Cliniclowns

Neus

Ik heb veel bijbaantjes gehad.

Vaak in de horeca of detailhandel. Eindeloos sociaal zijn was mijn specialiteit. Zo nu en dan viel ik ook weleens in, voor vrienden. Bardienst draaien, middagje boeken verkopen of promotiewerk. Maar nooit had ik gedacht dat ik met een rode neus en mijn haar vol confetti datgene zou doen waar ik absoluut niets van moest hebben.

‘Die neus kan je best hebben, weet je dat?’ fluisterde hij zachtjes in mijn oor. Met zijn hand schoof hij mijn haar uit mijn nek en gaf me zo’n typische nek-zoen. Beetje nattig, maar wel met een bite. Ik keek nog eens naar mijzelf in de spiegel. Schreeuwerig, zo zag ik eruit. Alle kleuren van de regenboog hadden zich verzameld in mijn outfit en mijn haar stond recht omhoog.

Ik hoefde niet veel te doen. Ik was eigenlijk een Cliniclown van niets. Ik kon geen ballondieren maken, mijn grapjes begrepen ze niet en acrobatische kunstjes waren al helemaal niet aan mij besteed.

Ik ben hier al eens eerder geweest. Toen hield ik een heliumballon in de vorm van een koe vast, met een veel te lang lint zodat bij iedere hoek de koe bleef haken. Op weg naar haar kamer liep ik zomaar tegen hem op. Zijn witte en rode schmink maakten hem nog enger dan dat zijn gezicht al was. De koe steeg op tegen het plafond. Hij zei geen woord, maar knielde op zijn knieën en trok een tulp uit zijn mouw. ‘Voor wie is die mooie ballon?’ Zijn vraag denderde door de gang. ‘Voor mijn moeder.’ Eigenlijk vond ik dat het hem geen zak aan ging. ‘…maar ik ben al te laat!’ sneerde ik hem toe. Half struikelend over de sleep van zijn geruite jas wees ik de tulp af en trok de koe weer in het gareel.

Die godvergeten kutclown kon ik wel schieten en nu moest ik er zelf één spelen. Was ik wel helemaal lekker? Waarom kan ik niet gewoon een verhaaltje voorlezen?

‘Mag ik je neus eens op?’ ik zat op de rand van een klein bed waarvan de stangen versierd waren met sterren. Ik staarde misschien te lang naar ze, of zij voelde mijn angst – dat kan ook-. Natuurlijk mocht dat. Ik was allang blij dat ik dat rode zwetende bolletje met een goed excuus af mocht doen en klikte ‘m op haar neus. ‘Eigenlijk ben ik bang voor clowns, maar jij bent helemaal niet zo eng’ zei ze wanneer ze scheel-kijkend naar het puntje van haar neus keek om zo het rode gevaarte te beoordelen. Ik was het met haar eens, nu ik er zelf één speelde viel het allemaal wel mee.

Standaard
Cliniclowns

Eerder een stand van zaken

De laatste maanden werk ik hard. Zo hard dat mijn lichaam het soms niet meer kan bijbenen. Dan val ik neer en wordt het allemaal even zwart.

Maar het is niet anders. Op een gegeven moment moest de knop in mijn hoofd om. Niet meer kniezen, maar me voor 150 procent in mijn werk storten.
Dan heb ik tenminste iets.

Mijn klanten hebben niks door. Ik ben goed in net doen of alles oké is. Het is een rol waar ik makkelijk in schiet. Grapjes maken, een rare stem, misschien zelfs een stukje van een liedje zingen: het kost me zo weinig moeite dat ik soms ook bijna in die poseur geloof.

In het ziekenhuis zijn ze blij met me. De verpleegsters groeten me vrolijk als ze me zien. Dat helpt. Ook al is het maar voor even.

Afgelopen maandag zei mijn psychiater dat hij eigenlijk ook niet zo goed wist hoe het met mij nu verder moet. Een cliniclown had hij nog nooit als patiënt gehad. We vonden het beiden een mooi idee voor een filmscript, maar een paar uur later zat ik toch weer alleen thuis en was er niks veranderd.

De laatste keer dat ik haar zag, droeg ik nog andere schoenen dan die ik nu aan heb. Een paar dagen na die fatale ontmoeting waren ze namelijk helemaal op. Alsof mijn plots verzwaarde ziel ze in versneld tempo over het randje had geholpen. Ik kocht een nieuw paar op het internet en vroeg me bij het kiezen af of zij ze mooi zou vinden.
Inmiddels zijn deze ook bijna weer toe aan vervanging.

Laatst noemde iemand, ik weet zijn naam niet eens meer, mij te eerlijk. Dat ik te lief ben, hoor ik al jaren. Ik heb geen idee wat ik daar mee moet. In wat voor verwarrende wereld leven we als deze eigenschappen je worden verweten? Ik snap het niet, en ik wil graag geloven dat het mooi is dat ik zo’n iemand ben die dat niet kan begrijpen.

Deze week ging het eigenlijk best goed. Dat moet ik dan ook gewoon opschrijven. Dan kan ik het teruglezen als het weer slechter gaat.

Dit is dus geen afscheidsbrief of iets dergelijks.
Eerder een stand van zaken.

Morgen doe ik vier ziekenhuizen. De schoenen heb ik zojuist ingevet en een handje nieuwe ballonnen zitten in de tas. Ik ben moe, maar dat is goed. Slapen helpt het vergeten.
Totdat ik mijn ogen weer open doe en die versleten schoenen zie liggen in de hoek van de kamer. Dat zijn de moeilijkste momenten.

Standaard
Cliniclowns

Een leeg bed

Het moet een gek gezicht zijn voor alle mensen die even lekker uitwaaien op het strand.

Een man met veel te grote schoenen, een rode neus en een sigaret in zijn geschminkte glimlach.
In de regen, staande op een paal waar anders meeuwen of aalscholvers op zouden zitten, kijk ik naar de zee en denk aan wat ze de laatste keer tegen me zei. ‘Voor even was Tommy weer kind in plaats van patiënt.’ ‘Hij was de pijn voor eventjes vergeten.’ Onpersoonlijk. Kil. Alsof ze de woorden van een poster had opgelezen. ‘Een goede afleiding voor Tommy’ ben ik geweest. Verder niks. De inspanningen waarmee ik mijn leven zin gaf, zijn dus enkel afleidingsmanoeuvres gebleken. Kennelijk is bij haar alles voor hem geweest. Alleen maar Tommy, Tommy, Tommy.
‘Godverdomme, Tommy,’ mompel ik en gooi het doosje ver het water in.

Wat een weer, dacht ik vlak nadat ik de gordijnen in mijn slaapkamer opendeed. Gelukkig mocht ik vandaag weer naar het ziekenhuis. De reden dat ik dit beroep had gekozen, wachtte op mij. Vorige keer had Tommy te horen gekregen dat hij alleen op een kamer mocht, dus er was reden voor vrolijkheid.
Voor de wandspiegel oefende ik nog een keer mijn laatste grap, mijn slotpleidooi. Ik drukte de draagbare cd-speler aan en Het Pianoconcert nummer 1 in fis mineur, opus 1 van Rachmaninov begon. Op handen en voeten deed ik een hond na. En omdat ik een clown was, stootte ik overal tegenaan. Daarna zou ik doen alsof ik een plasje deed waar het niet mocht. Eerst bij de deur, dan bij mama en uiteindelijk op de voeten van Tommy. Daarna zou ik een hond van een zwarte ballon voor hem vouwen. Voor haar maakte ik dan een rood hart met de ring erin. Dat moest genoeg zijn.
Na het oefenen liep ik naar de badkamer. De muziek liet ik aan.

In de tram naar het ziekenhuis moest ik staan. Een vrouw met een kinderwagen was overduidelijk op haar hoede. Twee jongens met leren jasjes fluisterden lachend. Het deed me weinig, ik was het gewend. Laat ze maar lachen, dat was uiteindelijk toch de bedoeling. Vandaag gunde ik iedereen plezier.
Ik controleerde of ik alles bij me had. Clownschoenen. Check. Mondharmonica, ballonnen, pomp. Portable cd-speler. Check. De ring. Ja, ook die had ik. Voorzichtig opende ik het doosje en bekeek kort de inhoud. Prachtig. Ik stopte het snel weer in mijn binnenzak. Vier haltes nog, dan was ik eindelijk bij haar.

In het ziekenhuis meldde ik me zo snel mogelijk bij de balie. Dat was verplicht, ze moesten het altijd weten als je er was. Daarna spoedde ik mij naar de negende verdieping van de oostvleugel. Tommy lag op afdeling 9B: oncologie. De laatste weken dus alleen op een kamer, wat een verademing voor me was. Zo had ik geen last van andere kinderen die vermaakt moesten worden. In de wachtkamer wisselde ik snel nog even van schoenen. Aan de muur hingen posters en door kinderen gemaakte tekeningen. Ik floot een onbekende melodie terwijl ik naar de kamer aan het eind van de gang liep. Toen ik bijna bij de deur was, zag ik een leren jas aan de kapstok hangen. Niks voor haar. Ik zwaaide de deur open en begon meteen aan het openingsnummer met de mondharmonica. Maar er was niemand. Het licht was uit, het bed was leeg. Ze had niks voor me achtergelaten.

Standaard
Cliniclowns

Een clown met een droom

‘Ik ben Anton en ik ben een Cliniclown.’

Hallo Anton’, luidde het in koor en ze namen allemaal hun rode neus voor hem af. Het was al jaren een onderling geintje om te doen alsof ze de Anonieme Cliniclowns waren.
Anton ging zitten en keek de groep rond. Ze zaten in een kring. Jet frummelde wat aan haar groen geruite tuinbroek. Hettie keek schichtig om zich heen. Jaap leek continu verbaasd te kijken, maar dat kwam door zijn hoog geschminkte wenkbrauwen. Dat wist Anton omdat hij Jaap ook wel eens zonder schmink had gezien.
Dagvoorzitter Peter stond op en kneep in de grote plastic piepbloem die op zijn rood geblokte tuinbroek gespeld zat. Het geroezemoes verstomde.
Peter nam het woord: ‘Volgende week organiseert het Kinder Medisch Centrum hun jaarlijkse loterij. De hoofdprijs is een miljoen euro en Gaston de directeur heeft besloten elke Cliniclown een gratis lot te geven. Is dat niet leuk?’

Daar. Daar was het. Antons droom. Antons oplossing. Als hij dat geld won, dan zou hij stoppen met werken en emigreren naar een tropisch eiland. Hij zou een andere identiteit aannemen. Nooit meer Anton de Cliniclown, maar Marc de manager, Patrick de piloot of Simon de succesvolle zakenman.
Zijn rode neus zou nooit meer van plastic zijn, maar veroorzaakt worden door alle cocktails. Mooie vrouwen bij de vleet. Melk uit een kokosnoot bij het ontbijt. Zijn rug zou ingesmeerd worden door een ginger met staalblauwe ogen. Zodra de crème in zijn huid was getrokken, zou hij een duik in de kristalheldere kobaltblauwe zee nemen zodat de tropische vissen onder hem weg schieten. Hij zou zijn privéstrand volhangen met hangmatten en iedereen zou welkom zijn. Met zoveel geld wordt hij de populairste man van het eiland.

Hij wilde stoppen met zijn werk. Elke dag kinderen aan het lachen maken in bedompte ziekenhuizen. Hij was er zo klaar mee. Hij had het gevoel alsof een lavalamp op barsten stond in zijn maag als hij bedacht dat hij dit de rest van zijn leven moest doen.
Niet om de kinderen hoor. Die waren best wel prima. Hoewel… bij sommige zou hij het liefst de levensbelangrijke slangetjes uit willen rukken, om ze langzaam te zien stikken in plaats van lachen.
Maar de meeste kinderen waren wel oké.
Maar die ziekenhuizen zelf… De lúcht die daar hing. Het stonk er naar de dood, medicijnen, urine vol narcosemiddel en langzaam wegrottende mensen. Het was een zielig zooitje ellende. De verpleegsters waren nog het ergst. Met hun hoge stemmen – ‘Zooooo, en hoe gaat het hieieier?’, met zo’n afgrijselijke uithaal – en hun veel te vrolijk gekleurde Crocs.
Als Cliniclown moest hij in die stank zijn rode neus opzetten, kunstjes doen en moppen vertellen boven het geluid van krakende Crocs op ziekenhuisvloeren uit. Elke dag. Anton werd misselijk.

Peter deelde de loten uit en gaf iedereen een toetertje waarmee ze het heuglijke nieuws konden vieren. Frits zat naast Anton. Hij droeg een paars gestipte tuinbroek ‘Waarmee begint jouw lotnummer?’, vroeg Frits. ‘BG087’, antwoordde Anton. ‘BG087’, herhaalde Frits. ‘Ha! Daar begint mijn lot ook mee! We zijn lotgenoten!’, grapte hij en hij blies hard op zijn toetertje. Het ding rolde uit en het scherpe deel belandde recht in Antons linkeroog. Dat begon te tranen en de sterretjes die op zijn wang geschminkt waren, liepen uit. Zijn zicht vervaagde en al snel zag hij met links niets meer.

Vier dagen later stond er een ballondierenvouwende clown in een oranje gestreepte tuinbroek aan zijn ziekenhuisbed. Het gekraak van de ballon klonk als Crocs op een ziekenhuisvloer.

Standaard
Cliniclowns

Over knuistjes en clowns

‘Alex, je bent weer ziek.’

‘Dat kan niet, want ik ben bang voor clowns.’
Ik kijk verbaasd naar dokter Marten, wiens mond open valt. Dan draai ik weer terug naar Alex, die met z’n knuistjes de leuningen van zijn stoel stevig vasthoudt. Op het hoofd van mijn zoontje beginnen juist weer wat blonde lokken te verschijnen, zij het aarzelend.
‘Hoezo, je bent bang voor clowns?’
Alex kijkt naar me met ogen die zich afvragen waarom ik het niet begrijp. ‘Nou, gewoon, dan kan ik dus niet in het ziekenhuis liggen.’
Dokter Marten slaakt een ‘ah’ en knikt begrijpend. ‘Je houdt niet zo van de cliniclowns.’
‘Uhuh!’ hoor ik naast me, gevolgd door een hartgrondig ‘Ze zijn stom.’
‘De vorige keren vond je ze altijd zo leuk,’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Nietus!’
‘Nou, dat is geen probleem hoor,’ zegt dokter Marten, ‘dan zorgen we gewoon dat er geen cliniclowns bij jou komen. Is dat goed?’

Er wordt driftig geknikt. Ik glimlach dankbaar naar dokter Marten. In het begin noemde we hem nog gewoon dokter De Boer, maar na een behandeling of vijftien ga je elkaar vanzelf tutoyeren. En op een gegeven moment leer je alle verpleegsters en verplegers ook bij voornaam kennen. Voor je het weet loop je groetend, lachend en handenschuddend naar een jongetje in een ziekenhuisbed.
‘We gaan weer vechten tegen de slechten, oké?’
‘Vechten tegen de slechten met vlechten!’ giechelt Alex.
‘Zo is het.’ beaamt dokter Marten. ‘We zullen ze eens een poepje laten ruiken toch?’
M’n knulletje schatert het uit.

Een kwartier later loop ik met Alex naar de felgekleurde ‘straalkamer’, onze bijnaam voor de wachtkamer van de oncologie. We mochten direct door. Alex klimt maar gelijk in een van de speeltoestellen en zelf pak ik een willekeurig tijdschrift dat de Linda blijkt te zijn. Ik lees iets over de ultieme manier om je man in bed te verwennen.

Ik kijk omhoog.

Alex hangt met z’n dunne armpjes aan de buitenkant van een speelhuisje. De levenslust die ik zo gemist had, zit er eindelijk weer in. En straks gaan we het gezellig samen slopen. Ik knijp m’n ogen even dicht en voel opeens de armen van Alex om m’n benen. Ik kijk naar hem en z’n angstige ogen.
‘Wat is er?’ vraag ik onnodig, want ik zie de twee cliniclowns ook. Ze zijn moeilijk te missen. Alex drukt zich tegen me aan en ik neem hem op schoot. De ‘Linda’ valt op de grond. Een van de clowns ziet het en komt naar ons toe.
‘Zal ik die even oprapen?’
Hij bukt, waardoor z’n gezicht vlakbij die van Alex hangt. Even hangt er een stilte, dan barst Alex in krijsen uit. De clown schrikt, maar herpakt zichzelf professioneel.
‘Wat is er jongetje? Ben je bang voor mij?’
Het krijsen wordt harder.
‘Kijk eens wat ik voor je heb?’ vraagt de clown, terwijl hij een ballon uit z’n zak pakt en vervolgens opblaast. Alex gilt en spartelt.
Uit een hoek hoor ik ‘Veenstra?’ klinken.
‘We mogen,’ zeg ik tegen Alex en tegen de clown: ‘Sorry Robert, we zijn.’
Alex springt van me af en rent voor me uit de behandelkamer binnen.

Zometeen mag ik hem naar buiten tillen.

Standaard