Paranoia

Van rubber

Op zaterdagen liepen we ernaartoe. Er was niet veel: een schommel, een houten huisje op felblauwe palen, een glijbaan, een klein klimrek.

>Alles was neergezet op van die zachte tegels, die er vanuit de verte uitzien als van steen, maar eenmaal dichterbij gekomen van rubber blijken te zijn. Aan de zijkant stond een bankje. Daar ging ik zitten.
Ik liet Robin los – ik had hem eerst goed vastgehouden bij het oversteken – en hij liet mij los. Hij rende altijd meteen naar het huisje. Daar zag hij steevast het trappetje over het hoofd en probeerde hij via de glijbaan omhoog te klimmen. Hij ging onderaan zitten, zijn knietjes op het glimmende metaal, hield met zijn handen de zijkant vast en klauterde zo naar boven. Met zijn schoenen zette hij zichzelf klem, zodat hij niet terug kon glijden.
Ik zat, en ik keek naar hem. Hij keek vaak terug. Stak zijn hoofd uit het raampje van het huisje. Zijn linkerwant bungelde omlaag aan het touwtje dat uit zijn mouw stak.
Het waren gelukkige momenten, wanneer we daar waren, ik op het bankje en hij in het huisje, en het voelde goed dat hij af en toe de tijd nam om me aan te kijken, alsof hij wilde controleren of ik niet was weggelopen, en hij leek altijd blij als ik dat inderdaad niet gedaan had. Ik zat er nog, te wachten, niets anders, te kijken, naar de kleine krulletjes en het bungelende wantje.
Op momenten dat we geen oogcontact hadden, groeide de schaamte. Dan was ik een man die in zijn eentje bij een speeltuin zat. Ik had altijd Robins paspoort bij me. Het zat in mijn binnenzak. Soms voelde ik de aandrang het te tonen aan mensen die er niet om gevraagd hadden. Iemand die vlakbij zijn auto aan het wassen was, of de krantenbezorgster die steevast net iets langzamer langsliep als ze me zag zitten.
Als het warm was, nam ik een boek mee. Maar als ik dan te lang mijn blik omlaag had, op het papier, riep hij me. ‘Papa!’. Dan keek ik op, maar een mededeling had hij niet. Ik was er even niet bij geweest, dus hij wilde dat ik opkeek. ‘Papa!’, en dan speelde hij weer verder.
In het begin was ik bang geweest dat hij zou vallen, zich zou bezeren, maar dat duurde niet lang. Hij was erg voorzichtig in alles, deed het in kleine stapjes. Robin speelde in de speeltuin alsof hij langzaam terrein veroverde op een onzichtbare vijand, geduldig, kruipend, de gevechtslinie verleggend. Later leverde hij het overwonnen gebied weer in, even aarzelend als hij het ingenomen had. Hij rende niet, zijn veters waren nooit los, hij struikelde zelden. Hij had minder blauwe plekken en schaafwonden dan de andere kinderen.
Hij was meestal degene die besloot dat we weer naar huis gingen. ‘Het is wel klaar,’ zei hij dan. Ik nam aan dat hij dat zinnetje een keer van mij had opgepikt. Hij keek dan de speeltuin rond, alsof hij hem zelf gemaakt had en nu aan de koper opleverde. Onderweg hield hij mijn hand vast, omdat hij wist dat dat moest bij het oversteken.
Zo deden we dat, toen, waar de stenen van rubber waren.

Door: Peter Zantingh
Auteur van ‘Een uur en achttien minuten’ (De Arbeiderspers)

Standaard
Paranoia

Waarheid als een dode koe

Bob van Dopdiever was zo’n man die overal wat achter zocht. Niemand was te vertrouwen en zijn eigen waarneming bepaalde de norm voor zijn mate van gelovigheid.

Zo wantrouwend was Bob van Dopdiever niet altijd geweest. Niet eens zo lang geleden werd hij in huiselijke kring zelfs als goedgelovig bestempeld. Voorbeelden te over. Zo reed hij eens een week lang rond in een gestolen Peugeot 305 met semi-automatische deurvergrendeling en een haperende radio. Dat van gestolen zijn en een slechte ontvangst van Qmusic, wist Bob van Dopdiever. Maar dat de uitlaat ook nog eens drie jaar ouder bleek te zijn dan vermeld in de advertentie deed hem pijn.
Maar dat soort strapatsen waren al spoedig verleden tijd. Hulp in de goede richting kwam uiteindelijk van dichtbij, van zijn nichterige buurman Fabiola de Waerde.
Het was tijdens de jaarlijkse straatbarbecue en Bob van Dopdiever had net zijn verkoolde burger opgehaald. Met het zwarte, warme vlees nog tussen zijn tanden en een paar ferme slokken alcohol in de bloedbaan, raakte hij in gesprek met de voor straatbarbecue-begrippen wel erg uitdagend geklede nichterige buurman.
“Zeg buurmannetje, kom je hier vaker?” vroeg hij smakkend aan Fabiola de Waerde.
“Als liefhebber van warm vlees niet vaak genoeg, schat,” antwoordde deze even gevat.
Jarenlang woonde de mannen al naast elkaar, maar nog nooit waren er meer dan vijf woorden uitgewisseld tussen beide. Conflicterende agenda’s, andere opvattingen betreffende de beste tijden om buiten te zitten, verschillende levensritmes: het kwam er gewoon nooit van.
Deze avond luidde de verandering in.
Terwijl de andere buurtgenoten zich tegoed deden aan een door de sympathieke slager Arend Statenmaker aangeboden veestapel, lieten Bob van Dopdiever en de nichterige buurman Fabiola de Waerde een scala aan gespreksonderwerpen de revue passeren. Waarom het in deze crisistijd nog wel elke dag van de week een drukte van belang is in de Mediamarkt op de Arenaboulevard. Wie ook al weer de derde editie van Idols had gewonnen. En of je ooit echt kunt wennen aan smeerkaas als je jarenlang met je volle verstand kaas hebt geschaafd.
Trivialiteit ten top zal de gemiddelde NRC lezer het noemen, maar voor Bob van Dopdiever en zijn nichterige buurman Fabiola de Waerde was het wel degelijk van belang deze onderwerpen eens goed aan te snijden op de jaarlijkse straatbarbecue.
Een opmerking van Fabiola de Waerde in de kaaskwestie, deed Bob van Dopdiever ineens twijfelen over alles waar hij in geloofde.
“En dan zijn er ook nog mensen die menen dat er echte kaas op die cheeseburgers van McDonalds zit,” had de nichterige buurman nonchalant gezegd tussen twee muizenhapjes dode koe door.
Dat kwam hard aan bij Bob van Dopdiever. Hij dacht dat ook.
Bij thuiskomt, rond een uur of 6 in de ochtend; er was vreselijk veel koe, sloeg Bob van Dopdiever er meteen Wikipedia op na. Eerst de Nederlandse pagina en daarna, het zeker voor het onzekere nemend, ook de Engelse.
“Verduiveld,” mompelde hij, “mijn nichterige buurman Fabiola de Waerde heeft nog gelijk ook.”
Daarna sloeg hij de laptop dicht en legde hij de niet opgekomen stukken vlees van de laatste koeien op alfabetische volgorde in het vriesvak.
“Probeer nu nog maar eens lekker te slapen, Bobje,” zei hij tegen zichzelf in de spiegel bij het wassen van zijn weliswaar jeugdig, maar zeker niet minder aangeslagen gezicht. “Wat houden de McDonaldsen van deze wereld nog meer voor ons eenvoudige burgers verborgen? Ik kan nu bijna met volle zekerheid zeggen dat alles waar ik in geloofde, inmiddels wankelt op zijn eens zo stevige grondvesten. Tot wie kan ik mij nog in goed vertrouwen keren? Wie leidt mij uit deze onzekerheid? Zeg het mij, o, zeg het mij.”
Liggend onder zijn dekbed dwaalden zijn gedachten af naar de netjes op alfabet gesorteerde delen dode koe in zijn vriezer. Slager Arend Statenmaker was een sympathiek en betrouwbaar dorpsgenoot met veel voorkeursstemmen in de afgelopen verkiezingsperiode, maar wie kon hem, met de opgedane kennis van nu, recht in zijn weliswaar jeugdig, maar niet minder aangeslagen gezicht zeggen dat de vriezerkoeien inderdaad aan ongeneselijke ouderdom waren gestorven? Ineens was het allemaal glashelder. Alles, maar dan ook alles, was een groot complot om hem, de eens zo zorgenvrije Bob van Dopdiever, kapot te maken.
“Ik geloof niks meer,” zei hij hardop in de tegen het daglicht vechtende slaapkamer. “Alleen wat ik met mijn eigen ogen zie, is waar. Wat ik niet zie, bestaat niet en is nooit gebeurd.”
“En gelijk heb je,” antwoordde zijn poedelnaakte, nichterige buurman Fabiola de Waerde.

Standaard
Paranoia

Niet alleen

“Ik ben Jimmy Today, een Amerikaanse blues artiest,” roep ik vlak voordat ik plaatsneem.

Een deel van mijn publiek op het terras van een café aan de Rozengracht knikt bewonderenswaardig. Ik zit met mijn rug tegen de bank onder het raam, zodat ik alleen voor me hoef te kijken. Binnen zit niemand.
“In 2008 ben ik overgekomen vanuit De States. Man, wat is het herfsty weer uit hier,” zeg ik uit luid. De gitaar staat onrustig in zijn stoel, met zijn hals tegen de tafel, alsof hij bang is nooit meer gebruikt te worden. Ik zet de hoed iets schuiner op mijn hoofd. Ik kijk links, ik kijk rechts. Niemand te zien.
“Straks ga ik even naar de platenwinkel hier verderop,” zeg ik tegen de dame het meest tegenover mij. “Signeren.”
“Ken jij hem?” zegt ze tegen haar tafelgenoot. Ik ben verbaasd dat ze me niet herkent.
Bij de waitress wil ik iets bestellen. Een whisky. Ja, een whisky kan wel. Ik kijk rechts, ik kijk links en weer rechts. Niks.
“Ik kan niet meer terug. Iemand zoekt mij,” zeg ik tegen de twee ladies. Ik haal de sigaret uit de leren jas om mijn schouders en loop naar een rokende man voor een lichtje. Terwijl hij de aansteker voor mijn gezicht houdt neem ik de hoed af, maak een lichte buiging en probeer nonchy een hand door het veel te vette haar te halen. Terwijl ik dat doe kijk ik hem lang aan, maar hij maakt geen move. Het is niet één van hen. Ik kijk over mijn rechterschouder, ik kijk over mijn linkerschouder. Er zijn teveel mogelijkheden nu. Terug naar de bank bij het raam.

“Waitress! Hey! Kan jij checken of er iemand voor me gebeld heeft?”
Ze knipoogt naar me en zegt: “Maar natuurlijk, meneer Today. Ik ben zo terug.”
Ik kijk vooruit. Geen enkel teken van Michael of David, dus voorlopig ben ik hier wel veilig. Ik zie de twee vrouwen vragend naar me kijken. Ze willen natuurlijk weten waarom ik niet terug kan en wie mij zoekt. Ik wil het best uitleggen, maar ik weet niet of ik ze kan vertrouwen, ze letten wel erg veel op me. Ik ga eerst wel even naar de wc. Als niemand me volgt, zal ik ze het vertellen. Ik kijk links, rechts en sta op. Dan loop ik naar binnen, om voor ik de trap afdaal nog even om te kijken. Ik controleer, trede voor trede, de trap op camera’s. Langs de leuning lopen geen wires. Ik doe mijn behoefte in een urinoir – dat is veiliger dan opgesloten in een hokje – met mijn hoofd constant over mijn schouder. Ik loop de trap weer op. Op het moment dat ik de laatste trede raak, hoor ik: “Daar is-ie!”
Achter mij klinkt Michaels stem en ik weet dat het over is. Ik laat mijn hoofd hangen. Kijk niet om. Niet links, niet rechts. Langzaam draai ik om. Volgens mij praat hij nu tegen mij, maar ik heb mijn handen op mijn oren en schud hard mijn hoofd heen en weer. Ik hoor flarden van wat hij zegt. Iets over dat de gitaar terug moet. Hij pakt mijn rechterhand vast, waardoor ik “Gerben, je weet dat je niet meer alleen weg mag” en “David en de anderen waren ook ontzettend ongerust” wel meekrijg. Mijn hand laat hij niet meer los. Tegen de serveerster zegt hij: “Bedankt voor het bellen. Heeft hij voor veel overlast gezorgd?”

Standaard
Paranoia

Tijdelijk baantje

Er is deze week iets verkeerd gegaan; ik ben pleinwacht op een schoolplein.

En ik houd niet eens van kinderen. Maar ik kon niet weigeren. Als ik zou weigeren zou ik een ‘ondankbare werkloze’ zijn, op de respectsladder nog net boven ‘criminele Marokkaan’. En ik ben niet ondankbaar. Zeker niet. Maar een snotterig jongetje van acht dat zich huilend tegen je aan drukt omdat iemand een knikker van hem heeft gewonnen, die zou ik het liefst bij z’n enkels pakken en in de groene container dumpen. Ik probeerde dat nog uit te leggen aan Janine, maar ze zei dat ik er gewoon even aan moest wennen en dat het dan vanzelf goed zou komen. Kinderen zijn een wonder en dat zou ik vanzelf begrijpen. Alvast heel erg bedankt, zei ze ook. Zelf gaat ze de vrijgekomen middagen besteden aan haar modeblog. Het schijnt dat het internet enorm zit te wachten op JanineJasmine.tumblr.com, omdat ze zo creatief is. Het internet is nog heel erg op zoek naar die creativiteit, zei ze. Ik moest maar naar nu.nl kijken, hoe saai dat is. Dat kan zij veel leuker maken. Met kleurtjes en zo.

Week twee van mijn pleinwachterij. Langzaam begint het wat te wennen. Ik heb ondertussen vier kinderen met een ondergeplaste broek naar het toilet geleid en verschoond, twee met hoofdwonden naar de EHBO-er gebracht en tweeëndertig snotneuzen tegen m’n jas aangedrukt gekregen. En ik zeg bewust wennen, want ik ben niet opeens meer van kinderen gaan houden, of zo. Die Janine kan me meer vertellen. Over Janine gesproken, ik heb het gevoel dat ze helemaal niet aan het bloggen is, maar mij controleert. JanineJasmine.tumblr.com is nog steeds leeg, terwijl ik zo nu en dan het gevoel heb dat ik word bekeken. En als ik me opeens naar de parkeerplaats naast het plein draai zie ik soms iets wegschieten. Het zal Janine wel niet zijn, die heeft veel creatievere dingen te doen, dat weet ik ook wel, maar wat als ze het toch is? Waarom controleert ze mij? Haat ze me? Vind ze dat ik het allemaal niet kan?

Week drie. Ik heb besloten Janine een poepje te laten ruiken. Ik ga die snottebellen eens even laten zien wie hier de pleinwacht is. Geen snotneus zal me teveel zijn. Kom maar op met die plasbroeken. Wat zeg ik? Kom maar op met die poepbroeken!

Week zes alweer. Ik heb al twee weken niet gesolliciteerd. Al mijn tijd gaat nu in het pleinwachten. ’s Ochtends vroeg hardloop ik de slaap uit m’n lijf, dan ga ik tot drie uur naar de school en daarna lees ik verder in vakliteratuur. Om zeven uur ga ik eten maken, dan ontspan ik van negen tot elf met de dames van het pleinwachtforum en dan begint de dag weer opnieuw. Ik heb het idee dat Janine me wel geloofd. Ik zie niemand meer wegduiken achter auto’s en op JanineJasmine.tumblr.com verschijnt de ene na de andere treurige creatie. Gemiddeld twee notes per uiting, wat ik nog aan de hoge kant vind. Zolang ze maar niet denkt dat ik nu ga verslappen. Dat wil ze juist. Ze geeft me een vals gevoel van veiligheid, zodat ik de eerstvolgende calamiteit op het plein verpest en ze triomfantelijk tevoorschijn kan stappen. Nou, dat gaat dus niet gebeuren. Not on my watch.

Standaard