Verlegen

Donker Pompoen

‘Mag ik twee Donker Pompoen alstublieft?’
Die zijn op. Ik heb nog wel Brabants Donker. Net zo donker, maar met iets minder pit. Maar zo te zien heb jij dat niet nodig’, antwoordde de bakker terwijl hij naar haar knipoogde.

Even sloeg ze haar ogen neer en vanonder haar wimpers keek ze weer stiekem naar hem op. Vanuit een ooghoek zag ze de oude vrouw naast haar naar haar kijken. Eigenlijk was zij aan de beurt geweest om te bestellen, maar toen de bakker Nadine in het oog kreeg, was zijn aandacht naar haar gegaan.
De blik in zijn ogen maakte dat haar hoofdhuid begon te jeuken. Haar oksel kriebelden en ze voelde het zweet aan alle kanten uitbreken. En ja hoor, daar kwam het. Het Allerergste. Haar hoofd begon te gloeien. Ze werd nu rood. Ze werd rood en ze wist het en die wetenschap maakte haar nog roder.
‘Dan doe maar een Brabants Donker’, stamelde ze. ‘Dat is een heel brood toch?’
‘Klopt. En je wilde twee Donker Pompoen, dat zijn halfjes. Twee halfjes maken één hele. Zal ik hier twee halfjes van maken?’
‘Nee, laat hem maar heel. Heel is prima. Mijn collega’s en ik maken er zelf wel een halve van.’ Ze kon zich wel voor haar kop slaan. De bakker lachte niet. Natuurlijk lachte hij niet. Het was een stom grapje. Wel keek hij geamuseerd en hij knipoogde weer. Bam! Haar rode hoofd werd nog een tikkeltje roder en Nadine draaide haar blik van de bakker weg. Het zweet leek nu zelfs in haar teennagels uit te breken. Ze zag hoe de oude vrouw hen verbaasd en geïrriteerd gadesloeg.
Wat was er in godsnaam aan de hand? Zij was toch altijd degene met de grote bek? Niet schuw voor seksueel getinte opmerkingen, grove grappen – ongeacht in welk gezelschap ze was – en als iemand haar praatjes probeerde te overtreffen deed ze er zelf nóg een schepje bovenop. En ze won altijd. Ze lulde altijd iedereen onder de tafel.
Waarom werd ze nu dan zo rood? Door die knipoog? Een knipoog van een bakker van middelbare leeftijd? Goed, wel een bakker van middelbare leeftijd met een leuke kop op zijn lijf, maar dan nog. Dit sloeg nergens op. Ze stond van zichzelf te kijken. Stond ze dan al zo lang droog dat ze zich het liefst als een zoet broodje over zijn toonbank zou krullen? Zag hij dat aan haar? Stond hij daarom zo quasi nonchalant naar haar te kijken? Ze zou hem wel even een koekje van eigen deeg geven.

‘Anders nog iets?’, vroeg hij. ‘Niets uit uw vitrine, maar een keer snoeiharde, hete, geile seks zou wel prettig zijn’, zou ze nu eigenlijk moeten zeggen. En dan zou ze hem diep in de ogen kijken en zien of ze hem ook kon laten blozen.
In plaats daarvan zei ze: ‘Zes maanzaadbolletjes alstublieft.’ Ze baalde van zichzelf. ‘Met extra veel zaad’, voegde ze er snel aan toe.
Ze hoorde hoe de oude vrouw naast haar naar adem hapte en zich verslikte. Hoe ze bleef hoesten en uiteindelijk al hoestend en kermend op de grond viel. De bakker had er geen aandacht voor. Hij keek Nadine diep in haar ogen terwijl hij met een sierlijke beweging zes maanzaadbolletjes in een papieren zak deed.

Standaard
Verlegen

Dat is lang geleden

Peter had haar meteen herkend. Gezichten vergat hij nooit en die van haar zeker niet. Ze zat aan een tafeltje bij het raam. Een boek in haar handen.

Per toeval was Peter langs het cafe gelopen. Hij kwam eigenlijk nooit aan deze kant van de stad, maar de boekhandel hier om de hoek was de enige in de buurt die de autobiografie van The Smiths zanger Morrissey nu al op voorraad had.
Geschrokken was hij doorgelopen. Eva in café De Zwaan: dit was nieuws van de categorie dat je eigenlijk met het woord “brekend” via Twitter de wereld in zou moeten slingeren. Voor de deur van de boekhandel haalde hij een paar keer goed adem. Eva, zijn allerliefste Eva, zit in café Zwaan. Alleen. In ons café. Wat te doen?
Z’n gebroken hart bonsde. Hij hield nog altijd van haar. Dat was nooit overgegaan. Hij had stilletjes naar haar geluisterd op die noodlottige avond bij hem thuis. “Ik kan het niet meer aan,” had ze gezegd en die woorden waren in de dagen, weken, maanden, jaren erna niet meer uit zijn hoofd geweest. “Maar waarom niet?” had hij moeten vragen. “Je weet toch dat ik van je hou? Dat weet je toch?”
Peter ging zitten op het bankje voor de boekhandel. Wat te doen, wat te doen? Gewoon dat boek kopen en dan de tram naar huis pakken. Er is niks gebeurd, je hebt niemand gezien en je mist niemand. Een kalmerende gedachte en hij stond op.
Maar voor de deur van de boekhandel kwam toch weer de twijfel. Het ging hier wel om Eva. Zijn allerliefste Eva. Stilletjes weglopen had hij al eens eerder gedaan. Maar wat moest hij dan? Gewoon naar haar toe gaan? Binnenlopen en zeggen “He, wat leuk, dat is lang geleden”? Hij lachte. Dat zou hij nooit durven. Er zaten teveel onzekere haakjes aan dat scenario.
Een toerist duwde hem, hij stond in de weg. Langzaam stiefelde Peter bij de boekhandel vandaan. Ineens zat alles weer in zijn hoofd.
Uiteindelijk had zij het initiatief genomen voor hun eerste kus. Hij had er wel over nagedacht, heel veel zelfs, maar toch won elke keer de onzekerheid het van de durf. Ook omdat hij wist dat een kus het begin zou zijn van iets waar je niet zo snel bij kon weg lopen, mocht het toch niet werken. Gelukkig waagde zij wel die sprong en hij was haar er, ondanks alles, nog altijd dankbaar voor.
Verlegen en onzeker, dat was hij van kinds af aan al geweest. Mensen niet aankijken, meisjes al helemaal niet. Dat werd gelukkig met elke verjaardag minder. Ouder worden is een ongeneselijke ziekte, maar wel een van de betere medicijnen tegen verlegenheid. Ineens was dat besef gekomen dat hij zichzelf al die jaren had tegengewerkt. “Shyness is nice, and shyness can stop you from doing all the things in life you’d like to,” om The Smiths maar eens te quoten uit hun liedje Ask. Peter had nu vrienden en knoopte met gemak een praatje aan met de trambestuurder over de laatste bekerwedstrijd van Ajax. Die behaalde resultaten hadden hem gesterkt en zekerder gemaakt.
“De oude Peter zou naar huis gaan,” mompelde hij tegen zichzelf en vastberaden beende hij richting het café. Hij opende de deur en hun ogen vonden elkaar. Ze lachte. “He, wat leuk, dat is lang geleden!”

Standaard
Verlegen

Inkomen

Ik zit in een leuk, rustig café. De naam laat ik achterwege, anders blijft het er misschien niet zo rustig als het nu is.

Vroeger kwam ik er vaak met Sara, op zaterdag. We zaten altijd boven, op de bank tegenover de boekenkast. Boven was niet echt een verdieping, maar een verhoging, bereikbaar met een trapje van drie treden. Ik las dan boeken en zij wilde altijd thee, maar nooit het koekje. We praatten niet veel, want we hadden het goed.
Op een gegeven moment kenden we de barjongen, Marc. Die gaf dan een gratis gebakje weg, dat zij natuurlijk kreeg. Soms zat er een hartje in het melkschuim, als Sara toch voor die ene keer een cappuccino had besteld. Ik wilde al haar koekjes.

Ik heb willekeurig een boek uit de boekenkast getrokken voor bij de koffie. Die is er nog niet, ondanks dat ik hem bij binnenkomst bestelde en dat weerhoudt mij ervan om er lekker in te komen, zoals dat kan bij een boek.
Over er helemaal inkomen gesproken: ik bevind mij ver weggezakt in de leren, bordeauxrode fauteuil. Wat dat betreft is het wel prettig dat ik al een boek heb gepakt. Voor me staat de salontafel van dun hout met sierlijke pootjes en aan de overkant de stoel met gele stof en bruine esdoornbladeren erop. Naast mij heb ik nog niet goed durven kijken. Ik weet dat er een wit met zalmroze gestreepte bank staat, die ken ik, maar er zijn inmiddels drie jonge vrouwen op gaan zitten. Ik hoor ze af en toe. Ze praten, en lachen veel. Het haalt me uit het verhaal, maar ik durf niet op te kijken. Het gaat volgens de achterkant van het boek over een womanizer van het zuiverste water. Hij kan iedere vrouw krijgen, maar moet op een gegeven moment kiezen tussen dat leven of de liefde. Een flink probleem van luxe, en hoofdschuddend lach ik er om. Ik kijk op naar de bank, misschien hoorden ze me en vinden ze me raar. Eén van hen glimlacht terug. Snel stop ik mijn gezicht weer in het boek, maar lezen is er niet echt bij.

Ik probeer te bedenken hoe het ook alweer is om een vrouw te versieren. Vóór Sara ging het altijd soepel. Ik zei iets gevats, het maakte niet eens uit waarover, en dan was het raak. Of niet, maar dat deerde dan niet. Ik was zeker.
Bij Sara was het vanzelf gegaan, we kenden elkaar al van de middelbare school en ik kwam haar tegen op het buurtfeest dat ik elk jaar organiseer. Een thuiswedstrijd. Daarna heb ik eigenlijk geen ontmoetingen meer gehad, tenzij de keer dat ik diep in de nacht de barvrouw van de karaokebar ten huwelijk vroeg meetelt.
Ik kijk nog een keer op van mijn boek. Ik lach, ze lacht terug. Een pluk haar gaat achter haar oor. Niet teveel nadenken, zeg ik tegen mezelf. Kalm blijven, nu. Ik moet er echt weer even inkomen. Dat er twee vriendinnen naast haar zitten, helpt ook niet mee. Een kwartier gaat voorbij. Mijn handen zijn koud geworden. Ik bestel nog een koffie, ga een keer naar het toilet. Zodra ik daar ga zitten, voel ik hoe zweterig ik ben.

Terug in de stoel lees ik een passage waarin de hoofdpersoon een vrouw probeert te verleiden, maar ze blijkt een vriend te hebben. Dat houdt hem niet tegen, integendeel, en ze belanden in bed. Ik klap het boek hard dicht. Vastberaden neem ik een laatste slok koffie. Koud. Ik kijk, misschien heeft ze mijn domme gezichtsuitdrukking gezien. Ze kijkt terug, lachend. Inmiddels is er een uur verstreken. Op het moment dat ik eindelijk een grappige openingszin heb over het ironische contrast tussen het boek en mij, komt Marc het trapje op. Hij kijkt haar aan, knipoogt en zegt: ‘Asjeblieft, een stukje zelfgemaakte appeltaart. Van het huis.’

Standaard
Verlegen

De bruine geur van angst

Brullend storten de fans zich op hun bier.

Het is warm, klam en vol in de enorme hal, waar normaal gesproken zaalvoetbaltoernooien worden gehouden. Nu staan er lange, houten tafels en houten krukken en is al het licht uit de zaal onttrokken. Honderden, zo niet duizenden jonge mannen staan en zitten rond de tafels. Grote potten bier, stiften en kartonnen borden erop. Er worden leuzen geschreven, en piemels.

Ronnie kijkt vanachter een scherm op het podium naar de horde bierdrinkers. Z’n linkeroog knipoogt uit zichzelf. Hij kijkt opzij, naar de oche en het dartbord, beiden fel verlicht door een reusachtige spotlight. Ronnie loopt naar het toilet.

“Ronnie! Ronnie!”
Uit één van de toilethokjes klinkt een plons.
“Ah, Ronnie, je moet op man. Barney staat al klaar.”
Nog een plons.
“Kom je? Er staan vijftienhonderd man op je te wachten.”
Een serie plonzen en geklater als een waterval.
“Ik kom eraan”, klinkt er benepen.

“…en vijfvoudig wereldkampioen, én de eerste darter die op het PDC een negen-darter gooide. Het is natuurlijk ónze Barney: Raaayymmoonnddd vaaann Baaarrneeeveeeellldddd!”

Eye of the Tiger blaast uit de torenhoge speakers. De vijftienhonderd dorpsidioten lallen mee wat ze kennen: ‘Dum… Dum dum dum… Dum dum dum… Duummmm…’
Triomfantelijk loopt Raymond van Barneveld het podium op. Armen in de lucht, pijltjes in de enorme knuist gekneld. Aan de zijkant van het podium zingt Ronnie in zijn hoofd verder waar de muziek ophoudt: ‘Rising up, back on the stage. It’s my time, take my chances’.

De podiumspeaker somt de verdiensten van Ronnie op, waaronder het clubkampioenschap van Rijnsweerd. Dit is z’n eerste grote toernooi, en om dan direct tegen Barney te mogen spelen is een droom voor velen. Ronnies knieën knikken.

“Rooonnniiiieeee Biiinsssbeeerrgggeeeeennnn!”

Het publiek joelt, Ronnies liedje wordt ingestart. In een vlaag van verstandsverbijstering had Ronnie ‘Owner Of A Lonely Heart’ van Yes opgegeven. Met zijn rechterarm trillend in de lucht loopt Ronnie het podium op. Owner of a lonely heart. De pijltjes vallen. Ronnie bukt. Owner of a lonely heart. Hij pakt de pijltjes, maar laat bij het optillen weer een pijltje vallen. Much better than a. Met de volle hand probeert hij dat pijltje weer te pakken, maar nu vallen de andere twee pijltjes ook. Owner of a broken heart. Met twee handen lukt het wel. Ronnie staat op en ziet Raymond glimlachend naar hem kijken. Ronnie loopt op hem af, schuift de pijltjes in z’n rechterhand en schudt met z’n linker de uitgestoken rechterhand van Barney.

“Niet zo nerveus joh,” klinkt er in z’n oor, “je hebt toch geen kans. Geniet er maar gewoon van.”

De vijfvoudig wereldkampioen draait zich van Ronnie weg en gooit drie pijlen in de triple twintig. De bruine geur van angst stijgt op uit Ronnies comfortabele trainingsbroek. Er vliegt bier door de zaal.

Standaard