Sollicatie

De dagen van Engelbert Specht

Ik zit op een witte tuinstoel, schuin tegenover mijn huis. Er ligt sneeuw. Het is dinsdag en nu vijf dagen geleden dat ik zesentwintig brieven de deur uit deed.

Iedere brief was anders. De één opgerold, met een gekleurd elastiekje erom, in een kokertje. Een ander heb ik in puzzelstukjes geknipt. Maar de allermooiste vind ik de gele brief, in een enveloppe die ik van theezakjes heb gevouwen. Je moet creatief zijn, tegenwoordig.

En nu staar ik naar mijn brievenbus. Althans, naar de verzameling metalen kastjes die voorkomt dat de post van alle mensen uit het pand door elkaar raakt of nat wordt. Ik adem een wolkje mist mijn zwarte handschoen in.

Ik heb een krant bij me, anders valt het misschien op wat ik doe. Dom, natuurlijk, want wie leest er tegenwoordig nog een krant, laat staan op een bankje? De mensen die nog brieven sturen, denk ik. Maar ik wil juist onherkenbaar zijn. Vooral voor de complexbeheerder, die meer dan eens mijn verzamelingen bekritiseerd heeft, maar vaker nog zeurt over de opgelopen huurachterstand.

In de krant lees ik dat Hyves er mee stopt. Zonde, ook van de tijd die ik afgelopen week had gestoken in het schrijven van een sollicitatiebrief voor een plekje op hun emoticon-afdeling. Je moest eens weten hoelang je er over doet om in Paint je pasfoto te veranderen in een emoticon die in een oogopslag zegt ‘stop met zoeken, ik ben jullie man’ zonder het te typen in een tekstballonnetje. Die tijd krijg je nooit meer terug, hoe hard je ook je best doet. Het leven is vergankelijk. Iedereen gaat dood.
Maar goed, eerst een nieuwe baan.

Ik leg de krant weg en pak de thermoskan. Wat een werelduitvinding blijft dat toch. Vier uur geleden heb ik koffie gezet en nu kan ik, op een oude tuinstoel, in de sneeuw voor mijn huis, nog gewoon een lekker warm bakkie nemen. Op dat soort briljante ideeën kan ik zo jaloers worden. Het lijkt zo simpel, maar kom er maar eens op. Eén zo’n idee en ik hoef nooit meer te solliciteren. Betaal ik de huur lachend. Sterker nog: dan koop ik gewoon het hele flatgebouw op en laat ik die eikel van een complexbeheerder de hele dag kloteklusjes voor me doen.
Maar ja, verzin maar eens iets.

Er komt een man met een posttas aanlopen. Ik herken hem niet. Dankzij de bezuinigingen bij PTT, TPG, TNT en tegenwoordig PostNL lopen er elke week andere bezorgers door mijn wijk. In het begin nam ik nog wel de moeite om ze te leren kennen, maar die constante investering doet je privéleven geen goed. Mijn goudvis Willy wil ook gevoerd worden.

Ik zet mijn koffie achter een stoelpoot in de sneeuw en verberg me achter mijn krant. Mijn aandacht wordt getrokken door een foto van een dikke mevrouw in een lange bontjas die ontredderd bij een ondergesneeuwde auto staat. ‘Niet voor iedereen sneeuwpret’, staat erbij. De sneeuw kraakt onder de stappen van de postbode. Hij draagt Nikes, kan ik onder mijn krant door zien. Even wacht ik nog, totdat de brievenbussen beginnen te klepperen. Stiekem gluur ik over mijn krant heen en maak nog net mee dat het klepje van mijn brievenbus dichtvalt. Gauw die krant weer omhoog. Rustig ademhalen. Rustig wachten. Het klepperen houdt op, de man loopt voor me langs en het kraken verwijdert zich. Ik houd de krant nog een paar minuten omhoog, voor de zekerheid. Dan sla ik de krant dicht, pak m’n thermoskan en sta zo nonchalant mogelijk op. Alsof het een gewone dinsdag betreft, stap ik naar binnen en ontmoet de complexbeheerder in de hal. Hij houdt een grote, bruine envelop vast.
“Geen post meer tot je de huur hebt betaald.”

Door: Harm-Jan van Asselt

Standaard
Sollicatie

Verwerking

We werden gedwongen in een rij naar de grauwe, met prikkeldraad omheinde hal te lopen, waarin al duizenden andere mannen verzameld waren.

De fabrieksvoorzitter zou niet lang daarna een toespraak gaan houden. Binnen was het niet minder koud dan buiten, verwarming was er niet. Helemaal aan het eind van de hal waren vier loketten waar je een formulier kon invullen. De illusie van vier mooie rijen was bij binnenkomst al direct vervlogen. Het was één grote chaos, iedereen rende door elkaar. Er was verwarring ontstaan over het verschil in loketten. Aangenomen werd dat alle vier hetzelfde zouden zijn, maar nu bleek dat de loketten verschillende afdelingen vertegenwoordigden: Slacht, Verwerking – V, Verwerking – K en Inpak, waarbij V voor Varken stond en K voor Koe. Slacht bleek de bestbetaalde afdeling, Inpak leverde het minst op.
Een enorme wanorde ontstond toen bleek dat niet iedereen zich kon aanmelden bij het eerste loket – je moest kunnen aantonen dat je ervaring had met het slachten van vee. Kon je dit niet, moest je achteraan aansluiten in een andere rij. Hierdoor ontstonden vechtpartijen. Vlak voor mij werd een jongen naar de grond gewerkt door een groepje enorme mannen. Een oude man sloeg op hem in met zijn wandelstok. Ik probeerde de jongen te helpen, maar werd tegengehouden en weggeduwd. “Не ваше дело!” klonk het, “Bemoei je met je eigen zaken!” Ik ging in de op één na kortste rij staan: Verwerking – K. Vlak voordat ik aan de beurt was, klonk er een hels alarm. Alle aandacht was nu op het podium achter de loketten gevestigd.

Ergens was het grappig dat ik daar was. Mijn vader had altijd gezegd: zolang je maar niet bij McDonald’s komt te werken. En nu zou ik in een immense, massaproducerende vleesverwerkingsfabriek die leverde aan de populaire fastfoodketen komen te staan. Het zou hem allerminst trots hebben gemaakt, ook al deed ik dit met een ander doel dan de andere sollicitanten.

Iedereen stond nu stil in redelijke rijen. Ineens besloot een klein mannetje op het laatste moment naar een rij aan de andere kant van de hal te rennen. Ik lachte hardop, waarop de man voor me in de rij de beweging van een kopstoot naar me maakte. Verderop zag ik twee ratten onder een stuk karton vandaan schieten. Toen ik daar iets over opschreef in mijn notitieboekje, werd de man boos. In mijn beste Russisch legde ik uit dat ik niet om hem lachte, journalist was en iets anders opschreef. Het deerde hem niets. Hij kwam met zijn gezicht vlakbij het mijne. Hij zei in het Engels dat ik me gedeisd moest houden. Minder opvallend doen. Ik keek daar niet meer zo van op, na al die opstootjes. Ik snapte pas later dat ook hij met bijbedoelingen in deze rij stond. Helaas had hij niet dezelfde insteek als ik gehad, hij had geen boekje bij zich. Pas toen ik zijn foto op de televisie had gezien, viel alles me met terugwerkende kracht op. Zijn haar was te glad, zijn wollen trui te nieuw. Hij was de enige die handschoenen droeg. Zwarte, van leer. Hij had naar koffie en eau de cologne geroken. Nadat iedereen ineendook en de voorzitter neer was gegaan, had ik hem niet meer gezien.

Standaard
Sollicatie

Op gesprek

Ze heeft zich met haar hand aan hem vastgeklonken. Dat steekt heel nauw.

Zijn duim moet precies zo liggen dat haar duim er net overheen valt. Dat vindt ze fijn. Haar grip geeft hem het gevoel dat hij nooit meer weg mag. Dat zegt hij. Ze lacht. Hij lacht. Hij slikt. Vandaag is de grote dag. Hij is voor het eerst in haar dorp. Dorp, vindt hij uitdrukkelijk, want vergeleken met zijn grote stad is alles natuurlijk een dorp. Het geeft haar niet, het is haar thuis.

Ze lopen van de bus naar haar huis. Het is van dat half bewolkte, Hollandse weer waarbij er op ieder moment een bui kan vallen, maar dat de zon toch eigenlijk overheerst. Ook nu straalt de zon in hun gezichten. Ze zeggen even niets. Zij geniet van het moment, hij vraagt zich af wat hij zometeen zal zeggen. Iets over het weer? Of over het stomme dorpje waar ze zijn gaan wonen? Nee, dat maar niet. Beter het weer. Dat het zo lekker is. Of juist niet. Hij twijfelt.

De twee-onder-een-kapwoning heeft een houten naambordje met ´t Turfschip, waarop hij opgelucht ademhaalt. De voortuin is het hele jaar groen, dat zie je direct. Er is een grote oprit en een schutting met een deur erin. Ze lopen erdoor en gaan via de achterdeur naar binnen. Hij houdt haar stevig vast. Ze mag hem nu niet alleen laten. Niet voordat ijs gebroken is. Het spreekwoordelijke ijs natuurlijk, want er is hier geen echt ijs. Hij glimlacht om zichzelf. Ze leidt hem naar de hal, waar ze hun jas en schoenen uittrekken. De hardhouten vloer is fris en loopt onder hen door naar de woonkamer.

Hij stelt zich voor. Haar moeder glimlacht en doet hetzelfde.
“Waarom heet het hier het Turfschip?”
“Turfschip?”
“Ja.”
“Ooh, dat hangt aan de gevel! Nee, dat is nog van de vorige bewoners joh. Geen idee waarom dat is. We zijn te lui om het weg te halen.”
“Oh.”
Er is drinken en wat stilte.
“En, vertel eens, wat doe je precies?”
“Ik, eh, ik werk…”
De telefoon gaat.
“Och, dat is oma. Sorry hoor, die moet ik even pakken. Hee, hoi!”
Hij en zij kijken elkaar aan terwijl haar moeder luistert naar de problemen van haar eigen moeder.
Buiten schijnt de zon en regent het tegelijk. Aan de muur tikt een klok. Ze pakt zijn hand en houdt hem stevig vast.

Standaard
Sollicatie

Was Promised You A Miracle van Simple Minds echt zo’n grote hit?

Onderweg naar het vakantiehuisje bereikt ons het bericht dat ze de baan niet heeft gekregen. Maar ze houden wel haar brief in het archief.

Ik sla op aanraden van de TomTom rechts af na 200 meter en zeg zeker te weten dat er nog meer kansen gaan komen. Daar moet ze op vertrouwen.
Ze kijkt uit het raam en blijft stil.
‘Laat het je vakantie niet verpesten,’ zeg ik ter hoogte van De Veluwe. ‘Je hebt je best gedaan, meer kun je niet doen.’
Geen antwoord.
De radiodeejay roept dat ze de allergrootste hits aller tijden gaan draaien. Maar eerst naar de reclame.
We halen een oude Peugeot in.
Dan zegt ze: ‘Ik dacht echt dat het dit keer raak was, Martijn.’
‘Ik weet het.’
‘Ik had zelfs een origineel antwoord op die pingpongballetjesvraag.’
‘Er is vast een logische verklaring. Waarschijnlijk hebben ze de vacature alsnog intern opgelost. Dat hoor je wel vaker.’
‘Zou je denken?’
‘Kan toch?’
‘Denk het.’
We draaien de snelweg af.
Ik moet de ruitenwissers aanzetten.
De wind probeert de auto omver te duwen.
Herfstvakantie in eigen land, je moet er van houden.
‘Je bent nog jong,’ zeg ik. ‘Je hebt te veel haast. Niet alles hoeft meteen. Vertrouw erop dat het goed komt. Echt.’
‘Hm.’
‘Je hebt talent, dat weet je. Dat komt altijd bovendrijven, geloof me nou.’
Ze zegt niks.
De radiodeejay houdt zijn woord en start een wereldhit in. Take On Me, van A-ha. Ik tik het intro mee op het stuur.
‘Hebben we wel een paraplu bij ons?’ vraagt ze. ‘Heb jij daar aan gedacht?’
‘Een wijs iemand zei eens dat je veel van man kan zeggen over de manier hoe hij omgaat met een regenachtige dag, zoekgeraakte bagage en in de war zittende kerstboomlampjes.’
‘Wil je nu zeggen dat we ook nog onze koffers kwijt zijn?’
Ik lach, hou er van hoe gevat ze uit de hoek kan komen.
‘Ik heb een paraplu in de achterbak gegooid. Dat van die kerstboomlampjes bewaren we tot na Sinterklaas, als je het niet erg vindt.’
Ze lacht. Eindelijk.
‘Had ik je destijds toch goed ingeschat.’
‘En dat zonder de pingpongballetjesvraag. Gelukkig had je ‘m niet intern opgelost.’
‘Martijn!’ roept ze hard. ‘Als Hans dit hoort!’
‘Geintje, kan je broer wel hebben. Al hoewel, zoals ik hem vorig jaar met die kerstboomlampjes in de weer zag, weet ik dat ook niet meer zeker.’
‘Wat een flapdrol ben je ook.’
We nemen de rotonde driekwart en slaan na 400 meter linksaf.
Was Promised You A Miracle van Simple Minds echt zo’n grote hit?
De rechterbanden door een grote plas. Geen fietser op het fietspad. Toch jammer.
‘Denk je echt dat ik talent heb?’ vraagt ze.
‘Ja, dat weet je toch,’ antwoord ik.
‘Echt of zeg je dat alleen omdat je mijn vriend bent?’
‘Echt.’
‘Oké.’
We komen in de buurt. Het moet hier ergens aan de rechterkant zijn.
‘Het heet De Krimphof,’ zeg ik. ‘Het zit aan de even kant. Nummer 46.’
Stapvoets over de natte straat.
‘Daar is het,’ zegt ze. ‘Bij dat grote bord met De Krimphof erop.’
‘Logisch.’
‘Maakt niet uit,’ zegt ze. ‘Zo hebben we allemaal onze kwaliteiten. Jij schijnt heel handig te zijn met kerstboomlampjes.’
De sfeer zit er gelukkig weer goed in.
We draaien het terrein op en ik zet Gold van Spandau Ballet af. Always believe in your soul en zo is het maar net.
‘He kijk,’ zegt ze triomfantelijk. ‘Ze hebben een pingpongtafel. Leuk voor in de regen.’

Standaard