De Waddenzee

Waterkou

Hij had schulden, had ze haar moeder aan de telefoon horen zeggen. Ze was vast gek geworden. Laatst las ze ergens dat een vrouw na een tropische vakantie larven in haar oor had. De beesten waren langzaam bezig haar hersenen aan te vreten en deden zich tegoed aan haar denkvermogen. Zoiets was ook bij haar moeder gebeurd, dus werd ze gek. Gek van de larven, want papa had geen schulden. Nooit. Dat bewezen de cadeaus die ze van hem kreeg, de zomerse vakanties, de stomme, maar dure regenlaarsjes met bloemmotief. Ze schopte tegen een steentje dat twee keer over het water ketste voor het onder de golven verdween. Haar handen knepen samen tot ze wit werden en de kou haar vingers verkrampte. Hij had in zijn testament gezet dat hij verbrand wilde worden. Haar moeder maakte daar ‘verbrand en uitgestrooid op een koud eiland’ van. Waarom kon hij er niet inzetten dat hij het mooier vond als zijn as in het witte zand van de Caraïbische zee zou liggen? Kon hij tenminste nog naar mooie vissen kijken.

De rubberen zolen van haar laarsjes raakten het water. Haar moeder zei dat het water koud was omdat de wind de verkeerde kant op stond. Ze geloofde het niet. Hoe kan de wind verkeerd staan? Golven rolden het strand op, de schuimende koppen staken er als kronen bovenuit. Zodra het schuim het zand raakte, spatte het uiteen als honderden zeepbellen die werden doorgeprikt door een scherpe vingernagel. Ze keek achterom naar haar moeder, die op het strand stond. Haar haren waaiden naar rechts, net als het helmgras op de duinen. ‘Kom je?’ Haar moeder zei niets en nam een trek van de sigaret die ze tussen twee vingers geklemd hield. Ze liep verder, de golven in. De ronde pot in haar handen was grijs. Net zo grijs als de lucht. Als het ging regenen zou ze haar vader niet eens in het water zien verdwijnen. Misschien zou de wind hem optillen en naar de verkeerde kant waaien, in de richting van haar moeder. Ze glimlachte. Ze zou de sigaret in het zand laten vallen, gillen misschien. Haar laarzen lieten onregelmatige afdrukken achter in het zand die meteen door het zoute water werden weggespoeld. ‘Liefje.’ De stem van haar moeder klonk hees, alsof ze er niet echt was. Misschien was ze er ook niet, was het de wind die haar de woorden toefluisterde.

Terwijl ze de eerste druppel op haar hand voelde en er donkergrijze vlekjes op de urn verschenen, hoorde ze haar moeder roepen. ‘Het regent, we gaan.’ Ze kon haar bijna niet verstaan. Misschien bedoelde ze dat met de wind die de verkeerde kant op stond. Ze veegde een verdwaalde lok uit haar gezicht en keek naar beneden. Het water kwam nu tot haar knieën. Ze moest hem erin gooien. ‘Pap,’ fluisterde ze. ‘Ik zou willen zeggen dat je hier bent op een mooie plek die ik voor je heb uitgekozen. Een plek die bij je past. Maar dan lieg ik, want je bent hier omdat deze stomme zee vijf jaar UNESCO Werelderfgoed is. Korting op de overnachting, hè?’ Haar lippen vervormden tot een wrang lachje. Ze wilde meer zeggen. Iets inhoudelijks, iets waar ze later aan terug kon denken. Maar er kwam niks, dus schepte ze de zwarte as in haar handen en gooide het in de zee. De waas van regendruppels voorkwam dat ze zag waar ze neervielen. ‘Dag, pap.’

Het water voelde bijna koud.

Door: Rosalinde Markus

Standaard
De Waddenzee

Modderfiguur

Het was niet de eerste keer Texel voor Walter. Twee jaar geleden was hij er met zijn vorige vriendin en haar ouders geweest voor het veel te belangrijk gemaakte Weekendje Wadlopen, zoals het in meerdere agenda’s had gestaan.

Het was bedoeld om hem beter te leren kennen. Grijnzend had hij na de eerste stap gezegd: Zo, en nu aan de alcohol. Hij wist niet precies waarom, dat soort opmerkingen maakte hij doorgaans nooit. Grijnzen was eigenlijk ook niet zo slim, dan moest er weer gedept worden.
Hij mocht natuurlijk geen alcohol, dat was de grap. Maar de drie lachten niet, voor hen was wadlopen kennelijk een serieuze aangelegenheid. Dus banjerde Walter urenlang door het slijk, naast zijn toenmalige vriendin en achter zijn schoonouders, net dichtbij genoeg om hun gesprek te kunnen horen.
‘Moet ze wel met zo’n jongen in zee gaan?’ hoorde hij haar moeder zeggen.
‘In zee gaan. Leuk, Petra. Maar ik snap wat je bedoelt. Het blijft toch een… je weet wel.’
Vlak daarna was Walter uitgegleden en voorover gevallen. Het weekend werd omgedoopt tot Middagje Modderhappen en diezelfde middag nog had hij er een punt achter gezet. Zonder iets te zeggen had hij de bus naar de boot gepakt en eenmaal in Den Helder had hij tot diep in de nacht ontgoocheld rondgedwaald.

En nu stond Walter er weer. Aan het eind van het duinpad, maar het begin van het strand. Hij wachtte even of er eenzelfde gevoel terugkwam. Maar, nee. Hij was niet bang, maar hij vond het ook niet vervelend dat er deze keer geen ouders bij waren. De hele afdeling was wel mee, maar toch voelde het voor hem als een liefdesuitje. Hij kende haar pas drie maanden, maar hij wist dat het goed zat. Dat merkte hij aan alles.
Walter vond het jammer dat Erwin, zijn beste vriend van de woongroep, niet meekon. Maar als je niet kan lopen, kan je ook niet wadlopen. Zo simpel was het, vond hij.
Als Erwin hem vroeg hoe het ging, begon hij over de leuke kleine dingen. Want dat is waar je het altijd aan merkt, wist hij. En dan vertelde hij over zijn verjaardag en het briefje op de gemeenschappelijke koelkast, waarop stond: ‘Sorry, Walter. Ik weet niet zo goed hoe lang je taart kan bewaren, dus ik heb hem opgegeten. Liefs, Juf Lotte.’
Of hij begon over die ene keer dat ze niet door had dat ze een likje jam op haar gezicht had, en hij die had weggehaald met zijn zakdoek. Die had hij vervolgens onder zijn kussen bewaard. Af en toe haalde hij hem tevoorschijn en rook hij eraan, vlak nadat de lichten uit werden gedaan. En in het muziekuurtje op woensdagmiddag vroeg Walter altijd of het nummer Halo van Beyonce gedraaid mocht worden, want hij had haar horen zeggen dat het haar lievelingslied was. Zelf kon hij niet zo goed Engels, hij sprak de titel altijd uit als Hello, maar hij vond het wel heel mooi.
Daar stond ze, bij de waterkant. Ze bevond zich nog net op een droog stuk en stond koppen te tellen. Ze had een kort spijkerbroekje en een windjack aan en liep op oude gympen. Door het aanzien van haar strakke, blote kuiten was Walter zijn emoties niet langer de baas en rende hij in giechelende draf over het strand. Hij ging recht op haar af. In al zijn enthousiasme schoot hij voorbij aan het feit dat het vrij glad was op het wad. Hij kon niet meer remmen en vloog samen met haar het donkere modderwad in.
‘Walter! Wat ben je voor stomme m…’ Ze slikte nog net het laatste woord in.
Walter stond met zijn mond vol tanden en modder. Hij keek naar de overkant van het strand, naar het begin van het duinpad, en zette het op een lopen.

Standaard
De Waddenzee

Zij is de Waddenzee

Zonlicht schittert op de golven, regen spat uiteen op de asgrauwe hellingen. Boeilampen knipperen aan de horizon, witte wazen van vuurtorens ertussen. Lucht en water in grijs en grijzer grijs, lucht en water in felblauw en donkerblauw. Lucht en water als een eeuwig schilderdoek, altijd anders, altijd mooier dan daarnet.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo prachtig als de Waddenzee.

In de stinkende klei knippen krabben pieren doormidden. Oesters met zeepokken, krabben met zeepokken, stenen met zeepokken. Honderd meeuwen schijten duizend witte vlekken op het strand. Groene drab tussen je tenen, zwarte klei blijft plakken aan je hielen. Het leven klampt zich aan je vast.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo vuil als de Waddenzee.

Vijftig zeehonden, samen bradend op een zandbank, een eenenvijftigste komt erbij. Tientallen plezierjachten, veerboten, viskotters en klippers manoeuvreren langs elkaar. Ontelbare meeuwen schreeuwen verwensingen naar elkaar in de strijd om toeristenvoer. Krabben zetten hun klemmen in het aas van knulletjes van acht, die kirrend hun buit omhooghalen. Op een bankje wordt geknuffeld.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo behaaglijk als de Waddenzee.

Elke zes uur anders. Zandbanken zijn waar ze net niet waren en zeehonden zoeken vergeefs naar hun oude stek. Eilanden verschuiven en schepen vergaan. Spiegelglad, bijna zacht bij mooi weer. Stampend, beukend, rollend in een storm.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Geen zee zo veranderlijk als de Waddenzee.

Zand in het haar, golvend in de wind. Haar ogen blauw, een zwarte veeg op de linkerwang. Moe en hongerig, lief en dromerig. Ze ruikt naar het land, naar Andrelon, naar zichzelf. Ze kust, ze bijt.

Soms blauw, dan weer bruin, zwart en later groen.
Zij is de Waddenzee.
Zij betovert.

Standaard
De Waddenzee

Zoals je een oude vriend kan missen

Ze hadden een huisje gehuurd op het eiland zodat hij in alle rust zijn roman kon afronden. Op haar verzoek zaten ze ook deze keer weer dicht bij het strand, want de zee, zo had ze vaak gezegd in Amsterdam, die moest ze kunnen voelen.
Grote delen van haar jeugd had ze doorgebracht op het Waddeneiland. Bijna elke schoolvakantie stapte het gezin op de veerboot. Het liefst had ze dan ook een tent opgezet op de camping waar ze alles en iedereen kende, maar hij was zo’n moderne schrijver die papier enkel voor aantekeningen gebruikte en pas echt kon schrijven op een MacBook, gezeten achter een stevige, bij voorkeur eiken houten tafel. Jammer vond hij dat wel, het romantische beeld van hun tweeën en een volgeschreven kladblok in een tent terwijl de regen op het doek boven hun kletterde, gaf hem een warm gevoel.
Maar hij was nu eenmaal een laptopschrijver. O wrede, zielloze technologie.

Deze ochtend was hij begonnen met een kop koffie. Ze had hem gekust en was vertrokken naar het strand voor een wandeling. Rond twaalf uur zou hij haar kant op komen om daarna samen ergens in het dorpje te lunchen.

Gisternacht had hij in bed vertelt dat hij eindelijk een idee had hoe de roman zou moeten aflopen en in dat opzicht was de reis naar het eiland nu al vruchtbaar te noemen. In Amsterdam had hij vast gezeten in het verhaal. Er waren al negen dagen voorbij gegaan zonder schot in de zaak en de naderende deadline maakte hem steeds zenuwachtiger. Nogmaals om uitstel vragen bij de uitgeverij was geen optie en hij had inmiddels wel alles geprobeerd, van liters kruidenthee tot aan wortels knauwen met klassieke muziek op de achtergrond.
‘Laten we van het weekend naar ’t eiland gaan,’ had hij gezegd toen ze thuiskwam van het werk.
‘Is het weer zover?’ vroeg ze lachend en die avond nog belde ze met haar baas voor een vrije maandag zodat ze een mooi, lang weekend voor de boeg hadden.
Al op de boot begon de ontknoping van het plot in z’n hoofd vorm te krijgen. De zeelucht stelde hem nooit teleur wat dat betreft. Zwijgend stonden ze te kijken over de reling en zo nu en dan wees ze hem een zeehond aan. Hij knikte en dacht dan weer verder aan de hoofdpersonen van zijn roman die na twee jaar schrijven steeds meer begonnen te lijken op oude vrienden die misbruik maakten van zijn eens zo enthousiaste gastvrijheid.
Die avond, nadat ze het huisje bewoonbaar hadden gemaakt en het nodige uit hun koffers hadden gepakt, liepen ze voor het eerst dat weekend over het strand. ‘Ik ben blij dat we er weer zijn,’ zei ze. ‘Ik kan de zee missen zoals je een oude vriend kan missen.’ Hij had haar hand gepakt en gezoend, dankbaar voor die sleutelzin.

Nu was het taak het bedachte einde de tekstverwerker in te krijgen. Hij dronk zijn koffie op en begon met typen.

Het was iets over twaalven toen hij haar ontmoette aan de rand van het strand. Het was een grijze dag en de wind speelde wild met haar lange haren. Was het ook de wind die hem ineens een beeld van haar als klein meisje rennend over het strand door zijn hoofd deed waaien? Het ontroerde hem. Ze was hem zoveel waard en hij wist hoe belangrijk dit eiland voor haar was. Met elke stap op dit strand stapte hij verder haar jeugd binnen. Misschien moesten ze over een paar weken, als alles was afgehandeld met de uitgeverij, nog maar eens terugkomen, maar dan met een tent.
‘En?’ vroeg ze. ‘Af?’
Hij knikte en pakte haar hand. Langzaam liepen ze verder. Het was buiten het seizoen, het was rustig op het strand.
‘De zee is wild vandaag,’ zei hij. ‘Als een malle gaat ze te keer. Kijk, die golven.’
‘Heerlijk,’ antwoordde ze. ‘Niks zo lekker als uitwaaien op het strand, met je haren in je gezicht. Alsof de rest van de wereld er even niet meer is.’
Ze liepen verder, ze wees een zeehond aan in de verte en hij knikte.
‘Het was eigenlijk heel simpel. De urn nemen ze stiekem mee uit de aula en vluchten ermee naar het eiland,’ legde hij uit. ‘Diezelfde nacht strooien ze ‘m uit over de zee. Het was haar vaders laatste wens.’
Het begon zachtjes te regenen en snel klapte hij de meegebrachte paraplu open. Het warme tentgevoel kwam steeds dichterbij.
‘Prima einde,’ zei ze. ‘Kijk, daar nog een zeehond.’
Hij keek en knikte, al spelend met een idee voor zijn volgende roman.

Standaard
De Waddenzee

Lekker ding

Het waaide stevig vandaag, maar dat deerde niet. Voor hem was het een prima dag om wat rond te hangen. Het was rustiger dan andere dagen, maar toch nog behoorlijk druk. De zon scheen fel. Aangespoelde schelpen lagen te glinsteren in het zand. Soms ving hij een parelmoeren glimp op van de binnenkant van een mossel. Het diertje was er uit. Het huisje lag verlaten op het strand. Schelpen die dicht bij de branding lagen werden dan weer meegesleurd door de golven en dan weer door de zee op het zand gebraakt. Rondkrabbelende krabbetjes vermeed hij zorgvuldig. Ze konden venijnig zijn, die rotbeestjes.
Hij keek uit naar een lekker ding. Mannelijk of vrouwelijk, dat maakte hem weinig uit. Zo kieskeurig was hij niet. Hij hield van beide geslachten. Soms kwam er iets potentieels voorbij, maar die was dan ook snel weer weg. Dat snapte hij wel. De kinderen die in het water speelden maakten veel lawaai. Zelf zou hij daar ook niet graag rustig zwemmen of wat bruinbakken in de zon. Misschien moest hij een rustiger plekje opzoeken.

Op de zandbanken verderop heerste totale rust. Er lag een groep zeehonden. Mooie dieren vond hij dat. Hij vertoefde graag in hun buurt om ze rustig te bekijken. Het mooist vond hij ze als ze sliepen op het droge. Dan ademden ze niet. Wonderlijk. De jongen waren aandoenlijk, met hun witte vacht en die eigenwijze blik in hun ogen. Ja, hij hield van zeehonden. Ze oogden vriendelijk en leken hem te accepteren. Zij wel. Bij mensen was dat vaak anders. Die joegen hem weg. Hij hoorde hen wel eens zeggen dat ze hem te schreeuwerig vonden.
Plotseling viel zijn oog op een jongen met een zilverachtig jasje aan. Deze viel op. Het jasje glinsterde in het zonlicht en de weerspiegeling flikkerde in zijn ogen. Het kereltje was dik. Vet zelfs. Maar dat gaf niet. Hij hield van mollig. Ja, dit moest hem worden. Hij was op slag verliefd.
Hij probeerde zo ongemerkt mogelijk dichterbij te komen, terwijl hij zijn ogen strak op het lekkere hapje gericht hield. Het manneke had niets in de gaten. Hij moest eens weten wat hem te wachten stond. Naarmate hij dichterbij kwam voelde hij de opwinding groeien. Dit was altijd het spannendste moment. Zijn maag verkrampte. Hongerig. Dat gebeurde altijd als hij iets concreet op het spoor was. Hij negeerde het. Nog drie keer cirkelde hij er om heen. Toen besloot hij dat dit het moment was.

De snoekduik naar beneden was in volle vaart. Zijn vleugels lagen strak langs zijn lichaam. Even was daar de schok van de kou toen hij kopje onder ging. Hij sperde zijn snavel open en ving het joch met het zilveren jasje. Tevreden steeg hij weer uit zee op omhoog. Zijn klapwiekende vleugels trokken de aandacht van de spelende kinderen. Eentje wees naar hem: ‘Kijk, die heeft een vis gevangen!’

Standaard