Haat

Niels

Mijn God. Wat een week. Ik ben kapot.

Woensdag was het. Vieze zwarte woensdag. Woensdag was alles duidelijk. Woensdag. Alles scherp. Zo scherp dat het mijn ziel tot bloedens toe sneed. Op mijn eigen computer. Facebook. Haar Facebook. Op mijn computer. Maar dat mag. Want ze is mijn vrouw. Althans. Ja, zelfs op haar Facebook is ze nog met mij getrouwd. Dat had Niels dus kunnen lezen. Tenminste, Niels, kunnen mannen van 23 jaar al lezen? Ja. Ik denk het wel. Met hun gespierde lijf en hun leuke grapjes en hun frisse bek kunnen ze vast ook lezen. Ze kunnen vast nog veel meer, maar dus ook lezen. Dus Niels met je piemel, jij had kunnen lezen dat Maureen getrouwd is. Met mij. Iemand van haar eigen leeftijd. Iemand die niet half zo oud is als zij zelf is. Want dat is ze Niels-de-lieve-woordjes-klootzak. Ze is twee keer zou oud als jij. Twee keer. Jij kan qua leeftijd twee keer in haar. Waarschijnlijk wil je ook graag in haar en wel meer dan twee keer. Meneertje met zijn jonge piemel die het wel drie keer achter elkaar kan. Maar qua leeftijd kan jij er twee keer in, zonder hem eruit te halen.

En wat denk je nou Niels? Dat ze mij gaat verlaten? Omdat wij al zo lang niet meer met elkaar naar bed zijn geweest? Denk je dat? En toen je donderdag weer de huisvriend uit liep te hangen, wat moet ik daar dan mee? Dat je me helpt in de tuin en dan met mijn vrouw even wat gaat eten in de stad. Terwijl ik nog even wat werk omdat ik nog even wat geld verdien. Voor ons huis en onze auto en onze vakantie in ons vakantiehuisje. En dat Maureen dan een hele leuke avond heeft gehad totdat ze in bed kruipt terwijl ik me van me af draai. Ik draai me al bijna twintig jaar van haar af als zij het bed in kruipt. Maar dat is niet omdat ik niets meer voor haar voel hoor Niels die het allemaal weet. Ik hou van haar. Ik kan het alleen niet zo goed tonen. Niet zo goed als jij! Maar ik heb echt wel gevoel in mijn donder hoor! Ik zit op mijn werk op het toetsenbord te rammen alsof het een oude typmachine is.

Jullie gingen dit weekend naar het vogelaarweekend. Lekker met zijn allen de natuur in en dan ’s avonds in een hotel overnachten. Zijn jullie naar elkaars kamer geslopen? Of hoefde dat niet? Weet iedereen daar dat Ruud een sukkel is? Hebben jullie het daar met elkaar gedaan? Terwijl ik alleen thuis was? En was het lekker? En hebben jullie nog even gelachen om Ruud? He? Die arme Ruud die niet eens door heeft wat er aan de hand is? Omdat ik niets gezegd heb? En heeft Maureen nog tegen je gezegd dat het zo lekker was? Dat het bij Ruud nog nooit zo gevoeld heeft? En was het daarna raar om hier zondagavond te eten? Het eten dat ik klaargemaakt had, alsof er niets aan de hand was? Het eten wat ik betaald had? Waar blijkbaar niemand raar van opkijkt. Omdat niemand weet dat ik weet wat jullie denken dat ik niet weet.

En nu lig ik hier in bed. En het is weer bijna woensdag. En ik heb nog niets tegen jullie gezegd. Maar ik voel een kachel van haat in mij. En ik gooi er iedere dag een extra blok hout in. Ik heb nog nooit zo verlammend veel haat gevoeld. Mijn God. Wat haat ik mij.

Door: Pieter Jouke
Komiek, copywriter, schrijver

Standaard
Haat

Tot de zon komt

Vandaag loop ik naar huis. Het is een wandeling van een half uur waar ik normaal gesproken de tram voor pak. Gelukkig regent het ditmaal niet.

Ik mag graag lopen. Met doel of zonder doel, dat maakt niks uit. Lopen is vooral fijn na een gesprek met meer vragen dan antwoorden. Simpel, gewoon lopen. Nadenken. Kijken. De wind voelen. Frisse lucht in de longen.
Het was geen vooropgezet plan om vandaag de tram te laten staan. Ik had hem gemist en aangezien ik een grote hekel heb aan wachten, besloot ik te gaan.
December is een goede maand om in te lopen. Die tijd van het jaar dat je alles, of je wilt of niet, nog eens probeert te overzien. Waar ging het goed? Waar ging het mis? En belangrijker: waarom ging het mis?
De tram passeert me. Als ik had gewacht, zou ik eerder thuis zijn.
Dit is de maand van het jaar waar ik na mijn vakantie het meest tegenop zag. Het vele nadenken maakt me moe. Het liefst zou ik meteen door willen gaan naar januari.
Een jogger haalt me in. Ik hoor hem zwaar ademen. Waarschijnlijk nog gauw even in vorm komen voor het kerstdiner. Een kansloze missie, hoe hard hij deze dagen ook loopt.
Bj de grote plas blijf ik even staan. In de zomer is het hier altijd druk. Mensen liggend in het gras, bootjes op het water. Zon. Gelach. He hoi, ja, alles goed. En met jou?
Nu is het donker en de koude wind heeft vrij spel. De zon heeft het een paar uur geleden al een dag genoemd. In de verte, bij het winkelcentrum, is kerstverlichting te zien.
Ik denk aan mijn vakantie in Frankrijk, aan de Middellandse zee. Nog niet eens zo lang geleden. Dobberen in het zoute water, slenteren door oude dorpjes, denken dat dit het leven is. Waarom maak ik me thuis toch altijd zo druk om dingen die er eigenlijk niet toe doen?
Zij doet er wel toe.
Langzaam loop ik verder. Nog een tram langs me, maar wat zou het. Het duurt wat langer, maar we komen er wel.
Acda en De Munnik zongen eens over lopen tot de zon komt en dat lijkt me een goed voornemen voor 2014.

Standaard
Haat

Altijd gezellig bij Health Club Jordaan

In de hoek van de kleedruimte, tegen een kluisje aan, kan ik nog een plekje vinden. Zweet blijft aan de haren van mijn snor hangen en vormt een dun, zout laagje.

Ik trek m’n eveneens bezwete shirt uit en kijk daarna recht in het gezicht van een andere sporter. Hij is bezweet, net als ik, maar veel behaarder en heeft alleen zijn onderbroek nog aan.
‘Zeg, heb ik jou niet op tv gezien man?’
Halverwege de zin laat hij z’n onderbroek naar z’n enkels vallen. Door de beweging worden mijn ogen naar beneden getrokken, waardoor ik genoodzaakt ben om naar het verschrompelde, door dikke, zwarte schaamharen omvatte geslacht van deze vreemdeling te kijken. Snel trek ik mijn blik weer omhoog.
‘Ja, klopt, ik zat bij Lingo.’
‘Oooh, natuurlijk, jij zat bij Lingo man! Ja. Ja hoor, nu weet ik het weer.’
De man krabt aan zijn nauwelijks te onderscheiden balzak.
‘Ja, jij was die gast die ‘druif’ verkeerd wist te spellen. Oh man, wat heb ik om jou gelachen! M’n vrouw ook man, die had zowat in d’r broek gepiest!’
‘Ha-ha, ja, ’t was wat.’
Ik haal m’n schouders op en draai me weer om naar m’n kluisje. Ik buk me om m’n t-shirt van de grond te rapen en voel dan een warme ham tegen mijn linkerwang. Ik roep iets als ‘euahj’ en val achterover.
‘Ooh, man, sorry! Ik moest effies m’n telefoon pakken. Sorry hoor. Nou ja, ik heb vanochtend wel gedoucht hoor! Hahahaha!’
‘Kan gebeuren’, stamel ik. Zo snel mogelijk wegwezen en drie uur douchen, schiet er door mijn hoofd. Snel vliegt ook de rest van mijn kleren uit en juist als ik mijn broek in wil stappen voel ik een hand op mijn schouder.
‘Man, mag ik met je op de foto? Hier, hij gaat ‘m maken, gaan wij hier staan, even een kiekje, ja, man, lachen! Ja. Nog eens? Ok, ja! Dankjewel man. Wil je ‘m zien? Kijk, we staan er leuk op.’
Op het schermpje zie ik mezelf in m’n boxer met een ongemakkelijke grijns naar de camera staren, terwijl links van mij een poedelnaakte man zijn overbehaarde lichaam tegen het mijne aandrukt. Er trekt een rilling over mijn rug, gevolgd door een lichte kokhalsneiging, die ik snel wegslik. Ik schiet in m’n kleren, vlucht de kleedkamer uit en scheur naar huis, waar ik de onder douche duik, trillend.
Als ik twee uur later mijn telefoon pak heb ik veertien e-mails, achtenzestig whatsappjes en bijna vierhonderd Twitter-mentions. Ik open Twitter en klik één van de mentions aan. Weer zie ik mezelf, de overbehaarde man en mijn ongemakkelijke grijns. Het Geenstijl-publiek heeft mij en mijn blijkbaar snel ontdekte Twitternaam omarmd.

Standaard
Haat

De Macht van de Massa

Ze liepen hand in hand, Theo en zijn zoontje Tommy. Het was niet ver naar het stadion, maar ze waren al uren van tevoren op pad gegaan.

Ze gingen kijken. Naar de mensen, naar de honden. Honden, zo noemden ze de tegenstander. Vroeger had Theo zelf vaak tegenover ze gestaan. In de kroegen, in de stegen. Sinds de geboorte van zijn zoon was hij ermee gestopt, maar het was wel het enige waar hij over vertelde. Het grote clubgevoel was op Tommy overgeslagen. En die was nu oud genoeg om mee te gaan.

Ze liepen door de kleine volkswijk, die door de jaren heen nauwelijks veranderd was. Alleen het postkantoor was weg en de lantaarnpalen waren vernieuwd, maar grijs waren ze nog steeds. Ze liepen langs de computerwinkel, waar vroeger een bakker had gezeten. Op internet had Theo gelezen dat de honden rond twaalf uur hun kroeg wilden overvallen. Hij wilde op het bankje aan de overkant naar de confrontatie kijken, samen met Tommy. Onderweg kwamen ze weinig tegen. Een enkeling liet zijn hond uit, een echte. Een man liep hard. De wind was hoorbaar. Het was stil op straat voor een wedstrijddag.

Theo dacht aan vroeger, hoe hij met zijn vrienden door dezelfde straten had gelopen. Hoe ze voor het weekend leefden, auto’s in brand staken en elkaar nooit zouden laten vallen. Doordeweeks in de fabriek, op kantoor of in een plantsoen, het maakte niet uit. Hoe ze naar uitwedstrijden gingen. Met zijn honderden de bus in, doorgesnoven de straten op, de kroegen bezoeken. En niemand die afrekende bij vertrek, het was de macht van de massa. Ze liepen met stanleymessen in hun laarzen en capuchons over hun hoofden over de wegen van de rivaliserende steden, de confrontatie zoekend. Vaak genoeg waren ze met minder geweest, maar nooit deden ze een stapje terug. Het was een kwestie van eer, van trots. Maar de mooiste dagen waren die wanneer de honden kwamen. Tot in de puntjes werd hun bezoek voorbereid. De politie werd omzeild, er werd op geheime plekken afgesproken voor de confrontatie. Er werden flessen gegooid en stanleymessen, kettingen en buizen gebruikt, maar alles met respect. Tot de dag dat hij Benny verloor, een week voordat Tommy geboren werd. De honden hadden hem doodgeschopt, terwijl hij op de grond lag. Vanaf dat moment was alles anders. Het wederzijds respect was verdwenen. Theo was er toen uitgestapt, hij deed niet meer mee.

En nu wilde hij Tommy laten zien hoe het allemaal in elkaar stak.

Het was bijna twaalf uur. Ze keken vanaf het bankje naar de kroeg. In het tunneltje verderop klonk geschreeuw en werden er flessen kapot geslagen. De honden kwamen eraan. Het werd een lafhartige confrontatie. Ze gooiden de ruiten van de kroeg in met een brandende fles drank. Ze sloegen met ijzeren buizen het interieur kort en klein. Theo wilde zijn zoon laten zien wat voor een verschrikkelijke wereld het is. Ze werden voetbalfans.

Standaard