Ghetto

Buurman

Mijn buurman werd enkele weken geleden door de brandweer uit zijn slaapkamerraam getakeld. Hij weegt 155 kilo. Die nacht was hij op het toilet onwel geworden en het toegesnelde ambulancepersoneel kreeg hem de trap niet af.

Zijn Spaanstalige vrouw pantomimede die middag wat ze had aangetroffen. Haar Nederlandse vocabulaire bedraagt vijftien woorden. Ik ken zeven woorden Spaans. Ze ging op haar knieën zitten en plaatste haar hoofd in de toiletpot. Haar rechterarm liet ze theatraal bungelen. ‘Mirar’, klonk het galmend. Het is één van de zeven woorden die ik begrijp. ‘Kijk.’ Daarna ging ze op haar zij liggen. Om de toiletpot heen gekruld.

‘Ai ai, si, si’, zei ik. Als een empathische automonteur die constateert dat de wagen in onderhoud een dure reparatie wacht. ‘Ai ai’ leek me typisch Spaans.

Ik hielp haar omhoog. Ze vroeg me om een taxi te bestellen voor de komende weken omdat haar man nog wel een tijd in het ziekenhuis zou moeten blijven. Ze liet me een ziekenhuisfolder zien. Een plaatje van een hoofd met hersenen er op. Om het woord ‘hersenbloeding’ stond een cirkel. Door het woord ‘herseninfarct’ stond een kruis.

Ik heb jarenlang naast mijn buren gewoond zonder iets tegen ze te zeggen. Op ‘Hallo’ en ‘Ola’ na. Daar kwam verandering in toen ik overdag onderdak zocht voor mijn hond en hen vroeg of ze af en toe op hem wilden passen. Geen enkel probleem. Dol op honden. Sindsdien bezoek ik ze regelmatig en met de buurman bespreek ik dan de landelijke en lokale wereldtoestanden. Zijn vrouw serveert steevast oliebollen. Het jaargetijde doet er niet toe.
Buurman scheldt op de politiek en stemt al decennia niet want dat heeft geen zin. Als gevolg van wanbeleid is onze buurt in korte tijd een ghetto geworden volgens hem. Het belangrijkste bewijs daarvoor is het toenemend aantal Poolse nummerplaten op auto’s in de buurt. En vlakbij woont tegenwoordig een Iraniër, die overigens een 12.000 keer grotere Nederlandse woordenschat heeft dan mijn buurmans echtgenote. De buurt verpaupert. Het Brooklyn van de jaren zeventig is er een pretpark bij, zeg maar.

Na een week in het ziekenhuis te hebben gelegen wordt mijn buurman overgeplaatst naar een verpleeghuis. Ik fiets er ’s avonds heen. Mijn hond galoppeert. Die mag mee naar binnen, daar had ik van tevoren naar geïnformeerd.

Mijn buurman ligt apart in een duistere kamer. Het bed is reusachtig en boven de dekens herken ik zijn lichtpaarse hoofd.
‘Heuj… Tommie’, mompelt hij. Zijn goede hand tast langs de bedrand, op zoek naar de kop van mijn hond. Die duwt z’n natte snotkoker in de handpalm. Ze beginnen allebei te huilen.

Ik leg mijn hand op buurmans onderarm. ‘Hee ouwe taaie’, zeg ik. Hij schok-snikt. Ik heb het vermogen om iets opbeurends te zeggen waardoor mensen alleen maar harder gaan huilen.
Daarna vertelt hij. Steeds opgewekter, maar traag en verward. Zijn brein is de stad waar een bloeiende buurt binnen luttele seconden is verpauperd. Nu heb ik het nummer ‘In the ghetto’ van Elvis Presley in mijn hoofd zitten.

Uit mijn binnenzak haal ik een transistorradiootje. Van zijn vrouw begreep ik dat het huren van een tv op de kamer te duur was. Ik zet de radio aan. Klassieke muziek kraakt door het speakertje.

Buurman heft opgewekt zijn goede arm. Hij begint te dirigeren.

Door: Ludo de Boo

Standaard
Ghetto

Helikopteroverzicht

Ze noemen het hier een ghetto, maar dat is het natuurlijk niet. Een ghetto is een benaming voor een stadswijk die voor het overgrote deel wordt bewoond door mensen die behoren tot een enkele etnische, religieuze of raciale groep, veelal met een laag inkomen. Schoolvoorbeeld van een ghetto was die van Warschau, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een plek waar de Nazi’s ruim vijfhonderdduizend Joden bijeengedreven hadden.
Hier heeft men gewoon last van een imagoprobleem.

Maar toch nam hij ook het woord ghetto in de mond toen hij aan haar vertelde waar hij precies woonde in Amsterdam. Via via had ze al wat opgevangen.
In een kroeg aan het Leidseplein had hij uitgelegd dat het een moeilijke wijk was. Soms een beroving, soms een gewapende overal, soms een moord, elke avond een politiehelikopter hangend in de lucht.
‘Maar dat is ghetto-life, weet je,’ had hij gezegd als grap en ze had gelukkig gelachen. Hij was geen gangster, hij was een schrijver en niet eens van raps, maar van rare verhalen.
Toch was ze wel benieuwd.
Samen liepen ze met een idee over het avondeten naar zijn vaste supermarkt. Het was zomer en druk op straat.
Ze nam de omgeving in haar op en vroeg of hangjongeren hier een probleem waren.
‘Mwah,’ zei hij. ‘Ik heb eigenlijk meer last van die kut-scooters.’
‘Dat snap ik wel,’ zei ze en ze pakte zijn hand nog steviger vast.
Het was de eerste keer dat ze bij hem thuis was. Nogal een spontane beslissing, hij had niet eens tijd gehad het fatsoenlijk op te ruimen. Na haar telefoontje had hij snel wat grote rommelstukken uit het zicht gehaald.
Op de bank bekeken ze zijn fotoboek. Ze vond hem schattig als baby en dat kon hij alleen maar beamen.
Hij keek naar haar terwijl ze door het boek bladerde. Ze moest vaak lachen om zijn rare hoofd, kapsels en bril. Hij vond het prima omdat zij het was die lachte. Het was een moment dat hij erg bewust beleefde. Hij zag zichzelf met haar zitten op de bank in zijn niet opgeruimde kamer in een niet echt ghetto zijnde Amsterdamse wijk. Dit moest hij nooit vergeten, nam hij zichzelf voor.
‘Wil je nog wat drinken?’ vroeg hij.
‘Lekker,’ zei ze. ‘Thee, als je hebt.’
‘Je hebt geluk.’
Hij stond op en liep naar de deur. Voordat hij de gang in verdween, keek hij nog even achterom. Ze wees op een foto en zei: ‘Wat was je vroeger toch een nerd!’
Hij lachte.
‘Je moet weten dat ik in die jaren nogal gebukt ging onder een imageprobleem.’
‘Gelukkig ben je daar uitgekomen,’ zei ze. ‘Al hoewel…’
‘Zeg, wil je nog thee?’ antwoordde hij en gespeeld boos beende hij de kamer uit.
Die avond kookte ze voor hem. Hij keek mee en probeerde te onthouden welke handelingen ze deed. Hij ging het vergeten, dat wist hij meteen al. Maar wat zou het, hij had vandaag al belangrijkere herinneringen gemaakt.
Met een kop koffie zaten ze daarna in zijn kleine tuin. De lucht rook naar barbecue en naar mooie tijden. Daar kon die cirkelende politiehelikopter verder ook niks aan veranderen.

Standaard
Ghetto

The Vinyl Lounge

Het was al laat toen we incheckten. Remco tilde de koffers en ik zong zacht een nummer dat sinds de rit van het vliegveld naar het hotel was blijven hangen.

De taxichauffeur had gezegd naar niks anders meer te luisteren, sinds hij een paar dagen eerder met kerst een The Best of Blues verzamel-cd had gekregen.
Everything has got to get better, neuriede ik voor me uit. Remco keek me verbaasd aan en mijn opgewekte voorkomen kwam ook voor mij als een verrassing. De vlucht was verre van prettig geweest en ons bezoek aan Chicago was beslist niet voor vertier. Ik knipoogde naar hem, het was goed.

Het was zestien jaar geleden dat mijn vader was vertrokken. Ik was toen zeventien. Hij had de aankoop van een door hem als wereldberoemd bestempelde jazzclub verkozen boven het beveiligingswerk bij een warenhuis en het modale op de bank bij mijn moeder en mij in Slotervaart. Sindsdien hadden we hem niet meer gesproken.
En toen ging afgelopen vrijdag de telefoon. Mijn moeder. “Kas, je vader is ziek. Hij belde, dat was alles wat hij zei.” Ze wist niet wat ze moest.
Ik zette gelijk al mijn projecten stil – de collab met Michael Kors was enorm aangeslagen, dus ik kon het me veroorloven – en was op de eerste vlucht gestapt die ik kon vinden.
Remco wilde per se mee. Dan kon hij zien of de collectie hier wel goed was gevallen, zei hij. De schat.

Ergens was het een idioot besluit om erheen te gaan. Ik wist immers helemaal niks. Ik wist niet waar hij woonde, al had mijn moeder wel een oud briefje gevonden. Daarop stond de naam van jazzclub The Vinyl Lounge en het adres van het hotel waar hij toentertijd verbleef.
En nu stond ik hier, in datzelfde hotel. Het was geen duur etablissement. Het behang liet los en de flikkerende tl-buis in de lobby leidde me gelukkig af van de geur van zweet en bier, die uit de als lounge aangegeven hoek kwam. Het was zacht uitgedrukt niet helemaal wat ik gewend was, maar dat deerde niet. Ik had Remco bij me en een avontuur stond op het punt van beginnen.

De volgende ochtend gingen we op pad. We vroegen eerst bij het hotel of ze mijn vader kenden. Geen geluk. Daarna belden we alle ziekenhuizen van de stad. Niks.
We besloten een taxi te nemen naar The Vinyl Lounge. De chauffeur lachte toen we zeiden waar we heen wilden en vroeg of we serieus waren.
“Two white queers, with handbags and everything, going to Englewood? Hell no,” zei hij.
Na het suggereren van een extra tientje bracht hij ons toch weg en wenste ons veel succes.

Verbaasd keken we om ons heen. Remco zei dat het hier niet zo fijn was en ik vond dat zacht uitgedrukt. Er was geen jazzclub te bekennen. Voor het hek van een schoolgebouw lagen bossen bloemen en een kudde knuffeldieren. Een man met tatoeages in zijn gezicht en een muts op liep langs. We vroegen hem of hij ooit van de jazzclub gehoord had. Hij wendde zijn hoofd van ons af.
Iets verderop zat een man op een bankje. Hij had de capuchons van twee vesten ver over zijn hoofd getrokken en gaten in zijn handschoenen. We hoorden hem zingen.

“I’m ready, ready as anybody can be,
I’m ready, ready as anybody can be.
Now I’m ready for you, I hope you’re ready for me.”

Er kwam een man de school uit. Een docent, naar het bleek. We vroegen hem naar The Vinyl Lounge. Hij wees naar het bankje.
“You see that man? He used to be the owner. He sits there every day.”
We bedankten en liepen er naartoe. Remco zei dat hij niet dacht dat we erachter gingen komen hoe de collectie hier was gevallen.

Standaard