Luiheid

Genetisch belast

Het ritme van haar voetstappen op de trap, de sleutel in het slot.

Ze doet de deur open en er klinkt het geluid van plastic tassen die tegen elkaar schuiven, zij die haar keel schraapt – waarschijnlijk niet vanuit fysieke noodzaak maar omdat ze hem wil duidelijk maken dat ze er is, dat ze weet dat hij wakker is, dat hij als de donder uit bed moet komen om haar, zijn zús, niet zomaar iemand!, te begroeten. Haar twee, drie pogingen om de deur normaal dicht te doen en daarna een luide klik waarin haar irritatie doorklinkt als ze besloten heeft om kracht te gebruiken en het rotding dicht te slaan.
Het is altijd pas als zij in de hal staat dat hij de vlekken op zijn dekbed ziet, de borden in zijn vensterbank, de vuile was die overal door de kamer verspreid ligt en meteen in gedachten in háár huis is, waar de ramen altijd net gelapt zijn, waar je je schoenen uit moet doen voordat je naar binnen mag. Waar je de nietmachine kunt vinden in de doos met het label ‘kantoorartikelen’.
Behalve de kleur van zijn ogen en een voorkeur voor problematische liefdespartners –en het is te betwijfelen of dat überhaupt genetisch bepaald wordt –heeft hij niets van hun moeder, niet haar zorgvuldigheid, niet haar glanzende haar, niet haar tomeloze energie. Zijn zus heeft het allemaal wel. Misschien komen zijn nalatigheid en gebrek aan persoonlijke hygiëne van vaders kant, wie zou het zeggen. Als hij de man ooit ontmoet zal hij het aan hem vragen.
“Je moet dat slot echt eens laten maken.”
“Hm?” hij rolt zich om, doet alsof ze hem wakker heeft gemaakt, speelt het toneelstukje van in zijn ogen wrijven, uitrekken, gapen, terwijl zij de ramen openzet en klaagt dat het stinkt. Ze hangt haar jas over een stoel en maakt ruimte op zijn bed om te gaan zitten, waarvoor ze wel eerst een berg kleren opzij moet schuiven, of in haar geval opvouwen, natuurlijk.
“Vinden je huisgenoten dat niet erg, al die rommel?”
“Nah.”
“Ik heb wat dingen voor je meegenomen die misschien wel handig zijn.” Ze begint de inhoud van de plastic tassen op en naast zijn bed uit te stallen en bij alles noemt ze op wat het is, alsof het feit dat hij om half twee ’s middags nog in bed ligt betekent dat hij achterlijk is. “Dit is een wasmand. En ik had nog een labelmaker liggen.”
“Nou! Een labelmaker nota bene!”
“Hou op. Heb je een plekje waar ik dit kan opbergen? Of moet ik ze gewoon bij de rest op de grond leggen?”
Ironie hebben ze wel allebei. Van moeders kant komt het niet, die kan niet met hun humor overweg. Ze begrijpt het gewoon niet. Dus, genetisch belast door De Grote Klootzak Die Zijn Kinderen Achterliet.
“Doe maar daarin of zo, als er plek is.” Hij gebaart naar de inbouwkast die op een kier staat, opengehouden door een verfrommelde chipszak. Als ze hem opentrekt valt er ratelend een rij pennen voor haar voeten.
“Wat is dit?” Ze heeft het niet over het schrijfgerei. Ze heeft het over wat ze de vorige keren heeft meegebracht, boekensteunen, een voordeelpak Cillit Bang, opbergdozen nog in de verpakking, alles netjes in de kast. De enige spullen die hij opruimt zijn de hare.
“Ik had het ook echt kunnen weten. Niks hiervan is gebruikt. Gewoon in de kast geflikkerd, hoppakee. Je heb waarschijnlijk geen idee dat je dit in huis hebt.”
“Ja sorry.”
“Ja sorry?”
“Ja, sorry. Het spijt me, oké? Ik ben je heel dankbaar en zo en ik ga het hier opruimen en al je handige spulletjes gebruiken. Dank je wel voor je zorgen.”
Ze zegt niks, begint de wasmand en labelmaker en al het andere weer in haar plastic tassen te stoppen, haar haren laat ze langs haar gezicht naar beneden vallen zonder ze achter haar oren te stoppen, zoals ze altijd doe als ze niet wil laten merken dat ze echt boos is. Hij draait zich om, gezicht naar de muur, deken tot onder zijn kin. Hij kan er ook niks aan doen. Het zit in zijn genen, hij is voorbestemd om te zijn zoals hij is. Als het iemands schuld is, is het die van hun vader. Zelfs zonder aanwezig te zijn weet die klootzak het voor elkaar te krijgen om zijn kinderen uit elkaar te drijven.

Door: Emma Verkuijl

Standaard
Luiheid

Het wachten waard

‘Ik ben niet laks. Ik ben soms gewoon lui.’

Ze verwerkt mijn woorden al roerend in haar thee. De blaadjes dwarrelen. Muntthee, je moet er maar van houden. Het is niet bepaald my cup of tea, als je begrijpt wat ik bedoel en dat doe je.
‘Wil best veel dingen doen, hoor,’ zeg ik. ‘Als ik er maar zin in heb.’
Geen reactie.
Een grote slok.
‘Niks laksigheid,’ zeg ik. ‘Echt niet.’
Ze knikt. Of ze me gelooft weet ik niet. Denk het wel, zag dat ze het VWO heeft gedaan en nu rechten studeert. Dan pik je best snel dingen op, lijkt me.
‘Mijn vader roept wel meer. Doet me allemaal niks.’
‘Eet je je koekje nog op?’
Ik schud nee en ze pakt ‘m al. Als-ie net zo belabberd smaakt als mijn koffie is ze er mooi klaar mee. De volgende keer zoek ik gewoon een café uit.
‘Ik ben anders niet degene die de hele dag thuis op z’n dikke reet uit het raam zit te loeren, hoor’
‘Mmhmm,’ zegt ze. Zo te zien is het koekje goed te doen. Of zou ze zo’n iemand zijn die alles wel eet? Nee, dan had ze dikker moeten zijn. Tenzij ze het allemaal meteen weer uitkotst. Die dingen gebeuren. Bij de normaalste mensen. Zie je niks van aan de buitenkant. Het is natuurlijk ook niet iets wat je lekker gaat lopen sharen op het internet, dat snapt iedereen.
‘Vind je mij laks?’ vraag ik.
Ze maakt haar wijsvinger nat en pikt er een ontsnapte kruimel mee op van het tafeltje. Niks, maar dan ook niks van het koekje mag verloren gaan. Ze is vast ook zo’n rare die een appel helemaal opeet, inclusief het ranzige klokhuis.
‘Neuh, niet echt,’ zegt ze dan. ‘Je bent toch ook vandaag hier heen gekomen?’
‘Precies. En ik was zelfs op tijd.’
‘Ja, je zat er al toen ik kwam aanlopen. Vind ik een mooie eigenschap voor een man. Geeft aan dat hij je speciaal vindt. Het wachten waard.’
Ik lach en zet mijn kopje iets te hard op het schoteltje. Gelukkig is de koffie zo slap dat-ie nooit schade zou kunnen aanrichten aan het aardewerk, zelfs niet als het van die goedkope Ikea-rommel is als dit.
‘Dat was gewoon toeval, hoor. Puur op de gok de tram gepakt. Geen zin om helemaal de reisplanner in te duiken.’
‘Oh,’ zegt ze. Meer niet. Het is weer eens iets anders, een meisje dat niet veel praat. Daar zou ik wel aan kunnen wennen. Of zou het zo’n binnenvettertje kunnen zijn? Een tobber. Die zijn eigenlijk nog erger. Ontploft het allemaal ineens en moet je duiken voor rondvliegend servies wanneer je eens een keertje voetbal wil kijken met je vrienden die je al nooit ziet. Leer mij de vrouwtjes kennen.
‘Wil je nog wat van die rare thee?’ vraag ik dan maar.
Ze schudt haar hoofd.
‘Misschien moet ik gaan,’ zegt ze.
‘Waarom? We zijn toch lekker aan het praten?’
‘Ik vond je online eigenlijk veel minder een zak.’
Ze staat op en doet haar jas weer aan. Het is menens, volgens mij. Duidelijk een meisje dat weet wat ze wilt. Dat bevalt me eigenlijk wel. Je weet wat je hebt aan die doortastende tiepjes.
Ik sta op en schraap mijn keel. Dan vraag ik: ‘Welke kant moet je op? Kan ik meerijden?’

Standaard
Luiheid

De grappigste man van Amsterdam

Thijs is de grappigste man van Amsterdam, maar het is drie jaar geleden sinds er iemand om hem heeft gelachen. De ironie daarvan ontgaat hem natuurlijk niet, maar hij heeft gewoon niet zo’n zin om de grap ook uit te spreken.

De laatste grap die Thijs maakte, op 14 juni 2010, ging over de moeder van Sven. Sven had gezegd: ‘Dit is wel één van de lekkerste worsten die ik ooit gegeten heb.’ Thijs’ reactie deed de kantine van assurantiekantoor BestWelVeilig BV schudden van het lachen. Zo’n makkelijk voorzetje kreeg Thijs daarna nog vele malen, maar de wil om er wat mee te doen ontbrak. Zo zei Sven eergisteren nog dat-ie z’n ogen vanochtend nauwelijks open kreeg.

Thijs fietst door Amsterdam en vindt het maar een rare stad. Zo ontdekte hij laatst dat tussen 11 en 12 ’s avonds Amsterdam van de Marokkanen is. Om 11 uur komen de Marokkanen tevoorschijn en dan gaan ze dingen doen. Ze staan bij zaakjes van andere Marokkanen of op de hoek of op de brug of ze lopen over de stoep en dan praten ze. Niet-Marokkanen zitten op dit tijdstip op de bank voor de tv.

Het erge is: hier zit een soort sketch in, weet onze komiek ook. Hij heeft geen zin. Hij kijkt televisie. In RTL Boulevard spuit Albert Verlinde zijn gal over journalisten die hem op een of ander compromitterend feestje hadden gefotografeerd. Albert vindt dat zijn privacy geschonden is. Thijs zapt verder. In het journaal stelt Mahmoud Ahmadinejad dat er geen homo’s zijn in Iran. Zap. Bij Geordie Shore maken twee supergespierde mannen zich klaar om uit te gaan door hun wenkbrauwen te waxen en elkaars haren te knippen. De tv gaat uit.

Thijs draait het sportkatern van het AD om naar de stripjespagina. Thijs ziet een strip van Dirkjan die kabouters pest en denkt even na. Dan draait hij de krant weer om en gaat een column van een of andere flutcommentator zitten lezen.

Toen z’n vrienden, en later zelfs z’n publiek, doorkregen wat er met Thijs aan de hand was, kwamen ze regelmatig langs om grappige opzetjes voor hem te maken, in de hoop dat hij er iets mee zou doen. Hij heeft in die tijd zo’n vijfenvijftig keer de vraag ‘het is groen en het glijdt van de berg af?’ gehoord, zesentwintig keer ‘waarom neemt een Belg een autodeur mee naar de woestijn?’ en honderdeenentachtig keer ‘trek eens aan mijn vinger?’.

Standaard
Luiheid

Het Grote Niets

“Kom eens een keer van die bank af, Bobby,” zegt ze vanuit haar luie stoel. Bobby is een twaalf jaar oude Franse bulldog met kanker in haast alle lymfeklieren.

Ook mist hij een oog. Bobby beweegt niet, Bobby ligt op een kussentje. Ze gooit een hand vol chips naar de hond, waarvan hij er twee likt.

Ze vindt zichzelf ziek. En ook al is ze misschien niet echt ziek, dan vindt ze dat iedereen recht op luiheid heeft. “Noem me Paul Lafargue,” mompelt ze een door de zon uitgelicht gordijn van rook in. Het is inmiddels middag geweest, maar dat doet er niet zo toe. Naar de winkel gaat ze niet meer vandaag. Die blijft dicht. Die vervloekte boeken wachten wel. Morgen weer een dag proberen. Dinsdag, naar ze denkt. Ze smeert haar hand af aan het dekentje waar ze zich in bevindt. Ze heeft net soepstengels met pindakaas gegeten.

De televisie staat aan, maar ze kijkt niet echt. De cola in de fles naast haar in de stoel is lauw, toch zet ze hem aan haar mond. Ze heeft niet door dat ze knoeit. Het piept als ze ademt. Ze probeert zich te herinneren wanneer ze voor het laatst gedoucht heeft. De telefoon gaat. Bobby kijkt op. Ze zapt en voelt even aan haar hoofd.

De asbak is vol aan het raken. Dit hoeft geen probleem te zijn; de colafles is bijna leeg. Ze mist Louis, denkt ze. Vaak denken mensen uit haar omgeving dat Louis is overleden, terwijl hij enkel zijn droom achterna is. De vraag “Op reis, op die leeftijd?” komt haar inmiddels de keel uit. Ze pakt een pak koekjes van de grond. Bokkenpootjes. Louis’ lievelingskoekje. Ze gooit er een naar Bobby, die nog altijd op het kussentje ligt. Hij negeert het koekje.

Er is een probleem. Ze moet plassen. Ze twijfelt over de grote pan die er nog staat van de knakworstjes van wellicht gisteravond, ondanks dat er nog worstvocht in zit. Ze voelt zich goed en besluit het te doen. Terwijl ze hoopt dat de pan niet zal overstromen, lacht ze kort hardop, terwijl ze op de rand van de stoel hurkt. Ze denkt aan Louis en wat hij vaak zei. “Plannen, dromen en misschien het grote niets.”

Hoe hij vroeg of ze mee wilde, weet ze nog goed. Ze heeft gezegd dat het niet kon, met de winkel en dergelijke. En toen is hij naar Italië gegaan, met een vriend. Toen wist ze wel genoeg.

Standaard