Grijs

Indisch bloed

Ik moet toegeven: je was een betrokken buur.

Soms sloofde je je uit, als er iets geregeld moest worden. Dan bouwde je een partytent op (maar vergat deze weer op te ruimen, en dat is toch het ergste werk). Maar meestal sloofde je je helemaal niet uit en profiteerde je van de goedheid van de mensen om je heen. De vorige keer dat je iets van me wilde, stond je voor mijn deur met een vraag of ik soms mijn parkeerplaats in de garage wilde afstaan voor een familielid van je. Dat vond ik nogal brutaal van je. Ik bedoel, ik moet óók mijn auto ergens parkeren. Ik heb dan geen auto, maar bij mij kan bezoek ook onverwacht op de stoep staan. Ik geloof niet dat je dat begreep. Je hakkelde wat, had het over ‘van je buren moet je het hebben’ en verdween foeterend naar de galerij.
Als er in de buurt een pasar malam werd georganiseerd, was je er als eerste bij om een bevriende cateraar te contracteren. Zodra de handtekeningen waren gezet en het menu was aangevraagd, at je naar hartenlust. Maar er zijn mensen met een kunstgebit, die eten geen saté. En de aluminium warmhoudterrines moest ik zelf terug brengen naar Toko Roos.
We gingen met een busreis naar Keulen. De verkoop van kersenpitkussens en reumadekens in dat hotel had jij helemaal genegeerd. Ik en Diny kochten maar zo’n set omdat we dachten dat het wel zou helpen tegen de stekende pijn in mijn onderbenen, maar het was artrose en daar doet zo’n kussen of deken niets tegen. Ik was wel 200 euro armer. Je had me kunnen waarschuwen.
Op een van je verjaardagen had je een feestje, maar je had ons niet uitgenodigd. Ik hoorde de krontjong de hele nacht door het complex galmen, terwijl ik altijd dacht dat Indo’s van die ingetogen mensen zijn. Het leek wel of je een heel staatscircus had uitgenodigd.
Ik heb jou wel uitgenodigd voor mijn verjaardag, weet je nog? Toen kreeg ik nog een waardeloze houten kris en een wajangpop cadeau. Mijn vrouw heeft het nog een tijdje aan de muur gehangen, maar toen ze overleed heb ik het naar de kringloopwinkel gebracht. Pindakunst, noemde de lommerd het. En terecht.
Er is nog maar weinig waar je mij kwaad mee kunt maken, maar jij hebt het gepresteerd. Sta je hier voor mijn deur te zeuren over je vrouw en haar suiker, ik snapte het eerst niet. Suiker, suiker, de beste smoes om me af te troggelen, dacht ik nog. Maar je had het over haar diabetes. Of je mijn telefoon mocht lenen. Want jullie hadden geen vaste lijn meer. Te duur.
Ik heb zelf een verleden te Bandoeng, dus weet wat het is om in Indië te leven. Maar voor mij ben je het bewijs dat je ondankbaar bent, ondanks dat wij heel veel voor jouw soort mensen hebben betekend. Vind ik toch jammer.
Toen de ambulance voorreed, zag ik je toegesnelde familie huilen. Ja, toen kwamen ze wel. Het hele jaar zie je ze niet. Ik dook achter de vitrage. Lul.

Door: Thomas van Aalten

Standaard
Grijs

De Verschrikkelijke Vier

Vanaf het allereerste moment dat Michel een eigen plek in verzorgingstehuis De Rust Zelve kreeg, was hij onderwerp van plagerijen geweest.

Dit was zo goed als nieuw voor hem, nooit eerder had hij last van pestkoppen gehad. Zijn hele leven was Michel populair geweest. Hij had het mooiste meisje van de klas gekust, was voor commissies gevraagd bij de studentenvereniging en had banen over gehouden aan zijn connecties. Goede banen, ook. Ook was hij veertig jaar lang getrouwd geweest met de vrouw waar andere vaders op het schoolplein altijd naar hadden gekeken.

Maar bij het eerste gezamenlijke ontbijt in de Eikenzaal was het raak. Hij was zelfverzekerd aan een tafel bij het raam gaan zitten, maar dat bleek een flinke fout. Het was namelijk de vaste ontbijttafel van Irma, Ans, Fred en Willem. Door de andere bewoners werden zij ook wel De Verschrikkelijke Vier genoemd. Zij hadden altijd het hoogste woord en deden alles om hun zin te krijgen. Zo hadden ze een keer het afdelingshoofd met hun rollators de weg versperd, omdat hij de appelmoes bij het diner wilde wegbezuinigen. Toen de vier als laatste de zaal betraden en Michel aan hun tafel troffen, keken ze elkaar even aan. Dat was genoeg. Ze haalden hun wandelstokken uit het daarvoor bestemde opbergvak van hun rollator en sloegen om beurten hard op de tafel. Eén voor één zeiden ze een woord:
‘Dit…’
‘Is…’
‘Onze…’
‘Tafel!’

Ergens begreep Michel het wel, hij was immers nieuw in de groep en vroeger hadden ze de eerstejaars ook altijd hard aangepakt. Hij pakte zijn dienblad en stond op.
Een vrouw wenkte hem. Hij mocht wel bij haar zitten en ze stelde zich voor als Els. Van haar leerde hij over de praktijken van de vier bullebakken. Ze deden tegen iedereen zo, verzekerde ze hem.

Maar het pesten ging door en het werd persoonlijk. Aanvankelijk had Michel lacherig gereageerd. ‘Houdt het dan nooit op?’ zei hij dan.
Maar ze snapten de verwijzing naar de film Zwartboek niet en hield het dus ook niet op.
Ze pestten Michel met van alles. Met zijn haar, of eigenlijk het gebrek daar aan. Hij droeg het van links naar rechts, helemaal over zijn kale schedel gekamd. En ze maakten zijn sloffen belachelijk, die hij vaak ’s ochtends en ’s avonds, maar ook nog weleens de hele dag droeg. Dat kon hij nog wel hebben. Maar ze zeiden ook weleens dat hij alleen met Els omging, omdat ze zo net zo lelijk was als zijn dode vrouw. Dat vond hij heel erg, maar hij verlaagde zich nooit tot hun niveau. Els vond dat erg knap van hem. Samen deden ze dan vaak spottend de Postbus 51 reclame na. ‘Het houdt niet op, niet vanzelf.’

In Michels tweede week in De Rust Zelve werd er op de vrijdagmiddag zoals altijd met de gehele groep gezongen. Iedereen zat klaar op zijn eigen stoel en een kussentje. Het lied We Shall Overcome werd ten gehore gebracht. Een protestsong waar Michel ineens grote verbondenheid mee voelde. Hij zong, voor zover dat nog kon, uit volle borst mee. Fred zong niet. Die begon te roepen.
‘Héé, Michel, je hebt een overkam waar Ivo Niehe nog jaloers op zou zijn!’
Hij kreeg bijval van Willem, die een alternatieve tekst inzette.
‘Michel Overkah-ha-ham. Michel Overkah-ha-ham. Someday!’
De twee vrouwen van de Vier lachten zoals boze heksen in sprookjes dat doen.
Michels toch al niet zo goede zicht werd volledig weggenomen door een zwart waas met rode vlekken. Hij stond op, pakte het kussentje waar hij op had gezeten en sprong bovenop Willem. Hij drukte het muffe object langdurig op het gezicht van de man die hem de hele tijd te kakken had gezet. Michel brak in alle consternatie weliswaar zijn heup, maar verdiende wel eeuwige roem in verzorgingstehuis De Rust Zelve.
Willems overlijden werd als natuurlijk genoteerd. De Verschrikkelijke Vier was tot drie teruggebracht en besloot nooit meer actief zijn. Er was wel weer ruimte voor een nieuwkomer.

Standaard
Grijs

Rotsvast geloof

In de woonkamer staan we zwijgend tegenover elkaar. Na het telefoontje van haar moeder zijn we beide zo snel mogelijk gekomen.

Toch zijn we te laat.
Het is reeds gebeurd.
Ik zucht en zie dat deze toch al grijze maandag langzaam door het zwart van de avond wordt opgeslokt. 10 februari zal vanaf nu elk jaar donker omrand zijn.
‘Ik weet het,’ zeg ik en druk haar tegen mij aan. Mijn armen om haar heen, haar tranen over mijn sollicitatieoverhemd.
‘Ik weet het,’ herhaal ik. ‘Ik weet het, Marlies.’
Ze knikt en snikt en pakt mij stevig vast. De rots die ik altijd beloofd heb te zijn wanneer nodig, treedt vandaag in functie. Ik moet nu de zaken bij elkaar houden. Rustig blijven en de situatie overzien.
‘Laten we gaan zitten,’ zegt haar moeder. ‘Je moet echt even gaan zitten, Marlies.’
Langzaam begeleid ik haar naar de bank. De mand staat nog er naast. Ze ziet het ook en kruipt nog dichter tegen mij aan. Mijn rechterhand door haar haar. Een kus bovenop haar hoofd.
‘Abel was een lieve hond,’ zeg ik.
‘We hielden allemaal van hem,’ vult haar moeder aan. ‘Zelfs je vader, op zijn manier.’
‘Waar is hij eigenlijk?’ vraag ik.
‘Boodschappen doen,’ antwoordt haar moeder. ‘Op maandag is het rustiger dan in het weekend. Zal ik koffie zetten?’
Ik knik en fluister tegen Marlies dat alles goed komt, maar wat dat precies voor deze specifieke situatie inhoudt, weet ik ook niet.
Toch is het iets wat een rots hoort te zeggen. Alles komt goed.

‘s Avonds haal ik Chinees. Aan koken moeten we beiden even niet denken. Met de bakjes voor ons op de koffietafel en een bord op schoot kijken we televisie.
Met kleine hapjes eet ze van haar babi pangang.
Ik wijs met mijn vork naar het bakje en vraag of ze weet hoe ik dat vroeger noemde. Zonder haar antwoord af te wachten zeg ik dat het Bami Pang Pang was. ‘Pas toen ik ging studeren kwam ik erachter hoe het echt heette. Mijn huisgenoten lachten me vierkant uit toen ze me het eens hoorden bestellen. Wist ik veel. Ik kom uit Drenthe.’
Een waterig lachje.
‘Misschien had je er bij moeten zijn.’
Ze neemt nog twee kleine hapjes en zegt dan dat ze maar naar bed gaat.
Een vluchtige nachtzoen later is ze weg.
Ik zap wat en blijf uiteindelijk hangen bij de zoveelste herhaling van The Lord Of The Rings. Een andere wereld is even meer dan welkom.

Als ik de slaapkamer zachtjes binnenkom, zie ik dat ze nog wakker is.
‘Kun je niet slapen?’ vraag ik en ga aan haar kant van het bed zitten. Zelfs met alleen het maanlicht door de dunne gordijnen kan ik zien dat ze heeft gehuild.
‘Het lukt niet,’ zegt ze zacht. ‘Ik mis ‘m zo, Mark.’
Ik strijk met mijn hand door haar haar.
‘Ik ook. Abel was een lieve hond.’
Een kleine glimlach op haar gezicht.
‘Hij vond jou ook lief,’ zegt ze. ‘Dat kon ik zien.’
‘En terecht. Ik ben ook hartstikke lief.’
Nu lacht ze echt. Ik ben een rots die ook nog eens grappig is.
‘Weet je, ik moest vandaag ineens denken aan een liedje van Nick Cave,’ zeg ik, onderwijl haar hand strelend. ‘Rock of Gibraltar, ken je die?’
‘Volgens mij niet.’
‘Het is een heel mooi liedje. De ik-persoon vertelt tegen zijn geliefde dat ze alles aankunnen als ze er samen maar in blijven geloven. Ergens in het midden zingt hij “You’d stand by me / And together we’d be / That great, steady Rock of Gibraltar”. Dat vind ik zo’n krachtig beeld, omdat het volgens mij precies vertelt waarom de liefde zo mooi is: samen kun je alles aan, ben je zo sterk en stevig als een rots. Dat het allemaal aan het einde van het liedje toch nog mis gaat, moet je voor het gemak even vergeten.’
‘Oké, doe ik,’ lacht ze. ‘Maar die zin is inderdaad heel mooi.’
‘Het heeft ook iets Bijbels,’ ga ik verder. ‘Niet zozeer de Rots van Gibraltar zelf, maar er is wel een psalm waarin de ik-persoon z’n liefde voor God omschrijft als de rots van zijn bestaan. Psalm 73, volgens mij. Ik moest ‘m op de basisschool uit mijn hoofd leren. De rest weet ik niet meer, maar dat stukje heb ik altijd onthouden. De rots van mijn bestaan: zo mooi en krachtig omschreven.’
‘Ja,’ zegt ze. ‘Heel mooi inderdaad.’
Dan komt ze ineens overeind.
‘O shit! Het spijt me zo, Mark! Ik heb helemaal niet gevraagd hoe je sollicitatiegesprek vandaag ging.’
Ik zucht en ze weet genoeg.
‘Komt wel goed, Liesje. Nu eerst proberen wat te slapen.’

(Voor de liefhebber: Nick Cave & The Bad Seeds – Rock Of Gibraltar)

Standaard
Grijs

Kruiswoordpuzzels en spruiten

‘Schat?’

Hm?’
‘Degelijk, negen letters. De eerste is een b en de vijfde een e.’
‘Burgerlijk.’
‘Oh ja. Dank je schat.’
‘…’
‘Schat?’
‘Ja?’
‘Zet jij het vuil straks aan de straat?’
‘Als jij Max uit laat.’
‘Ja, dat doe ik. En de klok moet opgedraaid worden. Hij loopt achter.’
‘Joh.’

Ze zwijgen. Een uur lang. Max ligt in zijn mand, Pieternel maakt haar puzzel en drinkt haar thee en Hans leest zijn krant. Alleen het ritselen van het flinterdunne papier verstoort de stilte af en toe. Hans staat op, schenkt een glas spa rood in en gaat weer zitten. Bovenop zijn krant. Het kraakt. Hans zucht en trekt de krant onder zijn billen vandaan.
‘Schat?’
‘Hm?’
‘Grijs, zeven letters. De derde een G en de zesde een U.’
‘Asgrauw.’
‘Oh ja. Dank je schat.’

Vanmorgen zijn ze allebei vroeg naar hun werk vertrokken. Hans naar het administratiekantoor, waar hij de hele dag cijfers heeft ingevoerd. Pieternel heeft producten geprijsd in het magazijn van de plaatselijke drogist. Normaal werkt ze halve dagen, maar omdat ze morgen naar de tandarts moet, heeft ze vandaag de hele dag gewerkt.
‘Schat?’
‘Hm?’
‘Ik stap even over naar een woordzoeker hoor. Ik vind het een moeilijke puzzel.’
‘Is goed schat.’
‘Zal ik dan daarna Max uitlaten?’
‘Ja.’
‘Oké.’

De bruine klok tikt. Hij loopt dan wel achter, maar tikken doet hij. Verder is het stil. Hans heeft zijn krant weggelegd. Alleen de klok tikt. Elke seconde een tik. Dat doet die klok al vijfentwintig jaar. Hij is nog van Hans’ opa geweest. Pieternel bijt even op haar pen en kijkt naar de klok. De slinger moet hoognodig opgepoetst worden.
‘Schat?’
‘Hm?’
‘Wist je dat je het woord ‘meetsysteem’ op twee manieren door kunt strepen in een woordzoeker? Van voor naar achter en van achter naar voor.’
‘Joh.’
‘Hoe heet zo’n woord ook alweer?’
‘Een palindroom.’
‘Oh ja. Dank je schat.’

Toen ze thuis kwamen hadden ze elkaar gedag gekust. Hans had Max uitgelaten terwijl Pieternel de aardappels schilde en de spruitjes schoonmaakte. Toen dat aan de kook was gebracht, had zij de tartaartjes gebakken en Hans de tafel gedekt. Na het eten waste Pieternel de borden en pannen en Hans droogde ze af. Daarna hadden ze samen naar het zes uur journaal gekeken.
‘Schat?’
‘Hm?’
‘Saai, tien letters. De eerste een O en de vijfde een Z.’
‘Ongezellig.’
‘Oh ja. Dank je. Wat weet je dat toch goed.’
‘Joh.’

Standaard
Grijs

Twee klokken tikken sneller dan één

‘Willen jullie nog een koek? Ik heb nog. Ik krijg ze zelf niet op, hoor. Willen jullie nog? Mag best!’

Hij schuifelt de keuken in. Miranda en ik blijven achter op de bank en ik geef haar gauw een kusje.

‘Moet ik even helpen?’ roept Miranda na een tijdje naar de keuken.
‘Nee hoor, nee, ik red me wel. Ja. Willen jullie nog koffie of thee? Of iets anders?’
‘Ik help wel even’ zegt ze, en ze staat op.
Ik luister naar het tikken van de twee wandklokken. Een ervan slaat half drie.

‘Maar, ehm, hoe is het nu met u, eigenlijk? Ik bedoel, eh, zonder oma?’
Hij stopt even met kauwen en verlegt zijn blik van mij naar het raam. Hij kauwt verder terwijl Miranda naar hem kijkt met kleine lichtjes in haar ogen. Een vraag die zij ook wilde stellen.
‘Het is wel moeilijk,’ ademt hij uit, en hij voelt z’n mond weer sluiten.

De klokken tikken. Tik-tik-tak-tak. Tik-tik-tak-tak.

‘Overdag ben ik gewoon bezig met mijn dingetjes, he, ik houd mezelf prima bezig. Dan heb ik wat in de tuin en dan moet er weer wat met de laptop of dan valt er wat te doen voor de geschiedenisclub of ik maak weer wat boekjes. Ik ben wel druk hoor! En dan heb je dus niet zoveel last want je denkt er niet aan, maar als je dan moet koken en een bordje voor jezelf klaarzet en alleen aan tafel zit, dan mis je wel wat. Ja. Dan mis je haar.’

Een druppel wordt gauw van z’n wang geveegd.

‘Maar goed, ik had het ook al een tijd zien aankomen, he. Ze was gewoon steeds zieker en dan wen je er langzaam aan dat ze er niet meer zal zijn. Aan die gedachte dan. Ja. Ik heb geluk dat ik nog zo druk ben.’

Miranda denkt aan haar oma, ik kan het zien. Ik pak m’n schaaltje en neem een hap.

‘Lekkere koek hoor.’
‘Lekker he? Je mag er zometeen nog wel eentje meenemen hoor! Ik heb er toch genoeg. Krijg ze nooit zelf allemaal op. Willen jullie nog koffie of thee? Oh nee, jullie hebben nog. Pak ik nog wel een kopje. Die van mij is alweer op. Ja.’

En de klokken slaan. Weer een half uur dichterbij zijn vrouw.

Standaard