Zomerfestival

De Reisgids

Acht jaar geleden ging ik met mijn broer naar Rome. Hij zat toen nog in zijn zwijgende periode. Bij veel jongens komen de woorden pas na hun twintigste, zo ook bij hem.

Hij kwam niet voor elf uur uit bed. En dus liepen we elke middag over smeltend asfalt en keien zo heet als een steengrill van tempel naar kerk naar forum. Zo rond een uur of drie zeiden we tegen elkaar dat we niet begrepen dat het zo rustig was in de stad, in het hoogseizoen. Bij elk fonteintje gooiden we onze kop in het water, en dan liepen we verder.
Ik moet een paar keer per dag een gesprek voeren, al is het maar met mijzelf. Dus bij gebrek aan geluid las ik de reisgids hardop voor. Bij elk monument zocht ik de bladzijde op en dan las ik de betreffende alinea. Ik verwachtte niet dat hij zou luisteren. Laat staan dat we het erover zouden hebben. Af en toe hoorde ik: ‘Aardig gek’ als ik iets had voorgelezen over seksende pausen, de hoeveelheid marmer, etcetera. In Rome is eigenlijk alles ‘aardig gek’.

Ik had me voorbereid op het bezoek aan de Sixtijnse kapel. Ik had erover gelezen. Ik had op Discovery channel gekeken naar een acteur verkleed als Michelangelo die zich bij kaarslicht een hernia schilderde. Je kon me overhoren. We hadden twee uur in de rij gestaan. Ik was stil. Ik keek naar boven. Daar was het dan. KUNST. Kijken. Zwijgen. Zo langzaam mogelijk lopen.

En ineens hoor ik mijn broer. Ik wist wel dat hij met me meegegaan was die dag, af en toe keek ik om en dan bleek hij achter me te lopen. Maar hij had nog geen geluid gemaakt.
Mijn broer kijkt naar boven en hij schiet in de lach. En zijn gegrinnik en gehik verraad dat hij een slappe lach heeft die voorlopig niet zal stoppen. ‘God zit op een wolk!’ Proest hij. ‘En hij heeft een baard! Hij heeft gewoon een fucking baard!’

‘SILENCE!’ schreeuwt de met mitrailleurs behangen militair bij de ingang. Broer loopt zo rood aan dat de tranen uit zijn ogen schieten. ‘Hij heeft een fucking baard,’ hinnikt hij. ‘Ze zijn gek.’
Ik kijk naar de grond. Ik weet dat als ik hem nu aankijk ik ook begin. Broer houdt zijn beide handen voor zijn mond, zo strak dat hij bijna lijkt te stikken. Af en toe moet er toch zuurstof bij en ontstaat er een hoog piepend en met snot vermengde kreet. Ik houd mijn adem in.

Alle militairen aan weerszijden van de kapel kijken nu op. Handen op hun wapens. Het maakt het alleen maar erger. Mensen zouden kunnen denken dat het van ontroering is, die tranen. Meerdere mensen huilen, zo las ik in de reisgids.
Broer hikt verder. Het geluid schalt door de zaal. ‘SILENCE’ schreeuwt de militair nog een keer. ‘Ik kan niet meer stoppen,’ sist hij met overslaande stem. ‘Dalijk gaan ze schieten.’ Nu lachen we allebei hardop. Dan ademen we in, alsof we een heel stuk onder water moeten zwemmen. We lopen snel richting de uitgang. Halen drommen toeristen in. Pas op het Sint Pietersplein halen we adem, plenzen water in ons gezicht, kopen het duurste blikje cola uit de geschiedenis van de mensheid.

Niet veel later bekeert mijn broer zich tot moslim. Dat was hij al een tijd van plan. Maar Rome gaf het laatste zetje, dat weet ik zeker.

Vorige week hadden we het er toevallig over. Hij is een prater geworden inmiddels. Hij zei: ‘Weet je wat ook zo fijn was? Dat jij die reisgids voorlas.’ Ik moest lachen, ik dacht dat hij me in de zeik nam.
‘Ik had in mijn ene oor een oordopje,’ zei hij, ‘maar met mijn andere oor luisterde ik. Echt. Ik weet alles nog. Ik vroeg later zelfs aan een vriendinnetje: ben jij iemand die op vakantie de reisgids voorleest.’

Door: Cathelijn Schilder

Standaard
Zomerfestival

Het geluid van vrijheid

Het gras aan de zijkant van het hoofdpodium was nog nat van de regenbui die toch nog vrij onverwachts over het festivalterrein was getrokken.

Laten we naar huis gaan,” zei Frida.
“Echt?” vroeg Arnold.
Ze knikte en zei: “Ik heb het koud en het leuke is er nu wel van af.”
“O,” zei hij.
“Straks ben ik morgen ziek, dat is ook niet leuk voor jou,” ging Frida verder. “En je weet hoe gevoelig mijn handen voor dit weer zijn.”
Dat wist Arnold. Maar toch zei Frida het heel vaak alsof hij het niet kon onthouden.
“Waarom kijk je nu zo chagrijnig?” vroeg Frida geërgerd. “Is het weer niet goed?”
Arnold zei niks en pakte de rugtas van de grond. Het vergde wat kracht, de omnibus die Frida had meegenomen voor wanneer het onverhoeds allemaal toch te saai zou worden, stelde zijn grappig ontwikkelde spierballen al de hele dag goed op de proef.
“Als we doorlopen, kunnen we voor Pauw & Wittenman nog thuis zijn,” zei Frida die al een meter voorsprong had op Arnold.
Vanaf het veld ging er luid gejuich op. De hoofdact nam hun plaats in op het podium en zwaaide naar de menigte.
“Hello! How are you!” riep de frontman met zijn typische frontmannenstem terwijl zijn rechterhand door zijn typische frontmannenkapsel ging.
“Not so fine,” mompelde Arnold, die zich door een groepje enthousiaste studenten wurmde. De jongen met het meest schreeuwerige t-shirt van het stel pakte een hengsel van de rugzak vast en riep: “Zo opa, nu al naar huis? Ouwe loser!”

Frida stond al bij de auto te wachten.
“Eindelijk,” zei ze toen Arnold kwam aanlopen. “Het zal mij benieuwen of we nog voor Pauw & Witteman thuis zijn.”
Arnold zei niks. Met de afstandsbediening maakte hij de portieren open en stapte aan de bestuurderskant in. De rugzak kreeg een plekje op de achterbank.
“Hallo!” zei Frida die nog naast de auto stond. “Moet ik hier soms blijven staan of zo?”
Arnold zuchtte.
Hij deed zijn gordel los, stapte uit en liep rustig om de gistermiddag gewassen Saab heen.
Het gejuich van de menigte was goed hoorbaar op het parkeerterrein dat een paar dagen geleden nog een weiland was.
Aangekomen bij de bijrijderskant deed hij de deur voor Frida open.
“Mevrouw,” zei hij.
Frida draaide haar royale achterwerk naar het zitvlak en liet zich langzaam zakken in de stoel. Toen zei ze: “Dat toontje staat me niet aan, Arnold van de Made.”
Arnold zweeg zoals hij de afgelopen zestien jaar al zweeg.
Halverwege het rondje om de gistermiddag gewassen Saab, bleef hij ineens staan. Hij deed zijn ogen dicht en luisterde naar het enthousiaste geschreeuw van een paar kilometers verderop. De wind stond goed, in vlagen kon hij horen dat nu de hit werd ingezet.
Arnold deed zijn ogen weer open. Hij keek door het achterraam naar het zeurende achterhoofd van Frida en wist het toen zeker. Wild schopte hij zijn sandalen uit, trok de witte sokken van zijn voeten en pakte de afstandsbediening van de gistermiddag gewassen Saab.
Met wilde passen liep naar de bijrijderskant. Voor het raam bleef hij even staan en nam hij het verbaasde gezicht van Frida even goed in zich op.
“Arnold!” riep ze. “Wat ben je aan het doen? Stap nu in!”
Hij lachte en dat moest voor Frida een opmerkelijk gezicht geweest zijn. Arnold stak zijn rechterhand de lucht in en drukte met een dramatische zwaaibeweging de afstandsbediening in.
De portieren van de gistermiddag gewassen Saab sprongen hoorbaar op slot.
Het geluid van vrijheid.
Arnold zwaaide naar zijn vrouw en rende op zijn blote voeten naar het hoofdpodium. Daar aangekomen griste hij het biertje uit de handen van de jongen met het meest schreeuwerige t-shirt van het stel en riep: “Opa is terug, lul.”

Standaard
Zomerfestival

Hitsige christenen

Je moeder en ik ontmoetten elkaar op het Flavor Festival in 2013, een christelijk muziekfestival. Je moet het je voorstellen als een enorm veld vol hitsige christenen die allemaal hun toekomstige wederhelft hopen te vinden.

Het gebeurde weleens, dat als je een stelletje zag ontstaan in het ene jaar, je het volgende jaar hetzelfde stelletje weer tegenkwam, maar nu getrouwd. En dan gebruik ik ‘weleens’ als understatement. Van de week.

Ik was één van die hitsige christenen. Je moeder ook. We zagen elkaar voor het eerst bij de evangelisatiebus, naast het grote podium. Ik deelde pamfletjes uit, zij nam er een aan. Giechelend. De rok die ze droeg was net iets te kort voor dit festival en net iets te lang voor een gewoon festival. Ik kon dat wel waarderen, dat totale gebrek aan respect voor de regels. Maar ze liep door. Mijn ogen, die haar volgden, zagen dat ze het pamfletje liet vallen. Weer dat anarchistische. Mijn interesse was gewekt. Langzaam verdween ze in de menigte en moest ik me weer richten op het heden; een vrouw van middelbare leeftijd met het pittig rode kapsel dat daar zo goed bij past. Ze wilde een psalm met me zingen. Terwijl we zongen kon ik alleen nog aan haar denken. Je moeder dus, niet die vrouw. Ik dacht dat ik haar kwijt was.

De kans dat je een meisje twee keer tegenkomt op zo’n enorm evenement is minuscuul. Toch gebeurde het. Ik zag haar staart voor me langs hupsen tijdens een optreden van Hillsong. Ik besloot het eerst nog maar even aan te kijken. Maar toen ze even later voor een tweede en zelfs derde keer langs me heen dwarrelde, besloot ik in te grijpen. Ik greep haar arm en zei dat ik haar uitverkoren had. Klassieke christelijke openingszin. Hij werkte. Ze lachte en vroeg hoe het dan zat met haar vrije wil. Zo raakten we aan de praat. We praatten door Hillsong, The Gentlemen, Damascus, Snoeiharde Shit en DJ Noadja heen. Het was zes uur ’s ochtends toen we weer opkeken. Toen volgde onze eerste zoen. We konden er allebei niks van, maar het was heerlijk.

Een jaar later kwamen we als getrouwd stel terug. We konden niet langer van elkaar afblijven. Nee, nou moet je dit horen ook. Moet je die vraag maar niet stellen. We konden dus niet langer van elkaar afblijven. Daarom zijn we getrouwd. Vanwege de seks. En daar ben jij uit voortgekomen, jongen. En mijn les voor jou is simpel: trouw niet binnen een jaar. Voor je het weet zit je met jou opgescheept.

Standaard
Zomerfestival

Dan misschien toch

Je hebt vaak een man die kijkt naar een vrouw. Hij ziet haar en dan is ze mooi of niet mooi.

Fijn, of minder fijn. Ze heeft zichzelf leuk aangekleed. Ze danst gek. Of allebei. Of misschien wel alles van dat alles bij elkaar. Het maakt weinig uit, want hij loert en dat valt weinig te romantiseren. Hij kijkt zoals iedereen weet dat een man kan kijken. Ze zien wat hij wil en wat hij denkt. Nu ook. Ook zij ziet het. En wat doet hij? Hij blijft kijken en begint dan pas te denken. Zo overweegt hij nonchalant van zijn bier te drinken. Hij werpt een blik op zijn schoenen, want dat deed zij ook. Hij denkt zijn hand door zijn haar, of niet? Toch die hand door het haar, dat heeft misschien iets aandoenlijks, denkt hij. En het dan doen. Haar aanspreken.

Maar, schiet door zijn hoofd, verderop zou een groep vrienden er waarschijnlijk verslag van aan het doen kunnen zijn. Een van hen zal een flesje naar zijn mond brengen als was het een microfoon, om vervolgens zijn gehele houding te voorzien van lollig bedoeld commentaar. ‘Daar gaat-ie, ja, hij gaat eropaf,’ zou het kunnen klinken. ‘En hij gaat er langs! Met een mooie passeerbeweging loopt hij het meisje straal voorbij. Alsof ze er niet staat! Zo eindigt de avond alweer in mineur voor FC Martin Kelderman’. ‘Terug naar jou, Jack,’ zal hij aan het eind wellicht zeggen. Of dat het geen goed stel is. En dan kunnen ze bulderen. Met eventuele high fives.

“Ga je mee naar de tent?”, wil Martin in zijn in zijn gedachten soepele looppas vragen, maar hij pareert zelf al direct door wedervragen – Welke tent? Jouw tent? Wat denk je zelf? – te bedenken. Hij bedoelt de Bravo, iets verderop. Of desnoods een andere tent. Het maakt hem niet zoveel uit. Wel heeft hij bedacht niet over de Titty Twister te willen beginnen, want daar lijkt ze hem het type niet voor. En nu is het moment voorbij. En terug kan niet. Terug kan nooit. Of toch? Wat zou hij dan doen? Het zou natuurlijk niet zo heel gek zijn. Of wel? Wat is ze mooi, denkt hij.

Later ziet hij haar in een tent en kan zijn geluk niet op. Hij denkt eraan om voor te stellen om bier voor haar te halen. Maar, denkt hij, wat als ik haar daarna niet meer kan vinden? Misschien wil ze mee, bier halen. Maar wat als hij zijn en misschien zij ook wel haar vrienden dan kwijt zou raken? Als ze al mee zou willen, natuurlijk. Oh, man, wat als ze mee wil? Wat dan? Hij denkt. Dan gaat ze mee naar de bar, en dan moeten we nog wat praten, en misschien wil ze dan wel dansen en als dat dan goed gaat, dan doen we nog een beetje gek met de anderen en dan kan ze daarna eventueel ook mee naar mijn tent, maar daar slaapt Wouter ook en als dat dan misschien een probleem voor haar is, moet ik het er dan wel even met Wouter over hebben. Als ik hem nog niet kwijt ben geraakt, dan. Of ze vindt mijn slaapzak vies. Als die er nog ligt. En als ze mee wil, natuurlijk. Áls ze mee wil. Wat is ze mooi. Of niet?

Standaard