Gulzigheid

Geen Verhaal

Berend zat in de tent die hij ooit met volle trots zijn stamkroeg noemde. Op Berend na was het helemaal uitgestorven.

Hij slofte met zijn kalfsleren instappers richting barkruk en plofte neer. Hij bestelde een biertje, bedankt de bardame, klikte zijn zwarte vlinderdasje los, propte het in zijn borstzak, nam een slok en zuchtte.
“Lange dag?” vroeg de bardame.
“Lang verhaal.”
“Begin maar bij dat pinguïnpakje dat je aan hebt.”
“Een formaliteit van een poppenkast. Maar wil het er niet over hebben.”
“Hoeft niet,” en ze verving het biertje dat Berend in recordtempo had leeggelobberd.
“Wat ben je daar eigenlijk aan het doen?” vroeg Berend toen hij over de bar leunde.
“Notities maken. Ik wil een verhaal schrijven.”
Berend begon, bij wijze van inspiratie, over een groene broek die hij op een blauwe maandag had gekocht toen hij-
Berends mobiel ging af.
Hij keek op het scherm en stopte het terug in zijn binnenzak.
Na het zesde biertje bestelde Berend een whisky waarvan ik de naam vergeten ben.
De bardame deed de voordeur op slot, deed een greep in de koelkast en ging naast hem zitten.
Berend grapte iets over de crisis in de horeca. De bardame glimlachte.

Ja, ze was absoluut bloedmooi. Toen ze lachte kreeg ze van die kuiltjes in haar wangen en kneep ze een beetje haar gigantische blauwe ogen dicht.
“Ik doe dit werk niet voor de lol,” zei ze toen Berend naar haar leven vroeg. “Ik wilde altijd al schrijven, maar dat brengt geen brood op de plank. Dus plamuur ik mijn leven vol met bijbaantjes.”
Ik ben vergeten hoe oud ze was, maar het moest twee- of drieëntwintig zijn, sowieso te jong voor de bezette Berend.
“Ik heb gewoon niets meegemaakt, niets te vertellen.”
Inmiddels zaten de twee al een uur of anderhalf in een dichte kroeg.
“Ik vind je heel interessant,” loog Berend.
Weer die mobiel.
“Moet je niet opnemen?”
Berend schudde zijn hoofd.
Er kwamen nog twee biertjes op tafel.
“Ik wil jouw verhaal wel horen,” zei de bardame.
Voor Berend ‘zijn verhaal’ ging bestempelen als kleurloos wierp de bardame een pietepeuterige doggybag op tafel.
“Of we maken ons eigen verhaal.”
Met ogen zo groot als die van de bardame keek Berend naar het spul. Hij grapte iets clichés, dat hij haar daar helemaal niet voor aanzag ofzoiets, maar zei bloedserieus dat hij die bende een eeuwigheid niet meer had genomen en dat hij de vorige keer bijna in het ziekenhuis belandde. Iets met zijn hart, dacht ik.
De bardame zoende Berend. Zoals alleen dronken mensen dat kunnen, meteen op de mond en alsof hun leven er vanaf hangen. Het moet fantastisch zijn geweest.
Weer ging Berends mobiel af. De bardame knikte naar zijn binnenzak, daarna weer naar het spul.
Wat er daarna gebeurd is vrij onduidelijk. De emotie en sensatie gingen door de hoofden als hun kleren door de bar.
De stamtafel kreeg een dubbele betekenis, ze hadden seks en het was over.
Berend schoot in een helder moment de wc in. “Eén momentje!” had hij nog geroepen.
De bardame kon er om giechelen, met twee perfecte kuiltjes in haar wangen.
Tussen de kotsbeurten door vroeg Berend nog, “hoe heet je eigenlijk?”
Ik weet niet wat het antwoord was.
De bardame had geduldig op de brakke Berend gewacht. Na ruim een uur trapte ze de wc-deur in.
Ik denk niet dat ze die avond thuis heeft geslapen, maar ik heb gehoord dat ze een fantastisch verhaal heeft geschreven.

Door: Joris Krouwels

Standaard
Gulzigheid

De Gulzigheid van Lot

Lot – haar achternaam heb ik nooit geweten – was een sterke doch zwaar gefrustreerde vrouw die mij ontzettend dwars zat. Dat vergaf ik haar ook wel weer, want er zat haar ook van alles dwars.

Wat kon ik niet weten, maar ik deed mijn best om haar te begrijpen. Ik nam de tijd voor haar. Dat begon vanzelfsprekend met een goede maaltijd. Ik gunde haar de Chateauneuf Du Pape uit ’93. Vaak aten we – zo kun je het toch wel noemen – tagliatelle, want daar deed ze me sterk aan denken. Zo was er haar kleur – een gebroken, naar het beige neigend wit. Tenminste, in de meeste gevallen was dat zo. Pas toen ze bij me wegging, was ik erachter gekomen hoe ze er werkelijk uitzag. Maar ook haar proglottiden, de korte stukjes die haar groei aanduidden – het zijn de kleine dingen in het leven die er toe doen – deden mij aan de pastasoort denken. Ook probeerde ik haar zo vaak mogelijk te vertroetelen. Alles om die frustratie te kunnen begrijpen. Dan zocht ik haar op en gaf ik haar een – naar ik dacht – rugmassage, zodat ze zich ontspande en ze alles de vrije loop kon laten. Ondertussen hield ik mijzelf in het reine.

“Ik denk dat frustratie de motor is van creativiteit. Ik denk als je volmaakt gelukkig bent, dan houd je het voor gezien. Dan is het hier en nu voldoende. Juist die frustratie doet je geen genoegen nemen met het hier en nu. Honger komt daar uit voort,” citeerde ik min of meer Pim Fortuyn, die dat ooit weer tegen Theo van Gogh had gezegd. Twee mannen, de een dik en harig en de ander dun en kaal. Het was bijna dezelfde situatie, behalve dat ik het oreerde voor mijn Lot – wier ongekende drang naar de voor mij bestemde voedingsstoffen ik toekende aan de frustratie van die parasiet. Ze was creatief genoeg om haar honger te voeden.

Ik had weinig tijd meer voor andere dingen. Dit had met het totale gebrek aan levensenergie te maken, maar niet minder met de behoefte om de frustraties van mijn Lot te kunnen duiden. Maar zoals ik mijn parasiet had, moest Lot misschien wel met haar eigen uitvreter rekening houden. Daar kwam ik weinig over te weten, behalve dat het daarmee geschetste droste-effect me hongerig maakte. En zo kon ik niets anders dan onze honger proberen te stillen. De bron van alle oorlog is de zotheid, stelde een wijs man ooit. Hij beweerde dat er niets slechter is dan een strijd aan te gaan waar beide partijen meer nadeel dan voordeel van ondervinden. En daarmee was er gelijk een brug te slaan naar mijn humane houding ten opzichte van mijn Lot. En dat terwijl zij een lange lintworm in de dunne darm des levens was. Maar op zekere dag raakte ik haar uiteindelijk kwijt. Opeens ontlastte ik mijzelf van mijn Lot en kwam er een eind aan de immense honger. Het wachten is op de terugkeer van de levensenergie.

Standaard
Gulzigheid

De koek is op

Je kunt niet alles hebben. Vader zei dat vaak. Niet alleen tegen mij, zijn enige zoon, maar eigenlijk tegen iedereen.

Nooit was het bedoeld als wijze raad, je zou het meer kunnen omschrijven als een waarschuwing. Een waarschuwing dat hoge verwachtingen alleen maar uitlopen op teleurstellingen.

Moeder werd vaak gewaarschuwd. Vooral als ze door de nieuwe Wehkampgids bladerde, zowel de winter- als zomereditie. Als ze dan net iets te lang boven een pagina bleef zuchten, liet vader zijn krant tergend langzaam zakken en keek hij haar richting op. En dat was altijd genoeg.

Op een middag toen vader nog op zijn werk was en moeder in de keuken, bladerde ik door de Wehkampgids, vluchtig op zoek naar de dames badmode. Bladzijde 94 had een ezelsoor. Sieraden en horloges.

Die avond zaten we met z’n drieën in de woonkamer. Vader zat met zijn hoofd in het buitenlands nieuws en moeder las haar streekroman. Ik zat op de bank, bij het raam, met een Donald Duck die ik al minstens zes keer die week had gelezen. De Friese Staartklok die nog van Beppe was geweest, gaf het ritme van de avond een geluid.

Ik keek naar mijn moeder. Haar lippen bewogen bij elke lettergreep die ze las. Alsof ze haarzelf voorlas in een stomme film. “Laat me toch,” zei ze toen ik eens vroeg waarom ze dat deed. “Ik doe er toch niemand kwaad mee?”

Voorzichtig vouwde moeder het hoekje van de pagina dubbel die ze nog moest lezen. Ze legde het boek naast haar in de leesmand, de kaft naar boven. Er stond een tekening op van een man met een koe voor een boerderij. De lucht boven hem was grijs.
Moeder stond op uit haar stoel en liep naar de keuken. De klok van Beppe liet horen dat het precies acht uur was.

Op het dienblad dat moeder vasthield stonden twee koppen koffie, een glas limonade en de blikken koekjestrommel.
Ik legde mijn Donald Duck neer en wachtte op het lekkers dat nu ging komen. Moeder haalde het deksel van de koekjestrommel en liet vader als eerste kiezen. Hij glimlachte even, pakte een sprits, en verborg zich weer achter het nieuws. Nu was het mijn beurt en ik ging er even beter voor zitten. Een sprits, dat leek mij ook wel wat. Of anders een stroopwafel. Misschien een jodenkoek, ook al was het woensdag.

Maar de koekjestrommel kwam niet mijn kant op.

“Wat doe je nu?” riep ik naar moeder. “Ik wil er ook eentje!”
Moeder zakte in haar stoel en pakte langzaam de Wehkampgids uit de leesmand. Ze legde het zware boekwerk op haar schoot en zei toen: “Je vader heeft de laatste. Morgen haal ik wel nieuwe.”
“Waarom hebben we niet meer?” vroeg ik en met een snelle handbeweging veegde ik de vochtigheid uit mijn ooghoek. “Ik wil ook een sprits! Vader eet altijd alles op!”
De krant zakte langzaam en eenmaal met het sportnieuws op neushoogte keken de ogen van vader mij recht aan.
Ik snikte en zei: “Maar ik wil alleen een sprits hebben, ik hoef heus niet alles.”

Standaard
Gulzigheid

Zonde

“Wat zucht je?”
Ik weet het niet. Ik heb gewoon het gevoel dat ik niets meer wil, of zo. Dat m’n leven een beetje klaar is. Ik heb geen doel meer, Herb.”

Herbert hield zich stil. Hij begreep vaak maar weinig van Twan. Nu ook weer. Kwam-ie gezellig even wat drinken en dan kreeg je zoiets. Niet lekker voor de sfeer.
En dat was dan weer zonde van de achttien jaar oude Bruichladdich Enlightenment. Die dronk je niet in mineur. Terwijl Herbert nog wel zó zijn best had gedaan om er wat van te maken. Hij had de kamer met de open haard en de mooiste Bradington-Young stoelen van z’n huis uitgekozen, waar ook de antieke kroonluchter hing die ooit van Thorbecke is geweest en na lang peinzen Ludovico Einaudi op de door Croft-buizenversterker aangedreven NAD-speakers gezet. Meer kon je niet doen. En dan komt Twan de boel weer verpesten. Het was ongelooflijk zonde van zo’n whiskey.
“Wist je dat er maar 500 flessen van deze whiskey zijn gemaakt?”
Herbert hield zijn glas in het licht van de kroonluchter en keek er nog eens goed naar. Hij had de kristallen glazen laten slijpen in Italië en vervolgens laten afwerken in Turkije. Een duur geintje, dat zeker, maar wat kwam die whiskey nu goed tot z’n recht, zeg! Hij had nog nooit zulke mooie traansporen gezien. En dat moest je ervoor over hebben. Nu pas kreeg Herbert door dat Twan hem aanstaarde.
“Ik ga geen dag met plezier naar m’n werk. ’s Avonds lig ik gebroken in m’n bed. En waarvoor? Ik weet het niet! Anja kijkt me toch al maanden niet meer aan. Herbert, ik zit al drie maanden zonder seks!”
Wat was het toch ook een zure knurft. En dan te bedenken dat Herbert hem nog wel een dikke Hoyo de Monterrey Epicure nummer twee had willen aanbieden. Dát zou een sigaar uit eigen doos geweest zijn! Herbert grinnikt om z’n spontane woordgrap. Niet vergeten even op te schrijven!
“Vind je dat grappig?”
“Wat? Oh, nee, nee, ik dacht aan iets anders.”
“Wat dan?”
“Niks, niks. Iets stoms.”
Twan knikte en slikte. Hij was weer moed aan het opbouwen om nog zo’n klaaglied aan te heffen. Herbert zag het aan z’n ogen.
“Herb…”
Ah, daar kwam het. De sul.
“Herb, Anja wil scheiden. En ze wil niets hebben… Behalve de hond.”
Weer bleef Twan even hangen.
“De hond?”, vroeg Herbert quasi-geïnteresseerd.
“Ja, m’n herder. Van alles wat ik heb neemt ze mijn meest dierbare bezit mee.”
“Ach, het is maar een hond. Denk maar gewoon ergens anders aan. Proef die whiskey nou eens. Knap je vast van op!”
Herbert keek op van zichzelf. Dat hij nog het geduld had om Twan op te vrolijken. Hij viel zich alles mee.
“Ja”, zei Twan. En voordat Herbert in kon grijpen, stond Twan op uit z’n Amerikaanse stoel, pakte z’n Italiaans-Turkse glas met briljante Schotse whiskey en klokte het goedje in één grote teug weg. Herbert trok wit weg, hij zag sterretjes voor z’n ogen en z’n hand verslapte. Hij liet het glas los. Met een doffe dreun landde het in het Perzisch hoogpolige tapijt. Herbert boog naar voren om z’n glas weer op te pakken.
“Het is nog heel”, zei Twan, “gelukkig. Dat zou zonde zijn geweest!”
“Ja”, zei Herbert, “Zonde.”

Standaard