Jaloezie

Jealozius

‘Ga maar liggen schatje,’ zegt hij liefkozend, terwijl hij het meisje naar het bed dirigeert. Plomp valt ze achterover op het tweepersoons. Haar kleren en schoenen nog aan.

Steven kijkt bedenkelijk naar hoe ze daar ligt, met gesloten ogen en haar tong net iets te ver uit haar mond om nog aantrekkelijk te zijn.
‘Mijn verovering,’ denkt Steven, terwijl hij zijn schoenen uittrekt. ‘Goeie zet, gast.’
Met een klinkende ritsel maakt hij zijn broekriem los van zijn heupen.
‘Ik vond het echt, zó, gezellig vanavond,’ zegt het meisje, terwijl ze haar hoofd met een wankele draai van het bed oplicht.
‘Ja, ’t was een lekker feestje,’ antwoordt Steven met een scheve glimlach. ‘Wil je misschien een glaasje water?’ zegt hij met zoete stem.
Het meisje richt zich op en trekt Steven aan zijn shirt naar zich toe.
Steven stapt naar voren en laat zich door de lamme armen omhelzen. Dan buigt hij zijn hoofd naar beneden en wipt met een soepele beweging haar kin omhoog. Het meisje hoeft geen water, ze wil zoenen.
‘Wist je dat ik verliefd op je was toen je bij ons werkte?’ onderbreekt het meisje ineens.
‘Nee,’ liegt Steven verbaasd.
‘Wat een toeval dat we elkaar vanavond tegenkwamen hè?’ vervolgt het meisje.
‘Hm-hm,’ zegt Steven, terwijl hij haar nek kust.
Met ongerichte bewegingen friemelt hij haar bloesje open, terwijl hij haar lichaam langzaam terug op bed duwt.

Wanneer het meisje naakt en zachtjes snurkend tegen hem aan ligt, blijft Steven geruisloos met zijn gezicht naar het plafond in het zwart liggen staren. Zijn linkerarm, om de schouder van zijn oude collega, verhoedt dat hij het bed uit stapt. Met een zucht pakt hij zijn telefoon en drukt het beeldscherm aan. Het plotselinge felle licht dwingt zijn ogen tot spleetjes. Zijn duim speelt even met het touchscreen, en tikt dan het plaatje ‘galerij’ aan. Foto’s van een lachend blond meisje worden geprojecteerd op zijn netvlies. Het kleine figuurtje drinkt koffie, loopt op straat, probeert een rieten hoed aan op de markt…
Steven kauwt gepijnigd op zijn wang. Slechts een paar uur geleden liep Merla met diezelfde lach van het feestje weg. Haar arm speels om een harige hipster geslagen. Steven kreeg nog een knipoog.
Een glimlach en een knipoog, na twee jaar samen in een bed te hebben geslapen. ‘That can’t be right!’ grommen Steven’s gedachten in een povere Elvis Presley imitatie. Hij kijkt naar het meisje naast hem om zich ervan te verzekeren dat ze ligt te slapen.
Met algehele weerzin glijdt zijn duim naar een icoontje waaronder ‘opnamen’ staat. Dan vleit hij zijn lippen tegen de wang van het meisje aan en richt de telefoon omgekeerd naar zich toe. Na een heldere flits verschijnen de twee gezichten op het beeldscherm.
‘Ik vond het echt, zó, gezellig vanavond,’ typt hij in het berichtveld. ‘Ik hoop jij ook.’
En drukt verzend.

Door: Simone Peek

Standaard
Jaloezie

Zolang we maar niet doormidden worden gezaagd

“Die bomen,” vraagt ze, “hoe lang zouden die hier al staan?”
Geen idee,” antwoord ik. “Een jaartje of 200?”

Het kleedje waar we op liggen is te klein voor twee personen. Het geeft me een goede reden om nog dichter tegen haar aan te gaan liggen.
“Dat is lang,” zegt ze.
“Misschien wel 300 jaar. Eigenlijk zouden we hem moeten omzagen en de ringen tellen. Dan weten we het precies. Maar daar heb ik vandaag niet zoveel zin in. Ik heb ook weekend.”
Een hond loopt achter ons langs. Ze is er bang voor, vertelde ze eens. Ik eigenlijk ook, maar als ik bij haar ben, is die angst ineens weg. Dat zal wel iets uit de oudheid zijn. Het vrouwtje beschermen, zoiets.
“Met jou wil ik best 300 worden,” zegt ze en haar hand glijdt in die van mij. De hond snuffelt aan mijn voeten.
“Dat lijkt me ook wel wat,” antwoord ik. “Zolang we maar niet doormidden worden gezaagd.”
Ze kruipt dichter tegen me aan.
“Maar ja, wij zijn geen bomen, Evelien. Hoe je het ook wendt of keert.”
Ik voel haar diepe zucht en dan zegt ze: “Helaas.”
“Hierrrrr….,” roept een donkere stem achter ons en het snuffelen aan mijn voet is klaar. We zijn weer alleen in het park waar de hele stad ligt want het is mooi weer.
Langzaam draai ik naar haar toe en fluister dan: “Moet je voorstellen dat hier 300 jaar geleden ook al mensen lagen, te genieten van dezelfde zon. Eigenlijk is er niks veranderd.”
Ze zegt niks maar ik zie in haar ogen dat ze snapt wat ik zeg.
“Fascinerend vind ik dat. We liggen nu in het verleden. Nou ja, niet echt natuurlijk, het blijft 2013, maar je begrijpt wat ik bedoel.”
Zachtjes kust ze mijn wang. Ze begrijpt wat ik bedoel.
Een kraai landt op een tak ver boven ons. Hij kraait, zoals kraaien altijd hebben gedaan en altijd zullen blijven doen.
“Ik vind je leuk,” fluistert ze. “Zelfs als je onzin vertelt.”

Standaard
Jaloezie

De onderhandelingen zitten vast

“Mag ik jouw papiertje eens zien?”
Nee.”

“Waarom niet?”
“Het is mijn papier.”
“Ja maar dan mag ik hem toch wel zien?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Het is mijn papier.”
“Maar ik wil hem alleen maar zien!”
“Nee.”
“Kom op nou!”
“Nee.”
“Ruilen?”
“Nee.”
“Voor mijn papiertje!”
“Nee.”
“Voor mijn papiertje en mijn stift!”
“Wat voor stift?”
“Een groene!”
“Nee.”
“Een rode?”
“Nee, ik wil geen stift.”
“Wat wil je dan?”
“Niks.”
“Wil je mijn schaar?”
“Nee.”
“Mijn map?”
“Nee.”
“Mijn schrift?”
“Nee.”
“Mijn etui?”
“Wat zit erin?”
“Ehmm, een stift, een potlood, een potlood, een puntenslijper, een stift, een potlood, een potlood, een gum, een stift en een schaar.”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Het is mijn papier.”
“Maar waarom wil je niet ruilen?”
“Het is mijn papier.”
“Voor m’n stoel dan? Dan ga ik wel staan. Dat kan best.”
“Nee.”
“Voor m’n stoel en m’n tafeltje?”
“Ehhmm…”
“En dan krijg je m’n etui en m’n map en m’n schrift er ook bij.”
“Ehhmm…”
“Tooeee!”
“Nou… Oké.”

“Joris, wat ben jij aan het doen?”
“Niks.”
“Waarom sta je?”
“Zomaar.”
“En waarom heeft Rik jouw tafeltje?”
“Gewoon.”
“Rik, waarom heb jij Joris z’n tafeltje?”
“Ik heb z’n stoel ook.”
“Waarom heb je dat?”
“Hij heeft mijn papier.”
“Jouw papier?”
“Ja.”
“Joris, wat doe jij met Rik’s papier?”
“Die heb ik gekregen.”
“Zomaar?”
“Ja.”
“En Rik heeft zomaar jouw stoel en tafeltje?”
“Ja.”
“Hebben jullie geruild?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Ik wou zijn papiertje.”
“Was het zo’n bijzonder papiertje?”
“Ja.”
“Mag ik het papiertje eens zien?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Het is mijn papier.”
“Ja maar dan mag ik hem toch wel zien?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Het is mijn papier.”
“Maar ik wil hem alleen maar zien!”
“Nee.”
“Joris…”
“Nee.”
“Ruilen voor mijn papier?”
“Nee.”
“Voor een stift?”
“Nee.”
“Wat is er zo bijzonder aan dat papiertje, Joris?”
“Niets.”
“Waarom mag ik hem dan niet zien?”
“Het is mijn papier.”
“Rik, ik denk dat je Joris z’n tafeltje en stoel moet teruggeven.”
“Nee.”
“Het zijn zijn spullen.”
“Nee.”
“Rik, geef z’n spullen terug.”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Hij heeft mijn papier.”

Standaard
Jaloezie

Wim

“Kijk, daar komt-ie weer aan. Met zijn Milestone. Dat is een handgemaakte, metalen mepper uit Hannover. Een heel mooie,” zei Wim terwijl hij trachtte te wijzen.

Vroeger was Wim de orgelman van dit dorp geweest. Sinds de reuma flink had opgetreden en hij noodgedwongen moest stoppen was Gerrit de Bock dat.
“Wat voor merk mepper had jij vroeger dan, Wim?” vroeg ik, maar ik zag het glanzende metaal precies voor me.
“Een Bellinger. Dat waren pas klappers. Hoorde je gewoon het verschil tussen een vijfje en een knaak. Heb je dat? Bellinger. Met dubbel L.”
We zaten op een bankje, tegenover het restaurant waar we nog groentesoep zouden eten. Mijn notitieboekje waaide van mijn schoot toen hij vertelde dat Gerrit bij hem in de klas had gezeten op de lagere school. Ze hadden een oogje op hetzelfde meisje gehad en uiteindelijk was Wim er het eerst ‘op geweest’, zei hij. Meer hoefde ik even niet te weten.

“Hij moest zelfs een orgelcursus volgen, hij wist echt helemaal niks. Ik heb het vak tenminste van mijn vader geleerd – God hebbe zijn ziel. Mijn ma is er ook niet meer, hoor,” zei hij en daarop keek ik weg.
Daarna vertelde hij dat het tien jaar geleden was dat hij moest stoppen en het zwaarste gevoel wel was weggeëbd, maar wat het meeste wrong, was om te zien dat Gerrit het samen met zijn zoon deed. Wim had vlak voordat hij ongeschikt verklaard werd zijn eigen zoon om hulp gevraagd, maar die was na de dood van zijn moeder zonder een woord naar de stad verhuisd. Op Wims laatste verzoek was hij ook niet ingegaan. Hij heeft hem nu twintig jaar niet gezien, vertelde hij.
Dit deed pijn.
“Als ik zie hoe Gerrit dat samen met zijn zoon doet… Ja, dan voel ik wel afgunst. Tobias draait en Gerrit met de mepper. Die samenwerking maakt me nijdig.” Ik schreef het op.

“Als ik zo vrij mag zijn, Wim – wat is er met zijn moeder gebeurd?”
“Daar heb ik het liever niet over.”
“Dat dacht ik al.”
“Hmm.”

Wim wreef moeizaam met zijn iets betere rechter over zijn linker.
“Misschien is het wel gerechtigheid, die slechte handen. Ik heb ze niet altijd even netjes behandeld.” Er raasde een zandstorm over het bankje. Ik haalde diep adem en voelde het schuren. Noteren deed ik al niet meer.

“Wanneer wordt dit eigenlijk gepubliceerd?”
“Sorry?”
“Wanneer staat dit in de krant?”
In de verte hoorde ik Tulpen Uit Amsterdam en een rammelende Bellinger.
“Laten we soep gaan eten.”

Standaard