Kapper

Zand

Hij kan niet languit op een handdoek liggen. Eerst moet hij op verkenning gaan, wennen aan deze hitte, de beste plekjes in de buurt ontdekken. De zon staat hoog, maakt de schaduw schaars. Het strandzand is gloeiend heet, brandt aan zijn blote voetzolen. Michiel wandelt met snelle passen, op zoek naar een plekje in de schaduw waar hij zijn sandalen weer aan kan trekken.
Tientallen rieten strandstoelen staan mooi gerangschikt in rijen. De parasols willekeurig, toch systematisch verspreid. Op een van de lege strandstoelen gaat hij zitten. Vrijwel meteen cirkelt er een Spanjaard met een buidelzakje rond. Hij wil acht euro.
Michiel heeft zichzelf voorgenomen niet stil te staan bij wat de dingen hier kosten. Zolang hij zich goed voelt, is geld niet van tel.
Hij staat op, gaat even verderop in het natte zand zitten om zijn sandalen aan te trekken, naast een vrouwtje dat op haar rug ligt te lezen. Ze houdt het boek tegen de zon in, de schaduw valt net op haar gezicht. Haar borsten hangen aan weerskanten van haar lichaam, werpen twee schaduwen op de handdoek, net groot genoeg om aan de ene kant haar telefoon en aan de andere kant een blikje cola koel te houden.
Michiel woelt met zijn handen in de bodem tot er zich een plasje water vormt. Vandaag zal hij zichzelf onder handen nemen, zijn haren laten knippen. Op sommige delen van zijn hoofd zijn ze brozer geworden, de dikke haarbos waar hij zo vaak complimenten over kreeg, trekt zich langzaam terug, zijn leger laat hem in de steek.
Traag wandelt hij naar de dijk, naar de straat waarvan hij zich kan herinneren dat er een kapsalon zit. Na een honderdtal meter kijkt hij om, naar de vrouw van daarnet. Ze is rechtgestaan om haar handdoek te verplaatsen, op de vlucht voor het water dat langzaam oprukt. Haar borsten zwiepen heen en weer. Twee ajuinen in een sok, met dat speeltje kon Michiel de hond urenlang afleiden.

Hij kan kiezen tussen een tot kapsalon omgebouwde woonkamer die blijkbaar ook dienstdoet als wassalon en juwelenwinkel, of een donkere, kleine zaak waarvan de gevel bespoten is met graffiti en waar een bureaustoel als kappersstoel dient.
Het kappersmeisje heeft blauwgekleurde haren en stretchers in haar oren. De buiging waarmee ze Michiels koffie neerzet op het bijzettafeltje naast de bureaustoel ontbloot de piercing in haar onderrug, een ijzeren staaf met aan weerszijden ijzeren bollen, tien centimeter boven het staartbeen.
Michiel kijkt in de spiegel door de gaten in haar oorlellen heen naar de reflectie van zijn eigen achterhoofd, in de tegenovergestelde spiegel. Er is een oneindige rij ruggen te zien, de breedte tussen zijn schouders krimpt in elke reflectie tot hij in de verte een streepje wordt, te klein en te saai om licht te reflecteren, niet meer van de dunne zwarte kammetjes en haarspelden te onderscheiden. Michiel had gedacht dat bredere ruggen er langer over doen om te verdwijnen, maar de smalle rug van de kapster vervaagt gelijktijdig met de zijne.
Het getatoeëerde meisje wuift met haar handen door de pluk die op zijn voorhoofd achterbleef, schudt de haren op alsof het om een kopkussen gaat dat in de slaap werd platgedrukt en door het schudden weer eindeloos veel kanten blijkt te hebben, terwijl er bij Michiel maar twee mogelijkheden resten. Van nature uit valt het haar naar links, maar hij kan het ook naar rechts kammen, zo lijkt het of hij meer haar heeft.
De kapster rolt haar mouwen op. Michiel weet niet hoe hij haar duidelijk moet maken wat voor kapsel hij voor ogen heeft. Tijdens het wachten liet hij ezelsoortjes achter in een tijdschrift. Hij toont haar de prent van de donkere man in het witte ondergoed, met zwarte bakkenbaardjes en getrimd borsthaar.
De vrouw werpt een blik op de foto en rolt Michiel zijn stoel zonder iets te zeggen naar de wasbekkens.

Door: Lize Spit

Standaard
Kapper

Herenkapper in Amsterdam West: deel III

Ditmaal een verhaal dat behoort in een reeks. Eerder schreef ik twee stukken over mijn ervaringen bij Theo: een authentieke, Amsterdamse herenkapper. Deel I vind je hier en deel II kan je hier lezen. De namen in deze reportages zijn in verband met privacy van de betrokkenen gefingeerd.

Afgelopen week begaf ik mij weer richting Theo, verderop bij mij in de straat. Voor degenen die hem niet kennen: Theo (62) is herenkapper en geboren in de kapperszaak in Amsterdam West, een familiebedrijf. Hij heeft een uitgesproken mening en verwoordt die vaak op typische wijze.

Het is omstreeks vijf uur en ik loop naar de kapper, schuin tegenover het Erasmuspark. Ik stap de zaak binnen. Er is niemand, behalve Theo. Hij veegt met een bezem onzichtbaar haar over de vloer. Ik vraag of ik nog op tijd ben. “Ja, hoor, kom binnen.” Dat was ik al.
Hij vraagt of het weer eens tijd werd en ik antwoord met ja. Ik mag plaatsnemen in de stoel. Theo wil weten of ik hier ook in de buurt woon, wat hij de vorige keren ook al wilde. Ik vergeef het hem, het is immers al een tijd geleden dat ik hier ben geweest.
Hij komt over niet in goeden doen te zijn. Ik denk aan dat hij de vorige keer vertelde dat zijn vrouw net was overleden. Misschien is hij er nog veel mee bezig. Later blijkt dat niet echt het geval te zijn.

Theo vraagt hoe ik het hebben wil. Ik zeg dat ik de matvorming in mijn nek wil temperen, en voor de rest ‘alles wat netter’. “Komt voor de kapper,” grapt hij.
Daarna loopt het een beetje uit de hand.
Hij vraagt of ik al lang in de buurt woon en voordat ik geantwoord heb, begint hij al over Marokkanen in de buurt. Dat hij laatst ruzie heeft gehad, voor de coffeeshop.
“Ik reed mijn met mijn scootertje en daar liepen er twee voor me op de weg. Dus ik toeter, maar ze gingen niet aan de kant. Reed ik er zo één van zijn sokken.”
Ik knik – wat kan ik anders? – en vrees voor het vervolg. Op dat moment komt er een nieuwe klant binnen, die knikt en op een stoel achterin de zaak plaatsneemt. Hij valt midden in het verhaal.
Theo vertelt dat ze op hem af kwamen, hij zijn helm afzette en er de kaak van één van de jongens mee brak. Dat er Marokkanen uit de coffeeshop kwamen, die hem kennen en hem tegenhielden voordat hij de jongen doodsloeg. En dat er gelukkig geen politie bij is gekomen. Anders was het misschien wel anders met hem afgelopen. Ik knik niet.
“Hoofd voorover, zei ik.”
Het duurt even voor ik doorheb dat dit voor mij bestemd is.

Hij vertelt ineens dat hij een vriendinnetje heeft en dat ze boven staat te koken. Voor iemand die de een paar maanden geleden nog zo overstuur was na het overlijden van zijn vrouw, vind ik dat vrij snel. Maar wie ben ik om daar over te oordelen? Ik gun hem geen eenzaamheid of een overdaad aan lastige klusjes.
“Wat vind je ervan?” vraagt Theo. Hij houdt een spiegel achter mijn hoofd. Ik knik. Prima. Als ik wil afrekenen, blijkt dat je in de zaak niet kan pinnen. Hij vertrouwt mij genoeg om me naar een pinautomaat bij de Albert Heijn te laten lopen. Ik peins er ook geen moment over de benen te nemen. Ik heb die helm zien liggen. Zo snel als ik kan loop ik terug, geef Theo zijn geld en ga naar huis.

Standaard
Kapper

Omdat alles ineens zo verschrikkelijk anders is

‘Kap er maar gewoon mee. Moet toegeven dat ik dat best weleens heb gedacht.’

Ze kijken elkaar aan en een paar meter verderop sluit de sprinter naar Utrecht zijn deuren.
‘Maar die oplossing zou te makkelijk zijn.’
Ze knikt.
De trein trekt op.
‘Tijdens mijn vakantie heb ik me voorgenomen voor je te vechten,’ zegt hij. ‘Dobberend in de Middellandse Zee, honderden kilometers van je vandaan, heb ik hardop tegen mijzelf gezegd dat jij het waard bent.’
Vlak naast hun wordt een vouwfiets uit zijn bewuste kreukels gehaald.
‘Ik weet het gewoon niet,’ zegt ze. Haar stem is zacht, haar ogen zijn waterig. ‘Ik ben bang dat het niet zal werken.’
Een goederentrein dendert door het station. Bestemming onbekend. Het schelle geluid van zwaar metaal op metaal maakt spreken voor even onmogelijk. Maar dat is niet erg.
Hij kijkt in haar ogen. Die ogen waar hij zo vaak en lang in heeft gekeken. Bij hem thuis. In het park. Op het terras. In het Rijksmuseum.
Maar nu is alles ineens anders. Verschrikkelijk anders.
Ze wendt haar blik af, naar de grond. Hij wil haar in zijn armen nemen. Een kus geven op haar voorhoofd. Zeggen dat alles goed komt, als we er maar in blijven geloven.
Maar hij zwijgt.
‘Het spijt me,’ fluistert ze als de goederentrein het station is gepasseerd. ‘Het spijt me zo. Ik weet het gewoon niet.’
Hij speelt met het touwtje van zijn jas. Woorden zijn op. Misschien is hij toch geen vechter.
Een trein heeft vertraging, wellicht de zijne.
Ze richt haar hoofd op en kijkt hem aan. Met haar hand veegt ze een traan uit haar rechteroog. En dan uit haar linker. Ze kan het niet bijhouden. Het is een spel dat ze niet kan winnen.
Hij laat het touwtje van zijn jas los. Zijn handen voelen ineens vreselijk overbodig. Zijn handen die altijd zo lekker warm zijn dat zij het gekscherend een van zijn beste eigenschappen noemde en waarop hij antwoordde dat hij dat dan maar op zijn CV moest zetten. Die handen willen zo graag nu die van haar pakken. In deze klotestad, op dit klotestation, op deze kloteavond.
Maar hij kan het niet. Omdat alles ineens zo verschrikkelijk anders is.
Een zucht verraadt zijn machteloosheid.
‘Het voelt alsof mijn hart zojuist door die goederentrein is meegenomen,’ fluistert hij.

Standaard
Kapper

Adrenalinejunkie

Mensen vragen mij vaak of ik wel tegen de tijdsdruk kan. Of ik niet kapot ga van de stress omdat ik in zo´n korte tijd zo´n topprestatie moet leveren.

Eerlijk gezegd doet het me weinig. Ik ben nou eenmaal een adrenalinejunkie. Als baby zat ik het liefst op de schouders van mijn vader, als peuter kleurde ik niet met mijn handen, maar met mijn voeten en als kleuter sprong ik, het gevaar minachtend, met mijn fietsje van de stoeprand bij het veldje. Wel met zijwieltjes natuurlijk. Van jongs af aan zocht ik naar manieren om mijn leven spannender te maken. Ik ging niet naar de basisschool in mijn geboortestad Drachten, maar fietste iedere dag naar Groningen. Op de middelbare school koos ik voor Latijn en Kickboksen als keuzevakken en toen het tijd was om te gaan studeren besloot ik eerst een halfjaar door België te trekken. De dingen die ik daar gezien heb gaan iedere verbeelding te boven.

Dat ik nu doe wat ik doe komt voor mij niet als een verrassing. Ik zag de vacature voorbijkomen en dacht meteen ´dit ben ik´. Dat heb je soms, met banen, dat je direct doorhebt dat ze voor jou zijn bedoeld. Ik moest natuurlijk wel fors bijscholen. Ik had hier niet voor gestudeerd en dat merkte je ook wel aan mijn techniek. Ik was gewoon slordig. Slordig, maar vastbesloten. Ik moest en zou die baan krijgen. Maanden heb ik geleerd en geoefend. Kilo´s materiaal erdoorheen gejaagd en uiteindelijk zelfs een tweede hypotheek moeten nemen. Dit was natuurlijk nog in de tijd dat banken dat aandurfden.

En nu sta ik elke ochtend om zes uur op om naar m´n topbaan te gaan. Koffie pakken, spulletjes in de auto en rijden maar. De straten van Madrid zijn dan nog redelijk rustig. Genieten hoor, in Spanje mogen werken. Altijd lekker warm, behalve in de winter, haha. Mooie mentaliteit ook. Niet zo druk als wij kaaskoppen. Al kan ik het in mijn werk goed gebruiken, dat energieke.

Meestal besteed ik wel een uurtje of tien aan de voorbereiding van die dag. Inlezen, trends spotten, aanvoelen wat de publieke opinie doet, spullen klaarzetten, voor je het weet is het al zes uur en wordt het langzaam tijd om echt aan de slag te gaan.

Die lange dagen zijn voor mij puur genieten. Maar het zijn die laatste twee uur die het werk echt de moeite waard maken. Dan is het zweten, knallen, beuken. Als het werk dan gedaan is heb ik 45 minuten pauze. Daarna weer een kwartiertje alles geven en dan ben ik echt klaar en kan ik naar huis om te slapen. Ondertussen heeft de hele wereld mijn werk gezien. Daar doe ik het voor.

Het is hard werken, maar ik zeg het met enorme trots:

Ik doe het haar van Christiano Ronaldo.

Standaard