Het weer

Wachtkamergesprek

Ik schenk haar een kort knikje. Ik neem zelfs de moeite om mijn mondhoeken wat omhoog te krullen, om haar te laten zien dat ik het vriendelijk bedoel. Hier mag het van mij bij blijven. Maar daar denkt zij anders over.

Ze was me al opgevallen toen ze de wachtkamer binnenliep. Kort en gezet (ofwel; compact) met een loopje alsof ze hierheen was gefietst zonder zadel. Maar daar mogen geen grappen over worden gemaakt, want misschien is dat loopje wel de reden dat ze bij de huisarts komt. Ze heeft twee tassen bij zich; een neplederen Gucci waarvan ik een diepdonkerbruin vermoeden heb dat deze van de zwarte markt komt (gezien de rest van haar outfit) en een knalgele shopper van de Jumbo. Ze kijkt zoekend de kamer rond en mijn oogcontact geeft onbedoeld het signaal af dat ze wel naast mij kan komen zitten.

‘Zo.’ Ze zet haar tassen op de grond en haalt een schuimrubberen zitring tevoorschijn. Hoewel ze zich er zelf weinig voor lijkt te generen, doe ik net of ik het niet zie. Ik concentreer me op de horoscoop in de glossy van vier maanden terug. Ze plaatst het kussen op de stoel en ploft voorzichtig neer.

Ik had het prima gevonden in een doodse, ongemakkelijke stilte de rest van mijn wachttijd door te brengen. Mij te concentreren op het leesvoer dat de tafel biedt. Doen alsof het me werkelijk interesseert hoeveel champagneglazen Bastiaan van Schaik heeft toegekend aan de kanariegele jurk van Britt Dekker. Blijkbaar zitten de vrouw en ik niet op dezelfde lijn. Ze draait zich mijn richting op en opent haar mond.

‘Hm? Ja, zitten doet wat pijn. Komt omdat het weefsel rond de kringspier wat minder elastisch is, hoor je? Niets om je druk over te maken verder, het hoort er gewoon bij. Is slijtage, dat krijg je als je wat ouder wordt. Valt prima mee te leven hoor, gewoon een kwestie van alles dat uitpuilt weer terugduwen na de ontlasting.’

Oh god. Oh lieve, niet-bestaande god.

‘Jeetje. Heftig’, is mijn korte, doch krachtige antwoord. Ik zak onderuit op mijn stoel. Het was een goed antwoord geweest. Neutraal, nodigt niet uit tot doorpraten en ik heb netjes met twee woorden gesproken. Maar nee. Boodschap komt niet over. Ze voert nog ruim een kwartier een monoloog over haar aambeien en hun invloed op haar gemoedstoestand en kledingkeuze.

‘Het wordt pas echt vervelend als de anus niet meer goed kan sluiten. Niet in de laatste plaats omdat je dan steeds een remspoor in je onderbroek tegenkomt. Ik krijg het wel schoon hoor, ik gooi gewoon al mijn ondergoed in een apart wasje op negentig graden, maar je voelt je gewoon niet fris, snap je?’

Ik blijf strak naar buiten kijken en hoop vurig dat het onweer losbarst. ‘Wow!’, zou ik dan kunnen uitroepen, ‘Hoort u dat? Dát hadden ze niet voorspeld!’ En dan zou het gespreksonderwerp het oude, vertrouwde weer zijn. Maar het gebeurt niet. Helaas.

Door: Vincent van Laar

Standaard
Het weer

Tussen winterjas en voorjaarszon

We zijn onderweg naar het Vondelpark en ik hekel mijn winterjas. Even was er de twijfel, vlak voordat we er op uit gingen. Op de deurmat voor ons huis stond ik met mijn ogen dicht en probeerde te voorspellen wat mijn lichaamstemperatuur zou zijn tijdens de geplande wandeling in de voorjaarszon. Zo stilstaand was er niks aan de hand. Aangenaam, geen reden tot enige vorm van transpiratie. Prima toeven.
Echter, lopen met een pittig doorstaptempo (zij houdt gelukkig ook niet van slenteren), met een graad of achttien als gevoelstemperatuur, kan zomaar eens de hele zweethuishouding van slag brengen onder zo’n dikke winterjas. Maar is het vandaag wel een graad of achttien? Het komt heel nauw, een paar graden naar boven of naar onderen maakt een wereld van verschil in deze schemerige periode tussen winter en de begindagen van de lente.
‘Kom, we gaan,’ had ze gezegd en de deur dicht getrokken.
En zo had zij voor mij besloten.

Met haar hand in de mijne naderen we de ingang van het park. Tijdens de wandeltocht door de stad heb ik zestien winterjassen geteld en vier zogenaamde tussenjassen. Ik heb thuis geen jas hangen voor de periode tussen de winter en de zomer en de periode tussen de zomer en de winter. Dat gaat me allemaal net iets te ver. Een winterjas, een zomerjas en buiten zijn zonder jas moet genoeg zijn voor iedereen.
Afijn, ik heb het dus warm en op dit moment nog maar een optie: de jas uit doen. Maar dan wordt het gevaarlijk. Dit soort optimistische voorjaarsdagen in maart zijn het verraderlijkst. In het weekend zonder jas naar buiten, een biertje in de zon en hoppa: de volgende dag zo verkouden als een hond.
Dan maar zweten in de winterjas.

‘Is het eigenlijk nog steeds geouwehoer op je werk?’ vraagt ze als we over het bruggetje bij het Blauwe Theehuis lopen. Het terras zit vol en zo te zien beginnen diverse bedrijven morgen de week met een handjevol ziektemeldingen.
‘De sfeer is nog steeds gespannen,’ antwoord ik met de blik op het terras gericht.
Snelle scan: toch al gauw zes tussenjassen.
‘Heb je er veel last van?’ vraagt ze.
Het valt me op dat de tussenjas vooral bij vrouwen een dingetje begint te worden. En dat ik er blijkbaar oog voor heb.
‘Ik hou me een beetje afzijdig op de afdeling,’ antwoord ik. ‘Wil vooral niet de knuppel in het hondenhok gooien.’
‘Hoenderhok,’ zegt ze.
‘Wat?’
‘Je zei hondenhok. Het is hoenderhok.’
‘Ah.’
‘Hoen is een oud Hollands woord voor kip. Je gooit dus een knuppel in een kippenhok.’
‘En dat is nooit een goed idee.’
‘Precies.’

We lopen verder en de zon begint mij nu steeds dwarser te zitten. Ik durf het niet uitvoerig te controleren, maar volgens mij bezwijken zowel de linker- als rechteroksel al een beetje onder de hitte.
Die vreselijke klote winterjas.
Twee dagen geleden was het nog een perfecte combinatie geweest, mijn winterjas en een voorjaarszonnetje. De laatste werkdag van de week, en ik zat prinsheerlijk in de zon met de laatste verhalenbundel van Martin Bril op een bankje van het meest troosteloze treinstation van Nederland (Amsterdam Lelylaan). Het was zo lekker dat ik er bijna rouwig om was dat de trein op tijd het station binnenreed.

‘Gut Martijn, je zweet helemaal,’ zegt ze en met een tissue veegt ze over mijn voorhoofd. ‘De zweetdruppels lopen over je gezicht.’
‘Het is de winterjas,’ zeg ik. ‘Ik had ‘m nooit aan moeten doen vandaag.’
Ze gooit de tissue in een prullenmand en even sta ik alleen op het wandelpad. Joggers, fietsers en skaters passeren me aan beide kanten. Een groepje is aan het yoga’en op het grasveld. Ze zweten allemaal, maar mogen het. Misschien als ik mijn jas uit doe en naar huis ren, ben ik morgen niet ziek.
‘Doe gewoon je jas maar uit,’ zegt ze als ze weer naast me staat. ‘Dan ben je morgen maar ziek, heb je lekker een dagje vrij. Je vindt het toch niet meer leuk daar.’
En zo had zij voor mij besloten.

Standaard
Het weer

Je doet het weer

Het is zondagmiddag en ik zit in mijn eentje op een terras. Ik haat in mijn eentje op een terras. Het is tijdelijk, want ik heb met Rutger afgesproken, maar toch. Ik kan mezelf niet vermaken. Met in mijn eentje op het terras bedoel ik niet dat er verder niemand is. Het is namelijk erg druk op ‘de broedplaats voor young creatives van modern Amsterdam’. Zo staat het op de menukaart, in een citaat uit het Parool. Ik gnuif, wat een gelul. Maar het heeft wel zijn uitwerking, want naast mij hoor ik een, voor mij, onbekende rapper met een muts op nieuwe teksten uitproberen.
‘Zit zo stoned als een aap op een bankie, ik ben zowel Paultje alsook Frankie.’
Zijn tafelgenoot noemt het ‘hard’ en begint over gesponsorde tweets. De figuurlijke klappen die ik mezelf geef, laten een grote rode afdruk achter op het voorhoofd van mijn gedachten.
Ik zeg tegen de serveerster die voor de derde keer komt vragen of ik iets wil hebben dat ik nu toch maar een koffie neem.

Na twintig minuten komt Rutger eindelijk aan lopen.
‘Ik word helemaal gek van dat lyrische gezeik over het mooie weer. Typisch Nederlands,’ is het eerste wat hij zegt.
‘Ik word juist gek van het gezeik over dat lyrische gezeik over het mooie weer en vind dat dan weer typisch Nederlands,’ bied ik als repliek.
‘En misschien zijn er dan wel mensen die jou dan weer ontzettend vinden zeiken, hoogstwaarschijnlijk zelfs.’
‘Zo kunnen we nog wel even doorgaan, maar dan zal de zon in ieder geval wel onder zijn.’
Dan grijnzen we en omhelzen we elkaar. Zo gaat het altijd, hoe lang we elkaar ook al niet gezien hebben.

Naast mij hoor ik meer rapteksten ontstaan. ‘Ik leef in omin onmin met mezelf, onder anderen. Alleen gaat het goed, of moet ik nou veranderen?’ en de vriend van de sponsortweets voegt er luid ‘Ooooh!’ aan toe en doet zijn hand voor zijn mond. Ik schud mijn door mentale klappen rood geworden hoofd.
‘Nu doe je het weer.’
Rutger leunt achterover en neemt een slok van zijn bier. Ik probeer te denken wat hij bedoelt om hem een stap voor te zijn, maar ik weet het niet.
‘Waar heb je het over?’ zeg ik.
‘Ja, het. Wat je altijd doet.’
‘Wat dan?’ Ik weet het echt niet.
‘Dat neerbuigende. Alsof je beter bent dan hun.’
Hij maakt een beweging met zijn hoofd richting de rappers.
‘Dan zij.’
‘Nu doe je het wéér.’
Ik sta op om naar de wc te gaan. Dit hoef ik niet te horen.

Als ik terugkom, wenkt Rutger de serveerster en bestelt twee bier en twee vodka. Ik zucht.
‘Rut, ik drink niet. Hoe vaak moet ik dat nog zeggen?’
‘Saaie lul. En nu doe je het weer trouwens!’
Hij zegt het heftig knikkend, met hoog opgetrokken wenkbrauwen.
‘Wenkbrauwen opgetrokken als de sokken van Kezman, wil je dissen als Sydney maar fuck dit, ik heb les, man,’ bemoeit de buurman zich er ineens mee.
‘Wauw. Applaus voor jou, man,’ zegt Rutger, die hinderlijk dicht bij het gezicht van de rapper een slowclap inzet.
‘Nu doe je het zelf,’ zeg ik.
De twittervriend van de rapper staat op.
‘Is het weer niet goed?’ zegt hij.
‘Jawel hoor. Heerlijk toeven hier in het zonnetje.’ Rutger glimlacht. Hij geniet van zijn opmerking en gaat ook staan. Hij heeft het op zijn heupen, want hij begint te rappen.
‘En de sfeer werd grimmig als Fred, het was uit met de pret. Voor jou geen loftrompet, de rapgame is te ver van je bed. Ik geef je veertien regels, want ik ken de rapwet. Maar nu aan de kant, want je stond in mijn sonnet.’
Rutger doet zijn petje achterover en gaat theatraal met zijn armen over elkaar staan.
‘Nu doe je het weer,’ zeg ik.

Standaard
Het weer

Zelfs haar stem klinkt dik – Henk Westbroek

Niet dat het regent, maar terwijl ik in m’n nette pak over een bouwterrein naar een pannenkoekenboerderij loop, klaag ik hartgrondig over het weer.

We zijn bij een trouwerij geweest, en om de verjaardag van mijn schoonvader gelijk maar te vieren, gaan we uit eten. Bij een pas geopend pannenkoekenrestaurant. Op een braakliggend stuk land. Met een parkeerplaats vol kuilen. Waar zelfs met de auto nauwelijks te komen is.

Binnen is het gezellig druk. Van de twintig tafels zijn er drie bezet, eentje met een stelletje van een jaar of achtentwintig, de andere twee met jonge ouders en jonge kinderen. Een waggelend dikke serveerster met vet, naar achteren gestoken haar wijst ons naar onze gereserveerde achtpersoonstafel. Er staat Van Gilse schenkstroop, Van Gilse poedersuiker en een flikkerend waxinelichtje op. Achter een deur zie ik de knipperende oranje alarmlichten van een kiddy ride. Het schuren van onze stoelen over de plavuizen galmt na in de grote, muziekloze ruimte.

Het eten laat op zich wachten. Erger nog: het biertje dat voor mij staat was al schuimloos toen ik het kreeg. Maar ja, schoonfamilie, dus dan blijf je beleefd, zélfs als je bier niet goed is. Zo doet men dat al sinds mensenheugenis en ik zal echt niet de eerste zijn om dat te doorbreken. De moddervette serveerster komt vertellen dat er iets mis was met het beslag en dat de andere gemaakte pannenkoeken nu eerst naar de andere 3 tafels gaan. In al haar dikheid torent ze over de tafel heen. Ik luister geamuseerd naar de vetheid van haar stem.

Haar stem klinkt zelfs dik, ja.

Stel je dit voor: je zusje, dochter of nichtje van een jaar of tien probeert een mannelijke operaster na te doen die midden in een hele lage bassolo zit.

Het is echt alsof haar stembanden zo vet zijn dat ze alleen nog maar op lage frequentie kunnen trillen. Ik gnuif.

Een uur nadat we besteld hebben en honderd grappen over de kok die z’n eigen pannenkoeken eet de revue zijn gepasseerd, komen eindelijk de pannenkoeken. Ze zijn niet helemaal warm. Waarschijnlijk omdat de kok telkens nieuwe moest bakken omdat hij ze de hele tijd zelf opat. Ha.

Een kwartier later zijn we klaar en de enigen in het restaurant. De waggelende big en haar collega drentelen wat rondom de bar in plaats van, ik noem maar wat, een radio te installeren. In de keuken kunnen we de eveneens dikke kok – hij eet die pannenkoeken dus inderdaad – zien schoonmaken. We willen weg, en dat ziet de Big Mac op poten. Met haar zoetgevooisde, stroperige stem vraagt ze of alles gesmaakt heeft.

“Nee!” roept m’n zwager grappend.
“Sorry hoor, hij probeert grappig te zijn” excuseert m’n andere zwager.
“Dat is-ie alleen niet echt” flapt de toekomstige hartpatiënte eruit.
Heel even blijft het muisstil. Buiten valt de wind stil.

Standaard
Het weer

Weerdepressie

Regen klettert op het dak van mijn auto. De radio wordt er door overstemd, maar dat geeft niet. Ik steek mijn kop in het zand van Nielson staat op. Als ik het wel goed zou kunnen horen dan zou ik nu de radio uit of op een andere zender zetten.
De straat is verlaten. Zoals altijd eigenlijk. Alleen in de zomer fietsen hier veel dagjesmensen. Mijn koplampen verlichten een paar bomen en de motor draait stationair. Ik verwacht de bus binnen tien minuten.
In mijn achteruitkijkspiegel zie ik lampen naderen. Een auto stopt achter me. Ik voel me ongemakkelijk; ik verwachtte slechts een bus, hier rijden bijna nooit auto’s. Ik word verblind door de lichten en schrik me wezenloos als er op mijn raampje wordt geklopt. Politie. Opgelucht draai ik mijn raampje open.
‘Dag mevrouw. Mag ik vragen wat u hier doet?’, vraagt de agent nors. Hij heeft zijn schouders opgetrokken. De regen roffelt op zijn pet. ‘Ik wacht op de bus’, antwoord ik braaf. Vlug voeg ik er aan toe dat mijn vriendin op bezoek komt. Hij vraagt waarom ik voor zo’n afgelegen plek heb gekozen en vertrouwt het duidelijk niet. ‘Er gebeuren hier wel eens dingen mevrouw’, verklaart hij.
‘Deze halte ligt gewoon het dichtst bij mijn huis.’ Ik zie het probleem niet zo. Ik snap wel dat hij even poolshoogte moet nemen, maar mijn verklaring zou genoeg moeten zijn. Ik sta immers bij een bushalte en de bus komt zo. ‘Wilt u mijn rijbewijs en autopapieren zien?’, vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd en ik zie dat hij zijn zaklamp op mijn achterbank schijnt. ‘Moet ik iets van dat boek op uw achterbank denken?’ Ik schrik en even ben ik in de war. Boek? Welk boek? Ik kijk om. Oh, dat boek. Het is een dikke pil. Suïcidaal Gedrag, staat er op de omslag. Ik lach een beetje nerveus: ‘Nee hoor. Ik heb het nodig gehad voor mijn afstudeerproject.’ Ik vervloek mezelf dat ik zo zenuwachtig reageer, maar ik kan er niets aan doen. Ik word altijd nerveus van uniformen.
De agent is niet overtuigd. Hij veegt wat regendruppels uit zijn gezicht – alsof dat zin heeft – en vraagt wat ik gestudeerd heb. ‘Journalistiek meneer.’ Ik raak nog meer gespannen. Stel dat hij écht denkt dat ik hier ben om een eind aan mijn leven te maken en me daarom mee wil nemen naar het bureau voor meer vragen?
‘Wat heeft journalistiek met suïcide te maken?’, vervolgt hij zijn verhoor.
Ik vertel hem dat ik een essay heb geschreven over hoe media omgaan met zelfmoord en dat ik het boek heb geprobeerd te verkopen via bol.com. Hij denkt er even over na en knikt dan. Opgelucht haal ik adem. Zijn jas is inmiddels doorweekt, zijn zaklamp hapert. Tegelijk zien we dat de bus nadert. ‘Haal dat boek straks maar uit uw auto’, zegt hij. ‘Of doe het in een plastic tasje, zodat het niet zo opvalt. En wacht niet meer in uw eentje op plekken als dit.’ De bus stopt, er stapt niemand uit. Zinloos gewacht.
‘Zal ik doen, meneer agent’, zeg ik en ik toon mijn liefste glimlach. ‘Wat een deprimerend weertje hè? Met dit weer zou je jezelf het liefst voor die bus gooien, niet?’ Ik draai mijn raampje dicht, schakel naar de eerste versnelling en als ik wegrijd zie ik meneer agent vertwijfeld in de regen staan.
Kans verkeken.

Standaard