Verhaal #213 • Afgesproken thema: Ghetto

Buurman

Mijn buurman werd enkele weken geleden door de brandweer uit zijn slaapkamerraam getakeld. Hij weegt 155 kilo. Die nacht was hij op het toilet onwel geworden en het toegesnelde ambulancepersoneel kreeg hem de trap niet af.

Zijn Spaanstalige vrouw pantomimede die middag wat ze had aangetroffen. Haar Nederlandse vocabulaire bedraagt vijftien woorden. Ik ken zeven woorden Spaans. Ze ging op haar knieën zitten en plaatste haar hoofd in de toiletpot. Haar rechterarm liet ze theatraal bungelen. ‘Mirar’, klonk het galmend. Het is één van de zeven woorden die ik begrijp. ‘Kijk.’ Daarna ging ze op haar zij liggen. Om de toiletpot heen gekruld.

‘Ai ai, si, si’, zei ik. Als een empathische automonteur die constateert dat de wagen in onderhoud een dure reparatie wacht. ‘Ai ai’ leek me typisch Spaans.

Ik hielp haar omhoog. Ze vroeg me om een taxi te bestellen voor de komende weken omdat haar man nog wel een tijd in het ziekenhuis zou moeten blijven. Ze liet me een ziekenhuisfolder zien. Een plaatje van een hoofd met hersenen er op. Om het woord ‘hersenbloeding’ stond een cirkel. Door het woord ‘herseninfarct’ stond een kruis.

Ik heb jarenlang naast mijn buren gewoond zonder iets tegen ze te zeggen. Op ‘Hallo’ en ‘Ola’ na. Daar kwam verandering in toen ik overdag onderdak zocht voor mijn hond en hen vroeg of ze af en toe op hem wilden passen. Geen enkel probleem. Dol op honden. Sindsdien bezoek ik ze regelmatig en met de buurman bespreek ik dan de landelijke en lokale wereldtoestanden. Zijn vrouw serveert steevast oliebollen. Het jaargetijde doet er niet toe.
Buurman scheldt op de politiek en stemt al decennia niet want dat heeft geen zin. Als gevolg van wanbeleid is onze buurt in korte tijd een ghetto geworden volgens hem. Het belangrijkste bewijs daarvoor is het toenemend aantal Poolse nummerplaten op auto’s in de buurt. En vlakbij woont tegenwoordig een Iraniër, die overigens een 12.000 keer grotere Nederlandse woordenschat heeft dan mijn buurmans echtgenote. De buurt verpaupert. Het Brooklyn van de jaren zeventig is er een pretpark bij, zeg maar.

Na een week in het ziekenhuis te hebben gelegen wordt mijn buurman overgeplaatst naar een verpleeghuis. Ik fiets er ’s avonds heen. Mijn hond galoppeert. Die mag mee naar binnen, daar had ik van tevoren naar geïnformeerd.

Mijn buurman ligt apart in een duistere kamer. Het bed is reusachtig en boven de dekens herken ik zijn lichtpaarse hoofd.
‘Heuj… Tommie’, mompelt hij. Zijn goede hand tast langs de bedrand, op zoek naar de kop van mijn hond. Die duwt z’n natte snotkoker in de handpalm. Ze beginnen allebei te huilen.

Ik leg mijn hand op buurmans onderarm. ‘Hee ouwe taaie’, zeg ik. Hij schok-snikt. Ik heb het vermogen om iets opbeurends te zeggen waardoor mensen alleen maar harder gaan huilen.
Daarna vertelt hij. Steeds opgewekter, maar traag en verward. Zijn brein is de stad waar een bloeiende buurt binnen luttele seconden is verpauperd. Nu heb ik het nummer ‘In the ghetto’ van Elvis Presley in mijn hoofd zitten.

Uit mijn binnenzak haal ik een transistorradiootje. Van zijn vrouw begreep ik dat het huren van een tv op de kamer te duur was. Ik zet de radio aan. Klassieke muziek kraakt door het speakertje.

Buurman heft opgewekt zijn goede arm. Hij begint te dirigeren.

Door: Ludo de Boo



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard