Razernij

Kassa

In de rij staan, je beurt afwachten, zo eenvoudig was het.

Je moest niet voordringen, niet je ellebogen gebruiken. Als je netjes en beleefd aansloot, dan schoof je vanzelf langzaam op naar de eerste plaats. Het was zijn leidraad, zijn richtlijn. Hij moest bekennen dat het op het werk niet echt opschoot. De reorganisatie had toch een paar stappen terug betekend. Privé was het de laatste tijd ook beduidend minder.
Ach, geduld hebben. Hij knikte vriendelijk naar de vrouw van middelbare leeftijd die hem met haar afgeladen winkelwagentje nét de pas afsneed.
‘Nee, gaat u rustig voor. Ik heb alle tijd.’
De vrouw keek naar de literfles rode huiswijn in zijn rechter-, en de diepvriespizza in zijn linkerhand en haalde snuivend haar schouders op.
‘Het is hier niet meer wat het geweest is.’
Hij zag hoe de caissière een glimlach van het huismerk toonde en de waren aannam die de vrouw één voor één uit het wagentje nam en aanreikte.
‘De hoeveelste is het vandaag?’
‘De zeventiende, mevrouw.’
De vrouw pakte haar handtas van het haakje, opende deze, en rommelde er enige tijd in. Rustig haalde ze een etui eruit, en daaruit een leesbril die ze zorgvuldig poetste voor ze hem opzette.
‘Ach, dan ga ik deze even omruilen. Houdbaar tot en met de achttiende.’
Met het pak halfvolle melk in haar hand draaide de vrouw zich om.
‘Ja, wilt u even schuiven? Dan gaat het wat sneller.’
Het gezicht met de neerhangende mondhoeken en omhooggetrokken wenkbrauwen schoof langs zonder werkelijk acht op hem te slaan.
Een muzaknummer later hoorde hij een diepe zucht die gevolgd werd door een por in zijn rug.
Hij beet even op zijn lippen, knikte zijn hoofd een aantal keer licht op en neer en zette een stap opzij.
Zijn lippen verstrakten terwijl zijn ogen zich versmalden en het leek alsof de omgevingsgeluiden naar ergens ver weg verhuisden. De kartonnen pizzaverpakking maakte een protesterend geluid.
Het hartritme, hoog bonkend in zijn borstkas, leek het verstrijken van de tijd nog verder te vertragen.
‘Dat is dan 243 euro en 18 cent, mevrouw.’
Weer zag hij haar naar de handtas reiken. Nu haalde ze er een portemonnee uit, waar ze één voor één, vier briefjes van vijftig, vier van tien, drie munten van een euro en een muntje van vijf cent neertelde op de kleine verhoging.
‘Oh ja, de bonuskaart. Maar daar heb jij ook niet naar gevraagd,’ hoorde hij haar zeggen.
Het meisje achter de kassa weerkaatste de vileine glimlach met een kort, maar ingestudeerd dienstbaar knikje, en haalde de aangereikte bonuskaart over de scanner.
‘En zegeltjes, die wil ik ook. Dat was je ook vergeten, hé?’
‘Dan wordt het 236 euro en 15 cent. ‘
‘Mevrouw?’
‘Sorry. Mevrouw.’
Het meisje keek niet meer op, maar rolde met korte bewegingen de lange zegeltjesslinger over haar linkerhand.
‘Maar ik heb ook nog een lege flessen bon. Alsjeblieft! Die was jij ook vergeten.’
Hij hoorde de schreeuw; grommend, diep, laag, dierlijk, alsof die werd voortgebracht door iets of iemand, onzichtbaar door de bloedrode waas die hem nu leidde. De waas die hem en zijn rechterarm overnam, waarin hij nu bevredigende herkenning vond.
Keer op keer, slag na slag.

Standaard
Razernij

Meubelketen Draelmaier en de waanzin van cijfers

In de ogen van zijn vader was Willem Hendrik maar een simpele boekhouder.

Het was dan eigenlijk voor de familie ook geen verrassing dat niet hij, maar zijn veel jongere stiefbroertje Gijsbrecht de meubelketen erfde na de plotselinge hartaanval van hun in de Quote 500 genoteerde vader.
Natuurlijk had Willem Hendrik bij de notaris bezwaar gemaakt toen de laatste wensen werden voorgelezen. Dat het niks ander dan onverantwoord zou zijn om een miljoenenbedrijf in de schoot te werpen van een vierdejaars student politicologie. Maar die discussie werd al gauw in de famieliedoofpot gedeponeerd door moeder die stellig beweerde dat vader zijn ondernemende geest al sinds vroege leeftijd in Gijsbrecht had herkend. Pas nadat hij boos de kamer van de notaris was uitgebeend schoot Willem Hendrik te binnen wat hij daarop had moeten antwoorden: “Die ondernemende geest zit in beide van ons, vrouw! Alleen heeft-ie bij mij nooit de kans gekregen om zich te openbaren!”

Onder leiding van Gijsbrecht sloeg Meubelketen Draelmaier, Nederlands enige echte antwoord op Ikea, al spoedig haar vleugels uit op een onbekende markt. De nieuwbakken ondernemer had de oude heren in de raad van commissarissen met een flitsend weergegeven presentatie weten te overtuigen van de noodzaak om nu eindelijk de wereld van het internet in te stappen. “Maar let op,” had Gijsbrecht gezegd, “ik bedoel dus geen ordinaire webshop. Nee, we moeten onze klanten bij elkaar brengen op een eigen multimediaal, sociaal platform waar ervaringen en belevingen gedeeld kunnen worden zonder de drukte van een offline omgeving.” Daarna had hij fier op de spatiebalk geslagen en was de naam van het platform in kapitalen verschenen op de marmeren muur van de vergaderzaal: Leeshoek.com.

Als hoofd boekhouding hoorde Willem Hendrik uiteraard ook van de plannen. Via een memo was de opdracht van zijn jongere stiefbroertje binnengekomen om “wat met de cijfertjes te schuiven” zodat er genoeg budget vrij zou komen om het online platform nog voor de kerst te lanceren.
Het was geen goed bedrijfsplan, meende Willem Hendrik, die op het gebied van internet de nodige kennis had opgedaan tijdens een tweedaags Windows XP seminar in een Van De Valk nabij de bossen van Zeist. Dit platform was niks anders dan een bodemloze put voor de reeds inzakkende omzetcijfers van het steeds minder correcte Nederlandse antwoord op Ikea. Meerdermalen had hij geprobeerd Gijsbrecht op de hoogte te stellen van zijn nadere valkuil, maar het leek inmiddels wel alsof die sinds zijn nieuwe functie geen tijd meer had voor zijn oudere stiefbroeder.

Op 16 december ging rond het middaguur het platform middels een prijzige mediacampagne live. Nadat alle werknemers verplicht een persoonlijk profiel hadden aangemaakt en hun familieleden waren uitgenodigd om hetzelfde te doen, stokte de digitale teller in de werkkamer van Gijsbrecht na een kleine twee weken op 164 Leeshoek.com leden.

Een tweede campagne, roterende reclameborden in de Amsterdam Arena tijdens een kansloos verloren oefenwedstrijd van het Nederlands elftal (“Met leeshoek.com scoor je altijd de mooiste meubels”), leverde zeven nieuwe leden op waarvan drie geen familieleden hadden werken bij de meubelketen.

“De potentie van het platform is nog niet tot zijn recht gekomen, maar de voorspelde terugval van Facebook in het achterhoofd houdend en het in ontwerp zijnde mediaoffensief, ligt een explosieve groei nog altijd in de verwachting,” liet Gijsbrecht de verslaggever van De Telegraaf optekenen in zijn kantoor. Met tegenzin wees hij op voorspraak van de meegekomen fotograaf naar het getal 186 op de digitale teller. Hij sloot echter niet uit dat de techniek van het kastje hem in de steek liet en hij verzocht zijn gasten zich vooral niet blind te staren op de cijfers.
“In de ruimste zin van het woord zijn cijfers uiteraard maar cijfers en niks meer,” orakelde voormalig politicologiestudent Gijsbrecht tegen de persmuskieten. “Het is eigenlijk heel simpel, als je het mij vraagt. De essentie van goed ondernemerschap ligt, over de hele genomen, namelijk in wat je met die cijfers doet zodat het onder én boven de streep alleen maar de juiste kant op kan vallen. Een uitgebalanceerde verhouding tussen kwaliteit en kwantiteit, gespitst op een intuïtieve infrastructuur, zal dan uiteindelijk de doorslag geven of het project levensvatbaar is voor een nader te bepalen segmentatie op de particuliere computermarkt. En dan zal blijken dat het mes altijd aan twee kanten snijdt. Met andere woorden: er is geen reden voor paniek, heren.”

Op een zekere donderdagavond, na een korte e-mail van Gijsbrecht met het verzoek om nog wat te schuiven met reserves richting het platform, stapte Willem Hendrik in zijn Jeep en zette hij koers richting de riante villa van zijn kleine stiefbroertje, gelegen in de bossen van Bussum.

Het onvriendelijke toegangshek bleef echter gesloten voor de boekhouder. Via de intercom werd hem door een verblikte stem medegedeeld dat Gijsbrecht hem niet kon ontvangen en dat het zeer op prijs werd gesteld om, net als normale mensen, van te voren een afspraak telefonisch op te zetten.
Zichzelf van binnen opvretend zat Willem Hendrik achter het stuur van zijn auto. Een paar vloekwoorden ontsnapte uit zijn mond alvorens hij het logge voertuig in z’n achteruit zette.
“We zullen nog wel eens zien of Gijsbrechtje mij wil spreken,” zei hij aangekomen aan het begin van de oprijlaan. Ferm drukte hij zijn favoriete verzamel cd van de Australische hardrockformatie AC/DC in de speler en met een kloeke polsbeweging draaide hij de volumeknop in een keer helemaal naar rechts.
En toen gaf hij de flinkste dot gas uit zijn simpele boekhoudersleven.

Standaard
Razernij

Scène

Op dezelfde manier dat je kan vinden dat hoe jij door de stad fietst de videoclip van het nummer dat je luistert zou moeten zijn, waant Martin zich in een filmscène.

Hij rijdt veel te hard in een auto, de nacht is net vertrokken en naast hem ligt zijn slapende vrouw in de passagiersstoel. De muziek uit de radio doemt op zoals de bergen aan de horizon verschijnen. Rustig, gestaag. Onvermijdelijk. De intro is haast niet hoorbaar, wordt langzaam harder. Het licht is net fel genoeg om wolken van berglandschap te kunnen onderscheiden. Er is nog geen refrein geweest, hij weet dat dat op een belangrijk moment met veel volume ingezet kan worden. En misschien dat er dan wel iets ergs gebeurt.
Ze wordt wakker. Meteen schiet ze in de houding waar hij de afgelopen vijf jaar aan gewend is geraakt. Ze haalt haar voeten van het dashboard en wrijft met haar handen over haar armen. Het dekentje valt van haar af, op de tas met broodjes. Ze gaat van snikken naar beginnen te huilen.
‘Het komt allemaal goed,’ zegt hij, rustig voor zich uitkijkend, naar de weg. Zoals acteurs dat doen.
‘Wat?’
‘Alles.’
Druppels condens staan op de voorruit, ziet hij.
‘Hoe weet je dat?’
‘Dat is gewoon zo.’ Hij zou van die leren autohandschoenen willen.
Nu huilt ze helemaal.
Ze zou toch nog om allerlei dingen kunnen huilen, denkt hij. Het lijkt een goed idee om het gewoon te vragen.
‘Waarom huil je nu precies?’
Ze huilt vaak en om allerlei dingen, maar de laatste jaren weet ze niet meer waarom. Vaak genoeg heeft ze gezegd dat ze niet wist waarom ze huilde, om het niet te hoeven vertellen. Maar ze weet het echt niet. Ze ademt diep en kort, alsof ze de ruimte probeert vrij te maken. Maar het zit te ver.
‘Ik weet het niet,’ zegt ze. Hij moet zijn best doen om het te verstaan.
‘Rustig maar,’ zegt hij.
Ze draait zich om en krult zich met opgetrokken knieën op in de stoel.
De soundtrack van de scène heeft intussen de eerste keer refrein achter zich gelaten, maar er is niks gebeurd. Hij zit niet in een film.

‘Is het omdat de hond dit jaar niet meekan?’ Hij vindt het zelf ook niet leuk om te vragen.
Ze geeft geen antwoord meer. Hij legt zijn rechterhand op haar rug en wrijft.
Vroeger ging hij er anders mee om. Dan ontsprong hij in woede, omdat hij zijn vinger maar niet op de zere plek kon leggen. Omdat ze niet kon vertellen wat er was.
En nu is er niks anders, behalve dat hij zich in een film waant. Daar wil hij als Jack Nicholson in A Few Good Men zijn. Hij laat een denkbeeldige piramide van al zijn gevoelens die hij al die jaren heeft opgebouwd op haar in elkaar storten. Maar hij zit niet een film. Hij zit in de auto met zijn vrouw en hij weet wel beter dan weer in woede te ontspringen.
‘Heb je de bergen gezien? Soms kun je ze al zien. Na de bocht komen ze, lieverd. Na de bocht.’

Standaard
Razernij

Blinde woede

De raadsleden van Hilversum kennen Eduard allemaal.

Dag Eduard,” klinkt er regelmatig, als Eduard over de stoep naar het gemeentehuis stiefelt en de ambtenaren langs hem heen peddelen. Eduard gromt dan maar wat, wetende dat ze hem toch niet horen. Zienden luisteren heel slecht. Dat weet elke blinde.

Eigenlijk kent Eduard zijn route zo goed dat hij z’n blindenstok helemaal niet nodig heeft, maar met z’n stok gaan mensen hem tenminste uit de weg. Het gebeurt hem te vaak dat iemand tegen hem aan botst. Misschien een klein tikje voor een gewone passant, maar als je blind bent en uit het niets een por tegen je schouder krijgt, schrik je behoorlijk. De blindenstok is er dus vooral om de mensen om Eduard heen te leiden. Plus dat je er een flinke klap mee kan uitdelen. Zo kan Eduard elke dag ongestoord naar het gemeentehuis lopen en daar op de publieke tribune gaan zitten.

Eduard vecht voor de rechten van de blinden en slechtzienden. Alleen daarom loopt hij elke dag de twee kilometer naar het gemeentehuis. Hij laat zich horen op de tribune, zodat de gemeente hen niet vergeet. Hij luistert, ook, maar het gaat vooral om het roepen. “En de blinden dan?”, bijvoorbeeld. De oppositie valt hem altijd bij. “Ja, en de blinden dan?!”, gevolgd door gegrinnik vanuit het College van B&W.

De discussie over het renoveren van de Boslaan, een essentiële verbinding voor de slechtziende gemeenschap van Hilversum, is twee weken geleden in het nadeel van Eduard beslecht. Hij had staan razen op de tribune, totdat de beveiliging hem kwam halen. Met z’n onnodige blindenstok sloeg hij om zich heen, waarmee hij een van de beveiligers in het gezicht raakte en aan één oog blind maakte.

Vandaag lopen Eduard en Herman, ex-beveiliger, naar het gemeentehuis om te luisteren naar een debat over het openen van een tweede bioscoop. Herman heeft een blindenstok gekregen van Eduard, zodat hij met rust gelaten werd en zich waar nodig kan verdedigen. De heren, samen de vertegenwoordiging van de blinde en slechtziende gemeenschap van Hilversum, zullen de raad laten weten dat een bioscoop onnodig discriminerend is.

“Voor de mensen!” roept Eduard door het betoog van Wethouder Jooren-van der Boor heen. De VVD-ster kijkt verstoord omhoog. “Even rustig, Eduard.”
“Luister naar de blinden!” mengt Herman zich in de discussie.
Een zestal beveiligers betreedt de publieke tribune en omsingelt de visueel beperkte heren.
“U verzuimt naar ons te luisteren, machthebbers,” schreeuwt Eduard, “en dat zal u opbreken! Uw macht zal worden gebroken, uw troon omvergeworpen en uw dictatuur vernietigd. Blinden en slechtzienden, vooruit!”
Bij het horen van die laatste woorden stuift Herman woedend naar voren, in de richting waar hij een beveiliger verwacht. Hij klapt tegen de balkonreling en valt voorover naar beneden, bovenop loco-burgemeester Boog. Boven ragt Eduard met z’n stok in het rond.

Standaard
Razernij

Gespeelde emotie

‘Wie denk jij in Godsnaam wel niet dat je bent?’

Marlous keek verbaasd naar Hannie’s boze gezicht en barstte in lachen uit. Hannie zou er nu eigenlijk gevaarlijk uit moeten zien, maar met haar 157 centimeter zou haar dat nóóit gaan lukken.
‘Waarom lach je nou’, vroeg Hannie. ‘Zo lukt het toch nooit.’ Marlous keek haar schuldbewust aan en grinnikte nog na. ‘Nee, sorry. Ga door. Ik luister.’
‘Wie denk jij in Godsnaam wel niet dat je bent?’, krijste Hannie weer. Marlous probeerde serieus te reageren, maar het lukte niet. De lach borrelde op in haar onderbuik en baande zich een weg naar boven tot ze het – ze kon het echt niet tegenhouden – weer uitgierde van het lachen. ‘Echt Han, je ziet er zo belachelijk uit als je boos bent!’, hikte ze.

Hannie sloeg haar in het gezicht. ‘Shit, Han. Wat doe jij nou! Je hoeft niet meteen zo beledigd te reageren hoor.’
‘Ik wilde je even tot bedaren laten komen’, bitste Hannie. ‘Ik vraag het je nog één keer: Wie in Godsnaam denk jij wel niet dat je bent?!’
Hannie mocht dan wel klein zijn, maar haar klap was venijnig hard geweest. Het lachen was Marlous vergaan. ‘Sorry’, reageerde ze. ‘Ik zal het nooit meer vragen.’
‘Wat voel je daar nu bij?’, klonk het ineens van de zijkant. Jan was opgestaan.
‘Jezus Jan, wat ben jij. Een psycholoog ofzo?’
‘Nee, maar je moet er toch iets bij vóelen als je sorry zegt. Je zegt dat niet voor niets. Meen je het echt? Of zeg je het alleen maar om er vanaf te zijn?’
Marlous wipte ongeduldig van haar ene been op de andere. Wist zij veel waarom ze sorry zei. ‘Probeer het nog eens’, zei Jan. Marlous zuchtte. Achterlijke gast.
‘Wie denk jij in Godsnaam wel niet dat je bent?’, schreeuwde Hannie weer. De lach borrelde weer op, maar Marlous wist hem tegen te houden. ‘Sorry.’
Het bleef stil. Iedereen keek naar haar. Ze keek onzeker terug. ‘Sorry wát?’, vroeg Jan.
‘Oh. Eeh… Sorry, ik zal het nooit meer vragen’, herhaalde Marlous.
Jan brak weer in: ‘En wat vóel je nu? Ik wil dat je het niet alleen zégt, maar ook vóelt. Probeer het eens in verschillende emoties te zeggen. Boos, verdrietig, blij, angstig en nonchalant. Hup, aan de gang.’ Marlous probeerde het, maar haar gezicht bleef staan zoals het stond en gevoelens oproepen lukte niet. Jan zuchtte. ‘Stop er maar mee Marlous. Het lijkt me beter als we iemand anders de rol van kraanmachinist geven. Het wordt me pijnlijk duidelijk. Jij kunt echt niet toneelspelen.’

Het drong tot Marlous door wat hij zei. Haar rol werd haar afgenomen. Hij vond haar een slechte actrice. Hoe kon hij dat nou zeggen? In de schoolmusical had ze de titelrol in Alice, het vermiste meisje gespeeld. Ze had weliswaar pas in de laatste scène twee zinnetjes tekst gehad, maar dan nog.
Het. Was. Wel. De. Titelrol.
Haar oren begonnen te suizen en ze zag een rode waas voor haar ogen. Ze balde haar vuisten en het zweet brak haar uit. ‘Wie denk jij in Godsnaam wel niet dat je bent?’, brulde ze en ze stortte zich woest bovenop Jan.

‘Juist Marlous, dat bedoelde ik dus met het voelen van emoties’, murmelde Jan even later vrijwel onverstaanbaar terwijl hij zijn bloedende lip droogdepte.

Standaard