Dwergwerpen

Dino Midgets

Een GI Joe, neppistolen, een legerfoutfit en goede boomklimschoenen. Ik was als klein meisje niet heel charmant. Mijn Malibu Barbie gebruikte ik als schietvoer tijdens oorlogje, of eigenlijk alle spelletjes waar een compleet inwisselbaar persoon als eerste moest sterven om de rest te redden. De rest, dat waren mijn speelgoed dino’s. Ik hield een schriftje bij, waar elke dino één pagina kreeg. Op die pagina stond wanneer de dino had geleefd, hoe groot hij was, of hij van bomen of andere dino’s hield en waar ze geleefd hadden. Bij elke pagina maakte ik zelf een tekening. Dat mislukte zo vaak dat ik nog steeds dertig halfvolle dinoboekjes in de kast heb liggen. Van mijn zakgeld kocht ik boeken over de prehistorie en paleontologie. Ik ging later namelijk paleontoloog worden. Dat werd met de komst van Jurassic Park alleen nog maar heftiger. Nu wilde ik paleontoloog worden én met Dr. Alan Grant trouwen. Die blonde zeiktrut die alleen maar kon miepen over baby’s, zelfs tijdens een aanval van een Tyrannosaurus rex, moest ie maar dumpen.

Samen zouden we in matchende kakiblouse en hoed de aarde afspeuren – onze handen droog en kapot door de aarde en zon – naar de restanten van de machtigste beesten die ooit hebben geleefd. We zouden leven op water en adrenaline, Dr. Grant en ik. Samen knus in een tentje in de woestijn terwijl onze baby – het skelet van een nog nooit eerder gevonden, veel grotere versie van een Velociraptor – buiten onder een dekentje waakt.
Twintig jaar later is mijn enige herinnering aan mijn obsessie, de T. rex action doll bovenop de servieskast en mijn Jurassic Park stickerboek (met helaas nog wat ontbrekende plaatjes).

Maar zoals ieder kind met dromen en vreemde toekomstbeelden werd ik volwassen en leerde ik:
1. Als paleontoloog vind je niet iedere week een compleet dino-skelet;
2. De kans is groot dat je hele dagen met een verfkwast van de gamma in een slakkentempo zand van de ene naar de andere kant aan het vegen bent;
3.Het hoogtepunt van de maand is als je op het fossiel van de naakte molrat stuit.

Dus ging ik maar journalistiek studeren. Zelfs trouwen met Dr. Alan Grant is niet gelukt, niet eens met een afgezwakte variant van Alan. Oftewel; een willekeurige paleontoloog. Want laten we eerlijk zijn; die mensen zijn fucking saai. In plaats van een kamer vol kaki bloesjes, een foto van Dr. Grant, bergschoenen, dinozoekerhoeden en beitels en kwasten heb ik nu een schoenenkamer.
Ik heb een beetje de balans gevonden. Zo moest en zou ik met witte haaien duiken. Omdat die verschrikkelijke beesten me doen denken aan dinosauriërs. Het is eigenlijk gewoon een uit de kluiten gewassen vis met grote tanden, zoals de dino een wat grote kameleon met bloeddorst is.

Een vrouwelijk meisje zal ik nooit worden. De schoenen in mijn schoenenkamer zitten vol stof, omdat ik eigenlijk alleen de goedkope platte laarsjes draag en stiekem zal ik altijd blijven dromen van een leven waarbij het vinden van een dijbeen dat 80 miljoen jaar oud is, het hoogtepunt van het jaar is.
Nog steeds gaat mijn dinohart sneller kloppen als er nieuwe vondsten worden gedaan. Een paar weken geleden, sprong mijn hart zelfs drie keer over. Er werd een heuse nieuwe dinosauriër ontdekt, de grootste die ooit in Europa heeft gewandeld. Hij wordt de dwergversie van de grote Tyrannosaurus rex genoemd.

Wacht. Dwergversie? In mijn hoofd zie ik een T. rex, die er al belachelijk uitziet met die korte voorpootjes van ‘m, maar dan met een buitenproportioneel grote kop, dikke billen en extreem korte achterbeentjes, waardoor hij zijn poten in grote bogen naar voren moet bewegen om nog enigszins vooruit te komen. Een soort shetlandpony onder de dinosauriërs. Dan krijgt dwergwerpen ineens een heel andere benadering. Maar goed, een soort van T-Rex hier in Europa!
Dr Grant. Lieve Alan, we kunnen de verloren tijd nog inhalen. Zullen we?

Door: Lotje Donkers

Standaard
Dwergwerpen

Hoogmoed komt voor de val

Welkom bij een nieuwe aflevering van Andere tijden, andere sporten. We staan vanavond stil bij het wonderlijke verhaal van Tommie Samuels. Eens was Tommie een gevierd sportman waar heel Nederland trots op was. Nog niet eens zo lang geleden was hij als officiële wedstrijddwerg de eerste en enige Nederlander die een WK finale speelde. Even was het de populairste sport van Nederland, maar toen ging het gruwelijk mis. Dit is het wonderlijke verhaal van Tommie Samuels.

“Ik ben begonnen zoals iedereen begint: bij de junioren. Ik woonde destijds in Amstelveen, nog bij mijn ouders in een klein arbeidershuisje. Elke dag was ik op de club te vinden, werkend aan mijn valtechniek. Daar begon ook de samenwerking met Sander de Beer, een geweldige werper, die later ook nog naam heeft gemaakt in het honkbal. Samen wonnen we bijna elk jeugdtoernooi in Nederland. Het was een mooie tijd, ik heb er veel aan te danken. Ik heb er zelfs mijn eerste vrouw ontmoet, Greetje. We raakte tijdens het warmgooien aan de praat, het klikte en even later lagen we naast elkaar. Ik geloof bij de twaalf meter lijn. Het waaide hard die dag, ik weet het nog goed.”

“Samen met Sander maakte ik de stap naar de senioren en al gauw volgende ons eerste succes daar op het Europees Kampioenschap in Thialf. Het was in de tijd toen dwergwerpen nog in de pauze van het schaatsen werd gehouden. Je kunt het je nu haast niet meer voorstellen. Kijk, dit is een foto van mij en Rintje Ritsma. Ik sta linksonder.
Maar goed, je kunt wel zeggen dat Sander en ik dankzij onze successen de sport op de kaart hebben gezet in Nederland. De ledenaantallen liepen toe, mensen gingen met vrienden thuis op zolder werpen en wij werden bekende Nederlanders. Het was een mooie tijd, want eindelijk kon ik uitleggen dat dwergwerpen niet zomaar een spelletje is. Want dat dacht men toen, hè. Dat het een spelletje was dat je speelde in de kroeg, met een paar biertjes op. Maar dat is het dus niet. Het komt allemaal neer op techniek en tactiek. De juiste snelheid, het inschatten van de luchtweerstand en het tijdens je daling inschatten van de beste valhoek. Daarom heet de sport ook dwergwerpen en niet dwergslingeren of dwergsmijten. Techniek is zo belangrijk, meneer.”

“Het ging mis na het WK van 1997 in Zweden. Ik was als eerste Nederlander de officiële wedstrijddwerg, wat inhield dat ik mocht spelen in de finale. Een ongelofelijke eer. Die dag staat me nog zo helder voor de geest. Er zat ruim 50.000 man in dat stadion en Angor Anjenson gooide me in die finale 28,3 meter weg. Ik wist in de lucht al dat dit een nieuw wereldrecord zou worden. Zoiets voel je meteen.
Daarna brak de spreekwoordelijke pleuris uit in Nederland. Ik werd op Schiphol onthaald als een held. “Le Petit Prince,” kopte de Telegraaf en die gebruiken echt nooit een Frans woord, dus moet je nagaan hoe speciaal dat was. Het was het startsein voor de commerciële honden. Ineens was dwergwerpen dé sport van Nederland. Een grote chipsfabrikant gaf Dwergies weg in hun zakken, Roel van Velzen werd ineens gezien als een muzikaal genie en ik heb zelfs een middag lang Mens Dwerg Je Niet spellen moeten signeren. En eerlijk is eerlijk, even is het mooi om op zo’n hoogte te zitten. Het is een heerlijk gevoel als mensen tegen je opkijken. Je wordt verblind door het succes en de adoratie en je raakt verslaafd aan het op grote voet leven.”

“Uiteindelijk hebben we de sport zelf de grond ingedrukt. Het publiek keerde massaal tegen ons toen we met SBS6 in zee gingen voor het programma Sterren Werpen. Roel van Velzen met een cape om en een valhempje op kon men nog hebben, maar de spreekwoordelijke druppel was het duo Patricia Paay en Gordon. Eeuwig zonde dat we het ooit zo ver hebben laten komen. Het was ooit zo’n nobele sport en om dan na jaren van hard werken Gordon in zo’n klein glitterpakje te zien… We kwamen van zover…
Sorry jongens, kunnen we even stoppen met draaien? Het is me… Ik kan het nog steeds niet geloven… Ongelooflijk…”

Dit was Andere tijden, andere Sporten van deze week met het wonderlijke en aangrijpende verhaal van Tommie Samuels, voorheen Dwerg des Vaderlands. Volgende week zijn we er weer en dan duiken we in de vergeten sport onderwaterbasketbal. Bedankt voor het kijken en nu terug naar onze tijd.

Standaard
Dwergwerpen

Verlos

Peter en Marieke zitten samen op de bank, zoals eigenlijk altijd. Zij met een kop kamillethee, hij met bier. Hij zapt wat, zonder echt te kijken.
‘We moeten het er toch een keer over hebben, Peter.’
Hij zegt niks. Hij zapt nog een keer. Een naakte vrouw loopt over een strand richting een evenzo naakte man. Zij zegt iets over zijn ‘geval’.
Hij zucht en staat op.
‘Peet..’
Hij loopt naar de keuken om nog een biertje te pakken.
Ze hebben het er al zo vaak over gehad. Meestal loopt hij dan voordat er een besluit is genomen weg. Naar zolder, naar zijn treintjes. Of heel af en toe naar de kroeg.
Nu komt hij terug de kamer in en dat is al heel wat. Hij pakt de afstandbediening en wisselt van kanaal. Het programma Oeps! Een Zesling, op Net 5.

‘We moeten nu wel ongeveer een keuze gaan maken.’ Ze blijft geduldig, ze heeft in dit geval begrip voor zijn positie. Maar ze zit er wel al negen weken mee in haar maag.

Peter zapt verder. Hij komt langs Eurosport, waarop de halve finale van het Europees kampioenschap dwergwerpen aan de gang is. Het liefst wil hij geen keuze maken. Hij wil er überhaupt niet over nadenken. Maar als hij echt moet kiezen, uit alle en dus ook de niet reële opties, dan zou hij dat misbaksel met een geïnfecteerde barbecuetang of de hete pook van een open haard uit haar trekken en het zo hard mogelijk wegslingeren, zoals bij het dwergwerpen. Tegen een muur. Of in een cementmolen, van grote afstand. En dan juichen, precies zoals die immens grote Fin net op de televisie. Maar dat zegt hij natuurlijk niet.
Hij neemt het haar kwalijk, maar niet zó kwalijk. Ergens snapt hij het wel, maar er zijn andere opties geweest. Betere opties. Adopties, bijvoorbeeld. Echt loslaten kan hij het dus niet.

‘Het is nu of nooit, Peet.’
‘Hoe kan ik het kind van een ander opvoeden alsof het van mij is?’
Het verbaast haar dat hij weer eens reageert.
‘Dat is bij een geadopteerd kind toch ook zo? Ik zie het probleem niet. Jij wil toch ook een kind?’
‘Ja, maar jij liet je door een ander neuken. Dat is bij een geadopteerd kind toch niet zo?’
‘Gaan we dit echt weer doen, ja?’
Peter wacht even voordat hij antwoord geeft.
‘Ik ben voorlopig op zolder.’
Hij loopt weg, de trap op. Maar dit keer komt ze achter hem aan. Ze trekt hem aan zijn arm en hij blijft staan, halverwege de trap. Ze gaan terug.
Hij beseft dat niks hetzelfde blijft, in geen enkel scenario. Alles zal anders worden. Hoe dan ook. Het maakt hem razend, ook omdat hij weet wat hij moet doen. Hij loopt naar de keuken, pakt de stapel goede borden en smijt ze op de grond kapot.
Ze schreeuwt, maar het dringt nauwelijks meer tot hem door. Hij hoort haar ratelen over huwelijkscadeaus en familie. Over trots. Ze noemt hem infertiel, of infantiel. Hij weet het niet. Het maakt ook niet uit, hij is het allebei.
Tijdens haar tirade wordt het hem nog duidelijker. Hij wil haar niet kwijt, maar hij wil het echt niet. Hoe erg hij haar het ook gunt. Hij zou er niet mee kunnen leven. En hij gaat het nu eindelijk zeggen.
‘Ik wil dat je het weghaalt of dat je weggaat.’
Terwijl Marieke de trap oploopt om haar koffer van zolder te halen, zit Peter weer op de bank. Hij ziet nog net hoe Finland in de laatste minuut van de verlenging de winnende dwerg werpt en daarmee de finale bereikt.

Standaard
Dwergwerpen

Ondergang van een sterke man

Exact dertien jaar geleden werd Rudi officieel de sterkste man van Nederland. In een zinderende finale versloeg hij Marco Meijer, De Twentse Beer, met 8-7. Het vijftiende en laatste onderdeel dwergwerpen was nooit helemaal zijn ding geweest, maar op die mooie middag in april lukte alles. Met een ongehoorde uithaal smeet hij zijn laatste dwerg net voorbij die van Marco. Het publiek werd wild, Rudi ging los. Hij was de sterkste man van Nederland, hij werd een ster.

Exact twaalf jaar geleden was Rudi sterkste man van Nederland af. Bij een 7-7 stand was het tijd voor het dwergwerpen. Rudi kreeg zijn drie dwergen niet eens voorbij de opwarmdwerg van Marco.

Drie maanden daarna zette Bisonkit de sponsoring stop. Ze zeiden tegen Rudi dat de door hem uitgesproken slogan “Zo sterk, dat krijg ík zelfs niet los” zijn tijd had gehad. Nu hij z’n titel had verloren was hij ook z’n geloofwaardigheid kwijt. Iedereen kon wel zeggen dat hij Bisonkit niet loskreeg, maar dan was de lol er gauw af, dat begreep Rudi toch vast ook wel. In augustus van dat jaar zag Rudi een poster van Marco naast een badkamerwandje en de tekst ‘Nieuwe Bisonkit Power – nu nog sterker!’

Ook de verkoop van z’n biografie Razende Rudi viel tegen. Al was dat volgens de uitgever volledig te wijten aan de matige recensie in het NRC (** “Eigenlijk is alleen het eerste hoofdstuk waarin Rudi opgroeit de moeite waard.”) en Rudi’s eigen teleurstellende optreden bij RTL Boulevard, waar hij in de studio de dwerg nog geen twee meter ver wist te werpen. Rudi vond dat hij die situatie met het excuus dat de studiolichten hem verblindden nog prima had gered, en dat was de uitgever wel met hem eens, maar z’n boek ging er helaas niet beter van verkopen. Marco’s biografie, Twentse Dommekracht, ging als een speer, waarop hij werd uitgenodigd bij DWDD en een dwerg de studio uitsmeet.

En zoals dat zo vaak gaat met grote sportsterren, raakte ook bij Rudi het geld na een tijdje op. Na maanden vergeefs aankloppen bij diverse instanties, bedrijven, verre vrienden en zelfs het Leger des Heils, belandde Rudi uiteindelijk als uitsmijter bij café Het Knippertje. Van dinsdag tot zaterdag stond hij bij de deur en controleerde identiteitsbewijzen, liet oogluikend blonde meisjes van 15 toe en weigerde allochtone jongens, hoe oud ze ook waren.

Toen op een dag een redacteur van SBS 6 belde met de vraag of hij wilde meewerken aan een nieuwe Sterren Springen, hoefde Rudi niet lang na te denken. Twee weken later stond hij in de studio. Hij werd geschminkt, kreeg een glanzend, strak pakje aan en een beetje zwarte haarspray om z’n kalende hoofd wat te camoufleren. Pas toen zag hij De Twentse Beer. Hij liep voorbij in hetzelfde pak als Rudi. Op z’n rug stond groot ‘Sterren Werpen’. Rudi draaide z’n hoofd in een poging om z’n eigen rug te zien en zag even verderop een in cape en helm gehulde Roel van Velzen.

Standaard
Dwergwerpen

Onderbuikgevoel

Tataa!’, kraait de kleine Siem terwijl hij vanuit zijn box naar me op kijkt. Ik voel schokjes in mijn onderbuik en probeer mijn eierstokken in gedachten tot kalmte te manen. ‘Rustig maar meisjes, jullie komen snel aan de beurt’, is mijn mantra. Ik ben twee maanden geleden gestopt met de pil. Volgens mijn cyclus zou ik vandaag ongesteld moeten worden, maar ik merk nog niets. Gelukkig.

‘Wat een prachtzoon heb je’, zegt Janneke tegen Babette. ‘Maar we missen je wel op kantoor hoor.’
Babette straalt. ‘Het is bijna niet voor te stellen hoeveel ik van hem geniet. Het is zo’n lekker ding. Hij huilt bijna nooit en doet het hartstikke goed.’ Ze schenkt thee in. Ik smelt nogmaals als ik naar de baby kijk, spreek mijn eierstokken weer streng toe en ga dan tegenover mijn collega’s zitten.
Het is Babettes eerste. Janneke heeft er al twee, een jongen en een meisje. Ik ben nog kinderloos. ‘Hoe was de bevalling?’, is Jannekes eerste vraag.
Mijn kop thee blijft ergens voor mijn lippen hangen. ‘Ah, gezellig. Bevallingsverhalen’, mompel ik en ik neem een slok.
Babette laat zich door mijn gemurmel niet weerhouden. ‘Het was ver-schrik-ke-lijk’, brandt ze los. ‘Het duurde eeuwen en er leek geen eind te komen aan die persweeën. Tot ik werd ingeknipt. Toen was het zo gepiept.’
De rest hoor ik niet meer. Ik ben een beelddenker, helaas. Bij de combinatie ‘knippen’ en ‘vagina’ springt mijn visuele vermogen aan. Hoezeer ik me er ook tegen verzet.
Ik zie mijn eigen persende doos voor me. Hier en daar zwerft een verdwaald haartje – Ik ben een optimistische beelddenker – en het is meer dan duidelijk dat er een baby uit gaat komen. Dan zie ik vanuit mijn ooghoek Rob Verlinden de verloskamer instappen met de grootste heggenschaar die ik ooit gezien heb. ‘Zo mevrouwtje, het gaat niet zo gemakkelijk hè, daar gaan we even iets aan doen’, zegt hij terwijl hij met de schaar een paar keer dreigend een knipbeweging maakt.

Ik schud mijn hoofd om mijn gedachten weg te drukken en neem nog een slok thee. Mijn collega’s zitten druk te kletsen. Ik besef dat ik de helft gemist heb als het woord totaalruptuur valt. ‘Totaalruptuur? Wat is dat ook alweer?’, vraag ik in een vlaag van verstandsverbijstering. Meteen kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan als ergens in mijn achterhoofd een deurtje opengaat met het woordje ‘totaalruptuur’. Ik wéét wat het is. Dat wil ik nog zeggen, maar ik ben te laat. Janneke begint te vertellen: ‘Och meid, ik scheurde volledig uit, tot mijn anus aan toe. En een blóed dat daar bij kwam kijken. Ongelofelijk. Ik wist niet dat een mens zoveel bloed had. Ik heb een paar zakken bijgekregen.’ Ze vertelt dat haar man de standaardgrap over het extra hechtinkje maakte, zodat ze weer net zo strak zou zijn als vroeger. ‘Ik kon hem wel wúrgen. Vooral toen hij er aan toevoegde dat ik ‘toch maar mooi een schattig klein dwergje had geworpen’.’ Ik word misselijk.

Vlak voor we opstaan om naar huis te gaan, voel ik hoe zich in mijn onderbuik een kleine oorlog begint te ontketenen. Menstruatiepijn. Gelukkig.

Standaard