Volkswagen Caddy

Het Wittebusjessyndroom

Ergens, in een onbeduidende straat in een onbeduidende wijk in een onbeduidende stad, was een wit bestelbusje gestopt voor het huis van familie De Vries.
De chauffeur had het raampje naar beneden gedraaid en leunde nu ontspannen naar buiten. Van achter het raam werd hij aandachtig gadegeslagen door mevrouw De Vries. Zij had net het signalement genoteerd van de man (bruin haar, donkere zonnebril, brede armen) en het busje (wit, kenteken niet te lezen).
Licht gerustgesteld volgde ze nu het gesprek tussen de man en het buurmeisje. Maartje was net gestopt met steppen en stond nu met de step tussen haar enkels naast het busje. Mevrouw De Vries was het liefst naar buiten gegaan om haar hoogstpersoonlijk weg te halen, maar je wist nooit. Het kon natuurlijk zijn dat ze die man kende. In dat geval wilde mevrouw De Vries er buiten blijven. Ze had geen enkele zin om de risee van de buurt te worden. Bovendien was Maartje een verstandig meisje. Zij zou zich echt niet zomaar laten ontvoeren.
En dus verschool mevrouw De Vries zich nog iets meer achter het gordijn, terwijl Maartje druk gebarend een route leek uit te leggen. Het stuur van de step had ze losgelaten, waardoor deze nu vervaarlijk heen en weer wiebelde tussen haar benen. Mevrouw De Vries snoof. Je wilde het toch niet geloven! De oudste truc ter wereld, doen alsof je verdwaald bent, een kind de weg laten uitleggen, doen alsof je het niet snapt en dan het kind laten instappen om de weg te wijzen. En dat gewoon onder haar neus! Nee, dat zou zij niet laten gebeuren. Het was tijd voor actie.
Mevrouw De Vries haalde diep adem en zette een ferme stap opzij. Zo, liet hij het nu nog maar eens proberen, nu zij zo duidelijk voor het raam stond toe te kijken.
Helaas wekte de man niet de indruk dat hij haar had opgemerkt. Hij praatte gewoon verder met Maartje, haar gebaren herhalend. Hij doet alsof, dacht mevrouw De Vries. Nu weggaan zou hem nog verdachter doen lijken.Hij moet het nog even rekken. Inderdaad draaide de man na een paar minuten het raampje dicht en reed weg. Maartje pakte het stuur van haar step weer vast en stepte weg. In het voorbijgaan zwaaide ze naar mevrouw De Vries, die opgelucht terug zwaaide. Zo zag je maar weer, een beetje sociale controle kon veel ellende voorkomen. Over sociale controle gesproken, het werd tijd dat ze zich weer eens ging bezighouden met haar eigen zoon. ‘Jasper!’ riep ze.
Geen antwoord. Hij speelde zeker weer verstoppertje, de schat. Haastig liep ze naar de tuin, ondertussen luid ‘waar ben je nu’ roepend. Eerst zag ze zijn emmertjes op een slordige stapel in de zandbak liggen. Pas daarna viel het haar op dat de poort open was. Toen ze ernaartoe rende, zag ze nog net hoe een fiets de brandgang uitreed. Jasper zat achterop.

Standaard
Volkswagen Caddy

Parkeerplaats

In de knalgele Volkswagen Caddy rijdt Henri richting de Friese grens. Het sms’je staat klaar in zijn concepten: “Sorry, ik moet gewoon weg. Geen idee wanneer ik terug ben. H.”
Vanochtend was hij nog gewoon naar zijn werk gegaan. Strak in het pak, zoals het bedrijf voorschrijft. Met Gerard had hij de cijfers doorgenomen. Suzanne had hem gevraagd hoe zijn weekend was geweest. Tegen Freek uitte hij weer zijn ongenoegen over het dagelijks reizen met het openbaar vervoer. Greetje had een taart gebakken.
Het was een werkdag.

De Nederlandse zenders storen en op goed geluk drukt Henri op een paar knoppen van de radio. Eigenlijk houdt hij niet eens van muziek. Henri is een schrijver. Een schrijver die zijn Grote Debuutroman nog moet schrijven. Maar als die eenmaal af is, dan is hij waar hij moet zijn, dat weet hij zeker.

De afgelopen jaren heeft Henri veel geschreven in de avonduren. Kwam hij thuis in zijn twee-onder-een-kap in Reusel, at wat met Marjon en vluchtte dan naar de zolderkamer. Dat ging een lange tijd goed. In een periode van drie jaar schreef hij ruim veertig korte verhalen. Zo nu en dan stuurde hij een stapeltje naar een paar bekende uitgeverijen, en altijd kreeg hij ze een paar maanden terug. Bedankt voor je interesse in onze uitgeverij, maar op dit moment kunnen wij niks met uw ingezonden materiaal.
Een week of vier geleden ging het mis. Henri zat op z’n zolderkamer klaar achter de laptop, maar er kwam niks. Elke zin die hij typte verdween vrijwel direct weer onder de backspace knop.
‘Volgens mij ben ik leeg,’ zei hij ’s avonds tijdens de koffie tegen Marjon.
‘Wat bedoel je?’ antwoordde ze.
‘Ik heb niks meer om over te schrijven.’
‘Dat is toch helemaal niet erg? We vinden wel een andere hobby voor je. Fred van Sonja is al jaren zo leuk bezig met van die kleine treintjes.’
De dagen erna kwamen er geen nieuwe Word documenten in het mapje “Korte Verhalen van Henri 2014” op zijn laptop. Ook zijn notitieboekje (eerste bladzijde: “Aantekeningen ten behoeve van Eerste Roman Henri Vries”) bleef verstoken van nieuwe inzichten.

Vlak voor het binnenrijden van Friesland stuurt Henri de Volkswagen Caddy een parkeerplaats op. Hij stapt uit en loopt naar een picknicktafel. Het sms’je heeft hij een kwartier geleden al verstuurd, al wachtend voor het verkeerslicht. Er kwam vrijwel direct een antwoord van haar binnen, maar hij heeft het berichtje nog altijd niet geopend. Henri gaat zitten en schrijft in zijn notitieboekje: “Vlak voor het binnenrijden van Friesland stuur ik de Volkswagen Caddy een parkeerplaats op. Ik stap uit en loop naar een picknicktafel.”

Het idee was gekomen uit een klassieker die hij op een doelloze avond uit de boekenkast op de zolderkamer had getrokken: On The Road van Jack Kerouac, lang geleden gekocht in de American Bookstore in Amsterdam, tijdens een weekendje weg met Marjon. Het was ineens zo logisch. Je kunt pas schrijven als je iets meemaakt waar je over kan schrijven.
De volgende ochtend fietste Henri naar Dirks autoverhuur, aan de rand van het dorp. Een knalgele Volkswagen Caddy was de enige die nog vrij was, maar dat deerde niet. Sterker nog, dacht Henri, dat zal een mooi detail zijn in het verhaal.

Standaard
Volkswagen Caddy

Rondjes

Maurice toeterde en dat was het sein voor Brammetje om naar buiten te komen. Elke eerste zaterdag van de maand opnieuw, precies om tien uur. Altijd speelde Maurice dan op zijn claxon de melodie van ‘Die zien we nooit meer.. te-rug’. Dat moest.
Brammetje wachtte dan in de gang, totdat Maurice het deuntje een bepaald aantal keer had laten horen. Maar Maurice toeterde niet vaak genoeg, dus was Brammetje ook niet naar buiten gegaan. Hij stond nog steeds in de gang. Ineens belde er iemand aan en Brammetje schrok zo erg dat hij de keuken in snelde, zoals hij zo vaak deed als onverwachts de bel ging. Hij spartelde. Hij gilde. Hij riep naar zijn moeder, die nog in bed lag, dat zij open moest doen. Maurice hoorde dat.
‘Brammetje? Ik ben het,’ zei hij door de brievenbus, die hij met zijn hand openhield.
‘Wie? Wie?’
‘Maurice.’
‘Hnnggh,’ zei Brammetje.
‘Hmm. We gaan golfen vandaag, weet je nog?’
‘Oh ja, oh ja.’
Brammetje deed de deur open. Daar stond Maurice, gekleed in een grijze pantalon. De contouren van zijn forse buik waren zichtbaar in een doorzichtig wit overhemd, om zijn schouders had hij een geruite sweater geknoopt. Maurice gaf de jongen een klein kusje op zijn wang. De combinatie van sigarenrook en eau de cologne vond Brammetje vies.
‘Is je moeder er niet?’
‘Jawel, jawel. Boven, boven.’
‘Moet je niet even zeggen dat we gaan?’
‘Ja, ja.’
Hij riep heel hard ‘doei, doei’ naar zijn moeder, waarna de man en de jongen een moeizaam kreunend geluid uit de slaapkamer hoorden komen. Ze gingen.

In de auto vroeg Maurice of Brammetje een snoepje wilde. Hij had altijd autodrop in de auto. Roze Cadillacs, dit keer. Maurice legde uit dat het grappig was dat hij juist die snoepjes had, omdat hij in een Volkswagen Caddy reed. Brammetje begreep het niet, maar dat was niet erg, volgens Maurice. Brammetje pakte een handje snoepjes aan, waarbij ze elkaar even raakten. Maurice aaide even over de rug van zijn hand, waarop Brammetje die van hem abrupt terugtrok. Hij legde de zeven snoepjes uit op zijn hand, zodat ze elkaar niet raakten. Hij legde er eentje weg.
‘Heb je weleens gegolfd, jongen?’ vroeg Maurice, terwijl hij wist van niet.

Maurice zelf daarentegen wel. Hij was een graag geziene gast op de club, maar dit was de eerste keer dat hij Brammetje meenam. Maar elke eerste zaterdag van de maand gingen ze iets leuks doen en de golfbaan leek hem een goede locatie voor Brammetje. Ze waren al een aantal keer naar het bos geweest, een keer naar de kinderboerderij en een keer gaan vissen. Maar meestal gingen ze iets actiefs doen. Maurice hield daarvan, lekker bewegen en zweten met die jongen. De vorige keer waren ze gaan zwemmen. Dat was Brammetje goed bevallen, bovendien Maurice had hem toen op een ijsje getrakteerd. Maar het was er wel erg druk geweest, wat niet zo goed uitkwam. Teveel indrukken. Nu had hij de golfbaan dan ook afgehuurd, zodat ze lekker alleen konden zijn. Een caddy hadden ze niet nodig, dat was alleen maar onhandig.
Onderweg telde Brammetje alle rode auto’s. Het moest een even aantal boven de tien worden, anders kon hij de auto niet uit. En dus reden ze een aantal rondjes in de Volkswagen Caddy door de woonwijk rondom het golfterrein. Maurice vond het ontzettend vermoeiend. Hij probeerde mee te helpen en soms speelde hij vals, maar het maakte toch niet uit. Brammetje moest ze zelf zien. Uiteindelijk had hij er genoeg verzameld en konden ze zich naar de baan begeven. Het ging aanvankelijk prima, maar na een aantal holes moest Brammetje plassen. Ze waren vrij ver van het clubhuis en Brammetje twijfelde om terug te lopen. Er waren nog drie holes en hij moest de ronde wel afmaken. Hij besloot te blijven en niks te zeggen. In plaats daarvan begon hij wat heen en weer te springen, en iets later steeds meer zijn benen bij elkaar te knijpen. Hij had buikpijn.
‘Wat is er?’
Brammetje zei niks.
‘Je hoeft je niet te schamen, hoor. We gaan wel de bosjes in. Er is hier niemand, lieverd,’ zei Maurice. Maar het was al te laat. Hij had het niet tegen kunnen houden en een natte plek ontstond rond zijn kruis.
‘Oh, jongen, toch. Dat is helemaal niet erg. Doe die broek maar uit, er is hier toch niemand.’ Huilend liet Brammetje zijn natte broek uittrekken. Hij begon te schreeuwen toen Maurice hem mee wilde nemen naar de auto. Ze moesten de ronde afmaken. Hij spartelde. Hij gilde. Hij riep om zijn moeder.

Op de terugweg zwegen ze allebei. Totdat Brammetje, toen ze voor de zesde keer de straat inreden, zei:
‘Kijk, Papa. Daar, de twaalfde. We kunnen stoppen.’
Maurice boog naar hem toe, en kuste hem boven op zijn hoofd.
‘Tot volgende maand, lieverd. Groetjes aan mama, hè?’

Standaard
Volkswagen Caddy

Horres en Van Dam in: De Dode Wodkaliefhebber

Voorzichtig opende Van Dam de achterklep van het zwartgeblakerde bestelbusje. Horres streek met z’n linkerhand over z’n pas getrimde, maar toch vol ogende baardje en typte met z’n rechterhand blind een berichtje naar z’n barbier.
Uit het laadruim viel eerst een verschroeide arm, en terwijl Van Dam de klep verder opende ook de rest van een lichaam, dat langzaam naar buiten schoof en op het asfalt belandde.
‘Problemen met je barbier, Horres?’ zei van Dam, die aan de houding van Horres kon zien waar die aan dacht.
‘Man, ik had ‘m gevraagd om een goatee, maar die amateur heeft er een balbo van gemaakt. Zo kan ik me toch niet vertonen op een plaats delict? Zelfs niet als het een of andere Pool betreft die gek werd van z’n klotebus en dat zelfmoordwaardig vond.’

Horres keek eens goed naar het lichaam dat op zijn voeten was beland.
‘Zelfmoord, Horres?’
‘Kijk dan! Een Volkswagen Caddy, een verschroeide afscheidsbrief op z’n borst – handig, als je jezelf verbrandt – en een dozijn kapotte flessen wodka. Lijkt me appeltje eitje. Wat doen we hier nog, vraag ik me af. Misschien dat we nog een flesje wodka vinden, maar dat is het dan wel.’

‘Ik vind trouwens dat die balbo je heel aardig staat. Klassiek, zou ik misschien zeggen. Mag ik dat zeggen?’
‘Ja, dat mag jij zeggen. Wat is er trouwens met jouw voornemen gebeurd, Van Dam? Op het laatste bedrijfsfeestje stond je nog te roepen dat je ook écht een baard ging nemen omdat alleen wijven geen baard hebben.’
‘Ach ja, moeder de vrouw hè, je kent het wel.’
‘Wijf.’
‘Ja.’
‘Maar goed, wat doen we hiermee, Van Dam? Opschrijven en afvoeren?’
‘Ik vond die wodka van je wel een goeie eigenlijk. Kijken we of we nog een flesje of wat kunnen vinden uit deze smeulende bende. Niet geschoten is altijd mis.’

Terwijl Van Dam de achterbak inklom voelde Horres zijn broekzak trillen. Hij trok het toestel eruit, las het bericht, voelde een spier in z’n wenkbrauw trillen en ragde een appje terug naar de kapper.
‘De brutaliteit, Van Dam!’
‘Huh?’ klonk er gedempt uit de hoop gesmolten staal.
‘De brutaliteit!’ schreeuwde Horres terug.
‘Wie is er brutaal?’ stak Van Dam zijn hoofd uit de achterklep, waardoor er een kratje krakend op het hoofd van het lijk viel.
‘Die barbier. Zegt dat ik zelf om een balbo had gevraagd. Gelul!’
Kwaad schopte Horres tegen het dichtstbijzijnde object. Het hoofd vloog weg en belandde in het gras onder een picknicktafeltje.
‘Maak je niet zo druk,’ zei Van Dam, ‘kijk!’
Van Dam hield een fles vast die weliswaar volkomen zwartgeblakerd was, maar in tact.

Terwijl ze samen naar het picknicktafeltje liepen, blies Van Dam wat roet van de hals, opende de fles en goot een scheut wodka naar achteren. Horres ging zitten, met z’n ene voet op het hoofd en de andere in het gras, trok de fles uit de handen van Van Dam en klokte een paar slokken weg.
‘Misschien moet onze barbier maar een ongeluk krijgen.’

Lees de eerdere avonturen van Horres en Van Dam:
– Vuile Spelletjes
Het Regent
Met Voorbedachten Rade
Het Witte Goud

Standaard
Volkswagen Caddy

Volkswagen Cliché

Stukjes hamburger vielen uit zijn mond op zijn jas toen hij hardop vloekte. ‘Verdomme!’
Midden in de nacht, op parkeerplaats Tolnegen. Geen mens in de verre omtrek en zijn auto had nog minder leven in zich dan zijn vrouw in bed. Die kutbak gaf de hele week al problemen.

Hij veegde het vette vlees van zich af en opende de motorkap. Er kwam een auto aan. Dat moest een Mercedes zijn. Die vorm en kleur van de koplampen… kon niet missen: nieuwe serie A-Klasse.
‘Natuurlijk, ook nog overvallen worden’, mompelde hij.
Hij wilde vluchten, maar zijn dikke lijf zou hem vast niet snel genoeg kunnen dragen. Bovendien moest hij dan een halve hamburger weggooien. Dat nooit. Hij zou zich niet verzetten. Loser.
Hij wiebelde ongemakkelijk op en neer toen het geblindeerde raampje omlaag schoof.
‘Problemen met je brandstofinjectie?’
Van verbazing liet Gert zijn laatste stuk burger op de grond vallen. ‘Wat zegt u?’, stamelde hij.
‘Of je problemen met je brandstofinjectie hebt. Daar hebben die benzineversies van de Caddy wel vaker last van.’
Zijn mond viel open toen ze uitstapte en zei dat ze er wel even naar zou kijken.

Ze droeg een lichtgrijs mantelpakje. Haar hakken maakten haar benen ellenlang. Heupwiegend liep ze naar de motorkap en beval hem de auto te starten. ‘Waarschijnlijk hoef je alleen een zekering te vervangen, maar ik zal even kijken naar zijn flow.’ Haar wiegende heupen wonden Gert op. Hij dacht dat hij zelfs een beetje kwijlde. Flow, dacht hij. Ik zal jou wat flow geven.
Ze knipoogde en bukte over de motorruimte. Haar achterwerk stak hoog in de lucht. Gert stond aan de grond genageld. In gedachten stroopte hij dat rokje omhoog, rukte haar slipje aan de kant en…
‘Ja, hij kan!’, riep ze. Hij keek nog eens naar haar billen, gromde binnensmonds en wurmde zijn dikke pens toen weer achter het stuur. De motor begon te sputteren toen hij het sleuteltje omdraaide.
Dit teken van leven was vergelijkbaar met dat van zijn vrouw in bed.

Onder de motorkap door spiedde hij naar de schoonheid. Straaltjes vloeistof uit zijn motor spoten op haar mantelpakje. ‘Stop maar’, riep ze. ‘Duidelijk je pomp. De polen zijn ook gecorrodeerd, dus je moet hem laten uitlezen.’
Hij stapte moeizaam uit en wees naar de vlekken benzine op haar jasje. ‘Uw bor… eh.. Uw jasje.’
Ze hoorde hem niet, veegde een zwarte hand af aan haar rokje en praatte verder. ‘Ik kan je zekeringcontacten nalopen, want de 12, 29, en 34 zijn vaak het probleem bij die Caddy’s. Of ik kan de 15 overbruggen, zodat je in ieder geval door kunt.’
Gert voelde een steek in zijn onderbuik. ‘Door kunnen’ associeerde hij met ‘doorgaan’. ‘Ga door!’, hoorde hij haar in gedachten hijgen.

‘Heb je een paperclip?’, vroeg ze in plaats daarvan. ‘Een paperclip?’, stamelde Gert.
‘Laat maar, Ik heb al iets.’ Ze draaide zich om, schoof haar rokje omhoog en maakte een beugeltje van haar jarretel los. Gert slikte. Met een felle ruk trok ze de beugel uit haar jarretel. Ze ging naast het portier zitten en trok de zekeringkast open.
Gert was blij verrast toen ze achterover onder het stuur schoof. Ze ging wat verliggen en begon met het beugeltje in de zekeringkast te wroeten. Zijn priemende ogen volgden de randen van haar slipje. Zijn hand schoof in zijn broek en hij begon ruw te wrijven. Na een minuutje – te vroeg!! – kwam ze overeind en ging op de stoel zitten. Hij trok zijn hand uit zijn broek en baalde dat het niet iétsje langer had geduurd. De auto startte nu zonder problemen en liet qua levenslust zijn vrouw ver achter zich.
Ze stapte uit en glimlachte triomfantelijk. ‘Niet te lang mee doorrijden, meteen naar de garage morgen!’
Even snel als ze was gekomen, was ze ook weer weg.
Hij keek verbouwereerd naar de verdwijnende achterlichten en murmelde: ‘Ja. A-Klasse.’

Standaard