Verhaal #185 • Afgesproken thema: Paranoia

Van rubber

Op zaterdagen liepen we ernaartoe. Er was niet veel: een schommel, een houten huisje op felblauwe palen, een glijbaan, een klein klimrek.

>Alles was neergezet op van die zachte tegels, die er vanuit de verte uitzien als van steen, maar eenmaal dichterbij gekomen van rubber blijken te zijn. Aan de zijkant stond een bankje. Daar ging ik zitten.
Ik liet Robin los – ik had hem eerst goed vastgehouden bij het oversteken – en hij liet mij los. Hij rende altijd meteen naar het huisje. Daar zag hij steevast het trappetje over het hoofd en probeerde hij via de glijbaan omhoog te klimmen. Hij ging onderaan zitten, zijn knietjes op het glimmende metaal, hield met zijn handen de zijkant vast en klauterde zo naar boven. Met zijn schoenen zette hij zichzelf klem, zodat hij niet terug kon glijden.
Ik zat, en ik keek naar hem. Hij keek vaak terug. Stak zijn hoofd uit het raampje van het huisje. Zijn linkerwant bungelde omlaag aan het touwtje dat uit zijn mouw stak.
Het waren gelukkige momenten, wanneer we daar waren, ik op het bankje en hij in het huisje, en het voelde goed dat hij af en toe de tijd nam om me aan te kijken, alsof hij wilde controleren of ik niet was weggelopen, en hij leek altijd blij als ik dat inderdaad niet gedaan had. Ik zat er nog, te wachten, niets anders, te kijken, naar de kleine krulletjes en het bungelende wantje.
Op momenten dat we geen oogcontact hadden, groeide de schaamte. Dan was ik een man die in zijn eentje bij een speeltuin zat. Ik had altijd Robins paspoort bij me. Het zat in mijn binnenzak. Soms voelde ik de aandrang het te tonen aan mensen die er niet om gevraagd hadden. Iemand die vlakbij zijn auto aan het wassen was, of de krantenbezorgster die steevast net iets langzamer langsliep als ze me zag zitten.
Als het warm was, nam ik een boek mee. Maar als ik dan te lang mijn blik omlaag had, op het papier, riep hij me. ‘Papa!’. Dan keek ik op, maar een mededeling had hij niet. Ik was er even niet bij geweest, dus hij wilde dat ik opkeek. ‘Papa!’, en dan speelde hij weer verder.
In het begin was ik bang geweest dat hij zou vallen, zich zou bezeren, maar dat duurde niet lang. Hij was erg voorzichtig in alles, deed het in kleine stapjes. Robin speelde in de speeltuin alsof hij langzaam terrein veroverde op een onzichtbare vijand, geduldig, kruipend, de gevechtslinie verleggend. Later leverde hij het overwonnen gebied weer in, even aarzelend als hij het ingenomen had. Hij rende niet, zijn veters waren nooit los, hij struikelde zelden. Hij had minder blauwe plekken en schaafwonden dan de andere kinderen.
Hij was meestal degene die besloot dat we weer naar huis gingen. ‘Het is wel klaar,’ zei hij dan. Ik nam aan dat hij dat zinnetje een keer van mij had opgepikt. Hij keek dan de speeltuin rond, alsof hij hem zelf gemaakt had en nu aan de koper opleverde. Onderweg hield hij mijn hand vast, omdat hij wist dat dat moest bij het oversteken.
Zo deden we dat, toen, waar de stenen van rubber waren.

Door: Peter Zantingh
Auteur van ‘Een uur en achttien minuten’ (De Arbeiderspers)



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard