Hebzucht

Gevangen

Terwijl ik daar zo voor de deur van mijn huis aan het roken ben, verval ik in gepeins. ‘Bezit’. Ik heb het nooit begrepen. Het lijkt erop dat hoe meer je ervan hebt, hoe minder je vooruit komt.

Het lijkt zo logisch: de ‘basis’ is je huis en de broodnodige inrichting. Daarna komt de verdere invulling, waarmee je je huis en jezelf karakter geeft. Voor elke leuke of belangrijke herinnering bewaar je een symbolisch voorwerp, een souvenir, om weg te kunnen zetten. Om de herinnering los te kunnen laten. Om te kunnen vergeten. Om toch af en toe weer naar te kunnen kijken.

En dan zit je daar, met een huis waar je niet meer van weg durft. Geen lange reizen meer, weg immigratieplannen. Jij bent niet meer jij, maar ook je bezit. Er afstand van doen is een te grote opgave geworden, een te grote puzzel van verschillende gefragmentariseerde emoties waar je je doorheen zou moeten werken. Je zou ook niet meer weten wie je bent zonder je spullen; ze vormen een barricade tegen de grote boze buitenwereld waar niemand jou helemaal kent. Je spullen kennen je. Alles bij elkaar kennen ze jou voor honderd procent, vormen ze een tijdlijn waar je in gedachten over naar voren en achteren zou willen schuiven. Niet dat je dat doet: de chronologie is al lang niet meer zichtbaar in al die spullen.

Je beseft dat je niet zozeer fysiek gevangen bent – in dat geval zou immers alles gewoon weg gegooid kunnen worden en zou je zo weg kunnen lopen – het is eigenlijk meer mentaal; je bent gevangen in symboliek: ieder voorwerp zijn eigen symbool. Die grappige koffiemok als symbool voor je eerste lange relatie, een vergeeld artikeltje aan de muur dat je ooit schreef voor de schoolkrant – je was er zo trots op, een antiek klein kastje als aandenken aan je oma – het was slechts één ding dat je nodig had uit dat gigantische huis, toen ze overleden was en alle familieleden er als aasgieren begonnen rond te waren. Maar het zijn vaak de kleine dingen die het meeste voldoening geven als ze eenmaal een plekje hebben gekregen.

Voldoening is een valkuil. Het staat voor een tevreden gevoel op het moment zelf, niet later, niet langer, niet duurzaam. Voldoening is iets waar je je uitstel mee weg lacht. Het is de stofdoek die je te voorschijn haalt wanneer je niet moet schoonmaken, maar naar haar toe moet om haar terug te winnen. Het is de schone kamer die je blinkend aan staart en jou als enige niet beschuldigt van het feit dat je maar weg blijft lopen, nooit de beste optie kiest, altijd de dichtstbijzijnde. Het is dat souvenir dat je bewaart als herinnering aan een leven waar je eigenlijk uit weg wil.

Gelukkig zie ik het nu een stuk helderder. Dit moet een keerpunt zijn. Morgen gaan er voorwerpen verdwijnen en pak ik de eerste trein die ik op het station zie staan. Morgen is de eerste pennenstreek op een schone lei. Een laatste hijs neem ik van mijn peuk; een bijzondere peuk wordt dit: al deze cruciale gedachten kwamen in mij op terwijl ik hem aan het roken was. Ik maak hem uit door een dikke zwarte streep te trekken op de muur naast mijn voordeur, wat ervan over is stop ik in mijn zak. Tevreden worstel ik mij langs allerlei objecten mijn huis binnen, achter mij een muur met een hele rij zwarte strepen. Natuurlijk, ik weet dat ze er staan. De voldoening zit hem in het feit dat dit de dertigste streep is. Een mooi rond getal; misschien moet ik hier later nog een aandenken voor bedenken.

Door: Timo Vosse

Standaard
Hebzucht

De grillen van een fluctuerende markt in crisistijd

“Als we nu verkopen tegen kostprijs, dan beperken we het gestuntel van vandaag zo goed mogelijk” zegt Dirk en hij kijkt er heel serieus bij. Zweten doet hij ook en als ik zonder lichamelijke voorkennis op pad gestuurd zou zijn om de oksels van hem te lokaliseren, had me dat dankzij de grote vlekken geen enkel probleem opgeleverd. Kortom, dit is het betere zweten, dit zweten als een Tom-Tom.

Ik snap wat je zegt, Dirk, maar tegen die prijs verkopen is geen optie, “ zeg ik. Met mijn pen teken ik een olifantje op het notitieblok voor me. Daar moet je niks achter zoeken, olifanten teken ik altijd. Het is gewoon makkelijk: twee rondjes, paar poten, grote oren en een slurf. Simpel, maar wel net anders dan wat jij zou tekenen uit verveling. Dat vind ik belangrijk.
“Luister,” zegt Dirk, “het is nu of nooit. Nu verkopen of anders raken we het nooit kwijt en dan zitten wij met de gebakken peren. Dat weet jij , dat weet ik, maar dat weten zij niet. Verkopen die handel. Grote strik erom en weg! Daag! Gaat het zo mee? Ja hoor, vriendelijk bedankt. Prettig weekend!”
Ik knik, maar denk: “Dirk lijkt eigenlijk best op een olifant.” Ik knijp mijn ogen een beetje samen en loer zo naar Dirk. Zo lijkt-ie er nog meer op. De oren heeft hij al, alleen een goede slurf mist nog, maar dat hoeft geen probleem te zijn; ze kunnen zo veel tegenwoordig.
Ik lach en zeg dan: “Je maakt een denkfout, Dirk. Een joekel van een denkfout. Een kneiter van een joekel. Ik mag wel zeggen: een knoeperd van een kneiter van een joekel. Je onderschat weer eens de grillen van een fluctuerende markt in crisistijd.”
Dirk staat wild op van zijn stoel. Zijn laptop klapt-ie dicht. Het Apple-logootje dooft, zijn hoofd wordt roder en roder. Hij vecht tegen een uitbarsting, dat kan niet anders. Ergens in die grote olifantenkop van hem zit een mannetje hardop tot tien te tellen. Ferme happen lucht verdwijnen onder zijn doorweekte overhemd dat inmiddels één grote oksel is geworden.
Maar hij zegt niks. Nog niet.
“Dirk,” begin ik, “ga even rustig zitten. Denk aan je bloeddruk.” Met een sierlijke beweging schop ik zijn bureaustoel met het zitvlak naar voren naar hem toe. Dat is vijftien jaar voetbalervaring, een traptechniek van heb ik jou daar.
“Nee, jij begrijpt het niet,” zegt Dirk, de bureaustoel negerend. “Dit is het moment, Ronald! De schade beperken en morgen met frisse moed weer opnieuw beginnen.”
Stiekem moet ik een beetje lachen om die oude baas met zijn gedateerde handelstechnieken. Ik wil hem zo graag serieus nemen, maar het lukt gewoon niet. Nu niet, nooit niet. Natuurlijk maak ik weleens een foutje op de markt, maar dat hoort er nu eenmaal bij. Vaker heb ik gelijk. Als je dat tegen elkaar weg streept, zie je onder aan de balans dat ik gewoon ontzettend goed ben in mijn werk. De beste misschien wel, maar dat moeten anderen maar bepalen. Ik ga dat niet over mijzelf zeggen.
“Luister,” zeg ik, “we moeten echt nog even wachten. Vertrouw erop dat er nog wel een koper komt die geeft wat wij in eerste instantie wilden. Geduld hebben, Dirk, geduld hebben.”
“We kunnen niet langer wachten,” schreeuwt Dirk. “Begrijp dat dan! We moeten nú verkopen!”
Ik schud mijn hoofd en zwijg. Waarom werk ik hier nog? Dirk is een goede peer, het is niks persoonlijks, maar zijn aandeel in de zaak is gezien zijn gebrekkige kennis van de materie veels te groot, als je het mij vraagt . Hij doet maar wat. Handel op z’n boerenfluitjes.
“Weet je wat jouw probleem is?” zegt Dirk en zijn hoofd is nog steeds zo rood als de verse aardbeien die ik vanmiddag bij de lunch heb gehad.
“Jouw probleem is dat je alles meteen wilt hebben. Maar dat kan niet, Ronald. En dat weet je best, want je bent een slimme jongen. Je zegt tegen mij dat ik geduld moet hebben, maar als een iemand geen geduld heeft, dan ben jij het wel.”
Ik knik, voornamelijk uit beleefdheid. Ik ben nu eenmaal een beleefde jongen.
Dirk gaat verder: “Toen ik je bij de zaak haalde, had ik het nog zo gezegd tegen je: het draait allemaal maar om twee dingen: timing en geduld. Rustig bouwen aan een imperium. En natuurlijk maken we soms verlies, maar dat moet je niet zien als verlies, maar als een investering. Er is maar een ding wat we nooit uit het oog mogen verliezen en dat is de koers. Zonder koers zijn we roerloos en dobberen we met ons schip van vertrouwen maar doelloos rond op de immer woelige zee van vraag en aanbod.”
“Ja,” zeg ik, “die speech herinner ik me nog wel. Vond het toen al loos gelul in de ruimte. Je vergelijkt appels met peren. Dat kon misschien in de jaren 50, maar anno 2013 moet je vechten voor een gunstige plek op de markt.”
“Nou moet je eens goed luisteren, “ schreeuwt Dirk, “ik ben het nu goed zat. Je moet niet vergeten dat mijn naam op de gevel staat. Uiteindelijk ben ik de eindverantwoordelijke en als ik zeg dat je nu moet verkopen tegen deze prijs, dan regel je het maar!”
Ik zucht en zeg dan: “Oké, Dirk, jij bent de baas. Maar als we deze discussie nu elke dag gaan krijgen, weet ik niet of ik hier wel op mijn plaats zit. Ik moet ergens werken waar mijn mening gewaardeerd wordt. Ik ben niet de eerste de beste loopjongen die je kan afblaffen met commando’s. Ik ben een vakman, misschien wel de beste.”
“Je moet je plaats weten, jongen,” zegt Dirk. “Je denkt dat je er al lang bent, maar je komt net kijken.” Zijn woede lijkt te zakken, nu ik hem zijn zin heb gegeven. Dirk pakt zijn laptop en wijst naar de telefoon: “Bellen, nu.”
Mompelend loopt hij het kantoor uit.
Ik neem een slok vruchtendrank en draai dan het nummer. Vier keer gaat-ie over en dan zeg ik: “Harrie? Dit is Ronald van het hoofdkantoor. We hebben net overlegd en je mag de rest van de dag die laatste drie kilo prei verkopen tegen de kostprijs. Maar morgen op de markt van Andijk begin je gewoon weer met de normale verkoopprijs. Of weet je wat? Ga er maar iets boven zitten. Maar vertel het die oude baas niet. Ons geheimpje.”

Standaard
Hebzucht

Om niks

Niemand weet waarom de muren van het steegje zwart zijn geverfd, al maakt dat ook niet echt uit. Het is er nu donkerder dan donker, dankzij de steeg, die de maanloze, regenachtige nacht versterkt in kracht.

Een gloeiende peuk is het enige lichtpuntje. Het gezicht van de eigenaar rilt van de kou. Water stroomt door z’n baard, terwijl hij de tien magere graadjes vervloekt.

Een slagregen later strompelt er een tweede man het steegje binnen. Het hoofd met het lichtpuntje richt zich op. ‘Hé’, roept de man, waardoor de peuk uit z’n mond valt. ‘Dit is mijn steeg’, vervolgt hij. Z’n rauwe stem scheurt door de steeg en raakt de tweede man op het moment dat hij bukkend naar een stuk vuil grijpt. Hij verstart, terwijl de regen steeds langzamer op zijn rug valt. Dit is mijn steeg, roept de man nogmaals. ‘Er’, begint de tweede man, maar hij moet zijn zin opnieuw starten omdat hij te zacht praat. Hij slikt.

‘Er is hier ruimte zat!’

Het galmt tussen de twee muren. Harder dan hij wilde.
‘Het is mijn steeg’, komt het weer terug.

Een flits. De mannen kunnen elkaars silhouet zien tegen het licht dat aan beide kanten van de steeg naar binnen kruipt. Het blijft even stil. In de verte klinkt een donderslag.

De eerste man doet een stap naar voren. ‘Wegwezen!’
‘Ik kan er best bij.’
‘Nee, je kan er niet bij en je moet weggaan, dit is mijn plek en dat is zo en zo blijft het dus je moet gaan.’
Na die zin gaat het snel. De flits zet alles in gang. De mannen rennen in het licht naar elkaar toe. Daarna een zwarte worsteling. Het geluid van de donder overstemt kort het hijgen en kreunen van de mannen, gedempte kloppen er tussendoor. De kloppen verdwijnen. Het gekreun maakt plaats voor happen naar adem. Weer een flits. De nieuwe man heeft zijn arm om de keel van de ander. In het donker wordt het langzaam stil. Een ijzige stilte die weer doorbroken wordt door een donderslag.

De man staat op. Hij rolt het lichaam van de ander naar de zijkant en gooit er wat vuilniszakken op. ‘Ruimte zat’, fluistert hij, waarna hij het plekje opzoekt en zich onder het karton vlijt. Weer een flits. Hij ziet de peuk liggen, raapt hem op en steekt ‘m aan. Een donderslag doet de rook trillen. Dan begint het hard te regenen.

Standaard