In therapie

Herinneringen

‘Maar dan moet je niet zeggen dat ik gek ben.’
Wildschut , zoals ik hem noem –ik durf zijn voornaam niet te gebruiken en ‘meneer’ klinkt zo raar- kijkt me aan met die blik van hem. Kin een beetje naar zijn borst, wenkbrauwen omhoog.

‘Ben je daar bang voor?’
Ik haal mijn schouders op. ‘Het is gewoon raar.’
‘Misschien moet je het eerst vertellen, dan kijken we daarna of ik het raar vind.’
Alles in deze kamer is altijd hetzelfde. Het halfopen raam, de agenda die klaarligt om de volgende afspraak te plannen, het kussen op de bank tegen de verwarming met de vage afdruk van een hoofd erin. Ik heb de stoel waar ik, op gepaste afstand van de zijne, altijd moet gaan zitten eens stiekem verschoven. Er zaten diepe afdrukken van de poten in het tapijt.
‘Ik heb een lijstje met herinneringen, waar ik aan denk als het…’ Er zit een haakje aan mijn nagel. Ik pulk eraan en er scheurt een stuk af. ‘Als het té goed gaat. Als ik het gevoel heb dat er niks meer mis kan gaan. Want dat is nooit zo. Ik moet op mijn hoede blijven.’
‘Wat voor herinneringen dan?’
Door het scheuren is mijn nagel te kort geworden. Lelijk.
‘Ik zag een keer een duif op straat zitten. Ik dacht dat hij op een gegeven moment wel weg zou vliegen, maar hij bleef maar zitten. Toen ik erlangs fietste zag ik dat zijn achterkant eruit was. De ingewanden lagen een stukje verderop op de stenen.’
Wildschut knikt.
‘En ik liep een keer over het Victorieplein naar de tram. ’s Ochtends. Hurkt er opeens een vrouw, op hakken en met een trenchcoat aan, heel chique, bij een boom om te kotsen. Gele kots had ze.’
‘Akelig.’
‘En de geur van rauw gehakt dat dagen in de hitte heeft gelegen. Ik kwam thuis van vakantie, mijn vader was er nog niet. Hij was het vergeten en ik moest het opruimen. Heb je wel eens rottend vlees geroken?’
‘Ik geloof het niet.’
Ik probeer de schade aan mijn nagel te beperken door meer gepulk, maar het wordt alleen maar erger.
‘En wat nog meer?’
‘Gewoon, dat soort dingen.’
Wildschut schraapt zijn keel. Aan de muur boven zijn stoel hangt een grote klok, ik denk om de mensen die hier komen eraan te herinneren dat ze niet eeuwig de tijd hebben. Dat er straks weer een volgende komt.
‘Is er nog een specifieke herinnering waar je iets over wilt vertellen?’
Ik zit hier voor mezelf, niet voor hem. Dat vergeet ik soms.
‘Er is nog een geur.’
‘Vertel maar.’
Mijn nagel doet pijn en druk hem samen tussen mijn duim en wijsvinger om het gevoel te laten stoppen. Als ik loslaat zit er bloed op mijn hand.
‘Toen mijn moeder opgebaard lag, kwam er wit slijm op haar lippen. Het liep ook uit haar neusgaten. Kwam door de medicijnen, zeiden ze. Ze was vanbinnen een zak bedorven chemicaliën, en die kwamen er nu uit. Ze zeiden dat ze te snel ontbond.’
Ik ga verzitten, Wildschut een moment later ook. Ik vraag me altijd af of hij bewust mijn lichaamstaal spiegelt.
‘Er kwam een man met een soort stofzuiger en het klonk ook gewoon alsof ze aan het stofzuigen waren. Maar de geur… Iedereen rook het. Ik en mijn tante hadden broodjes gesmeerd, maar niemand heeft meer gegeten.’
‘En daar denk je aan als je vindt dat het te goed gaat?’
Ik haal mijn schouders op. Op de grote klok is het bijna kwart over vier.
‘Het is tijd, geloof ik.’
Wildschut knikt en pakt zijn agenda.
‘Goed. Dan gaan we volgende keer verder.’

Standaard
In therapie

Al die regeltjes

Die zondagochtend ben ik er heen gefietst. Het weer was inderdaad slecht die dag, maar ik moest er heen. Het was ook niet erg, ik denk dat het misschien zelfs wel beter is als het stormt op straat.

Op m’n gemak kan ik dan gaan staan voor haar naam, mooi ingegraveerd en netjes uitgelijnd naast die herkenbare cijfers. Geen drukte en geraas van het dagelijks leven om me heen.
Het bosje bloemen leg ik dan netjes in een hoekje en voorzichtig veeg ik de rotzooi een beetje weg. Het wordt daar al snel vies, moet u weten.
Een paar uur sta ik daar met mijn gedachten, maar antwoord op de vraag waar het nu toch precies mis is gegaan, krijg ik nooit. Die onmacht is vreselijk en maakt me soms helemaal gek.
“Ik weet hoe het is om dood te zijn,” dat zei ze vaak en de eerste paar keer vond ik het wel grappig. Ik ken natuurlijk mijn klassiekers, die regel komt uit het exact 2 minuten en 37 seconden durende Beatles liedje She Said She Said. Het is mijn lievelings en dat wist ze.
Dat deed Rachella trouwens wel vaker, een regeltje uit een van mijn favoriete liedjes vertalen en op een onverwacht moment zo hard mogelijk roepen. De laatste keer was een paar maanden geleden, tijdens het bakken van de vissticks. Het was op een woensdag, want elke woensdag aten we vissticks. Soms met ketchup, maar vaker niet dan wel. Omdat het niet elke dag feest was volgens Rachella. Ik vind dat het best elke dag feest kan zijn, dat bepaal je zelf. Ook daar hadden we weleens ruzie over.
Ja, eerst vond ik het wel leuk, dat ze die regeltjes riep. Het was geestig, want zo hadden The Beatles het natuurlijk nooit bedoeld toen ze het schreven. Alleen het idee al, dat een vierendertigjarige vrouw uit Waddinxveen op een woensdagavond zomaar boven een koekenpan vol met vissticks hun liedje in het Nederlands schreeuwde. Ik denk dat John Lennon er wel om had kunnen lachen. Van Paul McCartney weet ik het niet, die was vaak serieuzer. Dat botste natuurlijk.
Maar goed, na een tijdje begon dat grapje toch op mijn zenuwen te werken, zoals bij zoveel dingen van haar. Soms riep ik dan heel hard dat ze er mee moest ophouden. Een keer zelfs zo hard dat de buren aan de deur kwamen en die mensen hadden we nog nooit eerder gezien. Grappig genoeg mis ik dat soort dingetjes het meeste nu ze er niet meer is.
U heeft gelijk, eigenlijk is dat helemaal niet grappig.
Wist u trouwens dat de credits van She Said She Said op naam staan van John en Paul, maar dat het eigenlijk voor 100% een liedje van John is? Het schiet me ineens te binnen nu we het weer over The Beatles hebben. Veel mensen weten dat niet, maar het is echt zo. Op 21 juni 1966 gingen ze naar de Abbey Road Studio’s in Londen en namen ze het liedje op voor hun elpee Revolver. Het is het laatste liedje op kant A. Daarna moet je de plaat omdraaien. Op de cd versie gaat-ie na She Said She Said gewoon verder met Good Day Sunshine van Paul. Dan hoef je niks om te draaien. Het zijn geen vissticks.
Nee, sinds die zondagochtend ben ik er niet meer geweest. Ze hebben mij duidelijk uitgelegd dat Rachella het niet leuk vindt dat ik eens in de zoveel tijd een paar uur voor haar deur sta met bloemen en mijn gedachten. Ik houd me er maar aan, maar al die regeltjes… Ik word er soms helemaal gek van, moet u weten.

Standaard
In therapie

Horres en Van Dam in: Het Regent

‘Waarom moet dit nou weer op mijn vrije dag?’
Zij kan het ook niet helpen dat jij vrij bent als ze zichzelf van een gebouw afflikkert. Daarnaast, als zij zich niet van kant zou maken had jij geen werk meer om vrij van te nemen, Van Dam.’

Horres en Van Dam keken neer op het levenloze lichaam van een jong en dun meisje. Ze lag voor het grachtenpand van psychologenpraktijk De Boer & Vos. Horres kon er om lachen. Van het gebouw afspringen waar je geholpen zou moeten worden, dat is ballen hebben.
‘We kunnen nu wel van die Foxconn-netten gaan ophangen,’ zei Horres, ‘iedere gek die dit gezien heeft wil nu meedoen. Die lui gaan dit hypen. Dat weet jij. Dat weet ik.’
Horres was uitgesproken toen er boven hen een gil klonk. Een halve seconde later donderde een lichaam op straat.
‘Nee hè,’ zei Van Dam, ‘bloed op m’n broek.’
‘Och ja. Je moet even naar mijn stomerij. Die op de Rozengracht. Naast de moskee. Heb ik toen m’n pak van die klus met die slager naartoe gebracht. Piekfijn zeg ik je.’
‘Welke slager? Die met dat mes in z’n scrotum of die gast die was gestikt in dat varken?’
‘Die van het scrotum. Dat weet je toch nog wel, hebben we nog een foto van op kantoor hangen dat ik het mes eruit trek!’
‘Oh ja, haha, ranzig!’
‘Goed Van Dam, laten we eens kijken naar dit nieuwe lichaam. Houdt ons op straat.’
Horres hurkte neer bij het levenloze lichaam dat een man leek te zijn geweest. Hij draaide het om en keek samen met Van Dam naar het kapotte gezicht van een middelbare man. Zijn snor was nog intact, maar het was dan ook een geweldige snor, met puntjes naar de zijkant.
Van Dam floot tussen zijn tanden.
‘Poeh, goede snor.’
‘Met zo’n snor zou ik geen zelfmoord willen plegen. Wat een prachtexemplaar.’
‘Maar, eh, Horres, moeten we de boel hierbinnen niet eens ontruimen? Wat mij betreft is twee wel genoeg voor vandaag.’
‘Je hebt gelijk Van Dam. Ga maar naar binnen. Gooi iedereen eruit. Niet letterlijk. Zorg ik ervoor dat de boel hier opgeruimd wordt.’
Van Dam liep de trap op naar binnen. Toen hij de voordeur opentrok klapte er achter hem weer een lichaam op straat. Een fors lichaam.
‘En snel een beetje, Van Dam! Het regent!’
Van Dam haastte zich naar binnen en Horres liep naar het nieuwe lijk. Het was een dikke vrouw. Heel dik. Horres haalde er een agent bij om hem het lichaam te helpen omdraaien. Dat ging moeilijker dan verwacht. De klap was zo hard geweest dat de straatstenen het hadden begeven, waardoor de toch al monsterlijk zware vrouw in een kuil lag.
‘Het is net de hellingproef,’ kreunde Horres, ‘even over het dode punt heen en je bent er.’

Standaard
In therapie

Breinpijn

‘Hoe is het deze week gegaan?’
Mwah.’

‘Mwah?’
‘Ja, mwah.’
Ik weet zeker dat ze weet wat ik daarmee bedoel. Ze weet haarfijn dat ik op maandag niet uit bed kon komen en er dus ook maar de hele dag in ben blijven liggen. Ze weet dat donderdagavond even moeilijk was en dat zaterdag wel redelijk ging. Zo gaat het namelijk elke week. Dat weet ze, want dat heb ik haar al vaak genoeg verteld.
‘Kan je dan misschien vertellen wat je bezighield, de afgelopen week?’
‘Mijn hersens.’
‘Je hersens?’
‘Hersens, brein, bovenkamer. Het is maar net hoe je het wilt noemen.’
‘Op wat voor manier hielden ze je bezig?’
‘Ze hielden maar niet op. De hele dag waren ze druk. Zo druk dat ik er breinpijn van kreeg. Enorme breinpijn. Heb ik nu nog steeds trouwens.’
‘Breinpijn. Dat is een nieuw begrip voor mij.’
‘Ik heb het zelf bedacht. Officieel bestaat het niet, maar bij mij dus wel. Het is heel iets anders dan hoofdpijn.’
Zou ik haar moeten vertellen dat breinpijn technisch gezien helemaal niet mogelijk is? Je hersens hebben geen zenuwuiteinden en kunnen dus geen pijn doen. Prik er met een mesje in, voel je helemaal niks van. Maar zij heeft er voor gestudeerd, zij zou het brein op haar duimpje moeten kennen en dus ook wel weten dat pijn in je brein niet mogelijk is.
‘Het betekent dat je hersens maar niet stil willen zijn. Ze hebben het druk met van alles en nog wat. Vooral met denken. Met dat denken zijn ze zo druk dat je verder niks meer kunt. Een beetje in bed liggen misschien, een beetje huilen, een beetje staren, maar daar houdt het dan ook wel mee op.’
Ze vertelt me dat er wel dingen zijn die je kunt doen om je hersens stil te krijgen, om de breinpijn af te laten nemen. De gedachtes accepteren en niet analyseren, dan ben je al een heel eind, zo zegt ze.
Ik wijs haar erop dat dat makkelijker gezegd is, dan gedaan. Want had ze gemerkt dat ze net haar haar achter haar oor streek? Nee, dat had ze niet. Hersens. Zulk soort dingen doen ze dus allemaal.
‘Het schijnt dat je ze eruit kunt halen. Via je neus. Enige wat je nodig hebt is een stokje met een haakje aan het einde. Dat heb ik vroeger met geschiedenis geleerd, zo deden ze dat namelijk bij de mummies. Wat zou dat handig zijn. Als ik op maandagochtend en donderdagavond een stokje in mijn neus kon steken om mijn hersens eruit te halen. Gewoon voor even. Zodat ze heel even niet zo vervelend zouden doen. Want het komt niet door mij hoor.’
‘Wat komt niet door jou?’
‘Alles. Alles wat er mis is, je weet heus wat ik bedoel. Het komt allemaal door mijn hersens.’

Standaard