder de bruggetjes door, waar geen enkel sponsorwoord op stond. Ondertussen heb ik niet door dat ik de melodie van de Zuiderzeeballade fluit.
De sprinter tilt ons over de brug die het Gooi- van het IJmeer scheidt en ik zit krampachtig in mijn stoel. Ik moet plassen en dat kan niet in dit soort treinen. Ik voel me een jongetje.
‘We zijn er zo,’ zegt ze met een knipoog. ‘Nog even stilzitten.’

We stappen het verzorgingstehuis binnen. Het ruikt er naar hele matige kippensoep. Dat is ook het eerste wat ik tegen mijn oma zeg, nadat ik haar vertel dat ik haar heel graag aan iemand wil voorstellen.

Standaard
Poldermodel

De schoonheid van Flevoland

Ja, en ík vind dat we helemaal geen logeerkamer nodig hebben.’
Ik zie dat ze mijn toon niet leuk vind. Dat ik te hard ben omdat ik nu haar eigen toon tegen haar gebruik. Zo werken vrouwen: alles is toegestaan, tenzij je het tegen hen gebruikt. En dat ga ik nu ondervinden. Let maar op.
‘Waarom moet het bij jou áltijd gaan om wat jij vindt? We zijn getrouwd ja, dan gaat het over wat wij vinden.’
Deze is makkelijk.
‘En dat geldt dan zeker niet voor jou?’
‘Je begrijpt er weer helemaal niks van hè! Het gaat er ook niet om wat ik vind, het gaat er om wat we nodig hebben!’
Oh. Het is blijkbaar ingewikkelder.
‘Maar ik vind dat we helemaal geen logeerkamer nodig hebben.’
‘Zie je, daar ga je weer.’
‘Maar…’
Ik zwijg en kijk naar het prachtige schaalmodel van Flevoland dat ik in dik drie jaar heb gebouwd. Je kunt er alles op zien, van Almere Muziekwijk tot de weilanden rondom Urk en van de ijsbaan in Dronten tot het Erkemederstrand bij Zeewolde. En dat in een ruimte van krap 25 vierkante meter.
‘Maar wie gaan er dan logeren? Al onze vrienden wonen in de buurt!’
‘M’n ouders.’
‘Je ouders?’
‘Ja.’
‘Die zijn hier in veertien jaar nog nooit geweest.’
‘Daarom.’
Ik kijk haar aan. Ze kijkt kwaad terug.
‘Dus als we een logeerkamer hebben komen ze opeens wel?’
‘Heb je een hekel aan mijn ouders?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik vraag me gewoon af of ze niet eerst een middagje langs kunnen komen in plaats van direct te blijven logeren. Ze zijn nog nooit geweest hè. Nog nooit!’
‘Kijk, als je het niet wilt moet je het ook gewoon zeggen.’
Wát?
‘Maar dat zei ik toch ook?’
Ze draait zich om en slaat de deur achter zich dicht. Ik draai me ook om, naar mijn grote liefde. Weinig mensen zien de schoonheid van Flevoland. Ze zien alleen het centrum van Lelystad of het station van Almere – ik geef toe: geen pareltjes. Verder kijken lukt ze niet. Ze zien de geschiedenis van het polderen niet, of de kilometers aan prachtige landbouwgrond. Mijn vrouw is één van hen. Ze begrijpt niet wat ik in Flevoland zie. Daarom wonen we ook in Harderwijk. Zo heb ik mijn polder in de buurt en kan zij tegen haar vriendinnen zeggen dat ze in Gelderland woont. Alsof dat zo’n feest is.
‘Sorry?’
Ze staat weer in de kamer.
‘Huh?’
‘Je zei dat iets geen feest is.’
‘Oh, nee, niks.’
‘Harderwijk zeker?’
‘Nee hoor!’
Even is het stil. Ik raap m’n moed bij elkaar.
‘Ik doe m’n model weg als we in Almere gaan wonen.’
Ze zucht.
‘Over m’n lijk.’

Standaard
Poldermodel

Twee druppels

Ik snap er niks van’, verzucht oma tegen niemand in het bijzonder.
Ik zit naast haar, maar dat heeft ze alleen in de gaten als ze toevallig naar rechts kijkt. Ze is gefixeerd op het barokke handspiegeltje waar ze tegenwoordig mee getrouwd lijkt. Ze kijkt naar zichzelf. In het spiegelbeeld zie ik dat haar blik droevig en verward is.
Als ze naar mij kijkt, zie ik een glimp van herkenning en een vage glimlach op haar gezicht. Vroeger was ik daar blij mee. Inmiddels weet ik dat ze dan zichzelf ziet. Haar eigen ik, die ze eigenlijk in de spiegel verwacht. Daar waar ze nu alleen maar een oude vrouw ziet.
‘Ben ik dat?’, vraagt ze aan mevrouw Tiemens, die tegenover haar zit. Mevrouw Tiemens reageert in eerste instantie niet. Dan mompelt ze: ‘Ik weet toch niet naar wie je kijkt.’ En ze zinkt weer weg in haar eigen verwarde wereldje. Oma kijkt weer in het spiegeltje. De traan die over haar wang rolt blijft net buiten het spiegelbeeld. Ik zie hem wel. Zelf merkt ze hem niet op. Zo lijkt het tenminste. Niets is meer wat het lijkt. Zeker voor haar niet.
Ik pak het stokoude fotoboekje dat mijn moeder me heeft meegegeven uit mijn tas. Het leek haar een goed idee als ik deze samen met oma zou bekijken, zodat ze misschien haar spiegel eens aan de kant zou leggen. Ik leg mijn hand op haar broze, flinterdunne pols. Haar huid lijkt van perkament. Oud, scheurbaar en doorschijnend. Ze schrikt een beetje en kijkt me aan. Weer die blik van herkenning. Ze ziet zichzelf.

‘Kijk oma, ik heb wat foto’s meegenomen’, zeg ik terwijl ik het spiegeltje voorzichtig uit haar hand neem en het boekje voor haar neer leg. Haar kromme vingers openen het. De gelijkenis treft me, zoals altijd. Ik zie mezelf. Zíj ziet zichzelf. Het is onvoorstelbaar hoeveel ik op haar lijk. Op de foto’s is het niet te zien – ze zijn zwart wit – maar als ik in haar ogen kijk zie ik dat ook onze oogkleur precies hetzelfde is. Groen als smaragd. De mijne worden omhelsd door kohlpotlood. Die van haar door diepe rimpels. Als ik naar haar kijk, zie ik mezelf over vijfenzestig jaar.
Ze bladert door het boekje en lijkt de wereld om zich heen te vergeten. Ik bedenk me hoe waar dat is. Ze is de huidige wereld echt vergeten. Ze leeft alleen nog maar in het verleden, toen ze net als ik nu vijfentwintig was.
‘Ach… Piet…’, zegt ze bij een foto van haar en opa en weer rolt er een dikke traan uit haar smaragdgroene oog. ‘Hij noemde me altijd zijn model.’ Stilletjes staart ze naar de foto. ‘Model’, zegt ze na een tijdje, waarna ze een schamper lachje uitstoot. ‘Ik hoopte altijd ontdekt te worden, maar dat ging in die polder waar we woonden natuurlijk nooit gebeuren.’

Standaard