Hoogmoed

Kampeertrots

“Lukt het, Jochem?”
Ik zucht diep en probeer een scheldpartij binnen te houden.
“Ja hoor liefje. Geen probleem,” antwoord ik met mijn beste glimlach.

Saskia, mijn vriendin, heeft het campingstoeltje al uit de auto gehaald en is begonnen aan een kruiswoordpuzzel. Ik kijk naar de ravage van tentstokken om mij heen en schop geïrriteerd tegen het tentdoek dat op het gras ligt. Jammer dat ik daardoor niet de verdwaalde grondharing van de voorgaande bewoners van dit stukje grond heb gezien. De vloekpartij is steeds moeilijker te onderdrukken, terwijl ik mezelf op de grond laat vallen om de schade aan mijn voet te bekijken.
“Weet je zeker dat het goed gaat, Jochem?”

Voordat ik kan antwoorden lopen er twee schaars geklede mannen langs. Beide uitgedost met een handdoek over de schouder en ontblote bovenlijf. Ik kan niet anders dan jaloezie voelen. Niet voor hun ontblote bovenlijven, maar omdat zij geen tent hoeven op te zetten met dertig graden Celsius.
“Bonjour,” begroeten ze in koor.
Ik knik vriendelijk terug, terwijl ik mijn verwonde teen masseer.

“Wat is het toch met kamperen? Iedereen heeft plots de neiging om over sociaal te gaan doen.”
“Was jij de tent niet aan het opzetten, Jochem?”
“Ik had even een kleine pauze, Sas.”
Ze kijkt even op van haar kruiswoordpuzzel en lacht me toe.
“Ik zou maar opschieten, want volgens mij nemen anders de Duitse achterburen onze plek in.”
Geschrokken kijk ik achterom en zie een camper met een Duits kenteken steeds dichterbij komen. Snel spring ik op, maar het is al te laat. Onze Germaanse achterbuurman heeft zijn camper al op de rem gezet en staat nu gezellig tegen onze plek aan.
Saskia lacht en vestigt haar aandacht weer op haar puzzel.
“Ja Jochem, wat is dat toch met dat over sociale gedoe op campings?”

Geïrriteerd gooi ik enkele tentstokken aan de kant en besluit om mijn vloekpartij maar de vrije loop te geven.
“Sorry Sas, maar ik heb het warm en ben ontzettend moe. Ja, laten we naar Frankrijk gaan? Wie had het idee om tien uur achter elkaar door te rijden naar deze stink hitte?”
Saskia legt het boekje neer op haar schoot en wijst met haar pen mijn richting op.
“Hmm oké, maar het was zeker niet mijn idee om dan met deze rot tent te gaan zeulen! We hadden die klote caravan van je vader kunnen lenen!”
Ik probeer mijn stem niet te verheffen, maar toch merk ik dat ik hierin gefaald ben en dat onze Duitse achterburen aan het genieten zijn van mijn tirade.
Saskia lacht: “Mag ik je herinneren dat je een week geleden zei dat je die tent binnen vijf minuten kon opzetten? En dat tien uur rijden geen probleem was voor deze jongen? En was jij niet degene die zei dat een caravan echt voor nep-kampeerders is?”

Ik zeg niets en raap langzaam de tentstokken bijeen. Zucht, waar ben ik aan begonnen?

Saskia pakt haar kruiswoordpuzzel weer op en gaat vrolijk verder.
“Jochem, Zes naar beneden. Trots. Begint met een H en eindigt met een D. Acht letters.”
Vermoeid kijk ik haar aan. “Hoogmoed, lieverd. Het is hoogmoed.”
“Gelukkig lieverd, dan zijn we het daar over eens. Vergeet je niet dat je hierna nog het luchtbed moet oppompen?”
Ik zucht en knik. Dit gaan twee erg lange weken worden.

Door: Erik van Asselt

Standaard
Hoogmoed

Zelfs Mark Knopfler met zijn rare zweetband

Ze speelt met het bierviltje. Doet ze altijd als het gesprek stilvalt. Draaien op z’n kant. Plat op de tafel. Omdraaien. En uiteindelijk doormidden knakken.

We zitten weer eens op het terras van Café de Knalpot. Een mooie donderdagavond en om ons heen het geroezemoes van een stad op vakantie. Onderweg hiernaar toe moesten we twee toeristen de weg naar het Leidseplein wijzen. We wonen nu zelf ruim drie jaar in de hoofdstad, maar het blijft leuk om bevestigd te krijgen dat je door Amsterdam loopt alsof je perfect weet waar alles zit. Hier de straat door, dan rechts en dan loop je er recht op af. Pas op voor de tram, je zult niet de eerste zijn die door zo’n onding van de sokken wordt gereden.
“Wil jij nog wat drinken?” vraagt Fleur en wanneer ik opkijk uit mijn dagdromerij zie ik dat er zowaar een ober naast ons tafeltje staat. Terwijl hij wacht op onze bestelling steekt hij het kaarsje aan.
“Wel zo gezellig,” zegt hij.
Ik kijk op mijn telefoon: half 10 en drie nieuwe Whatsapp-berichten. Ik draai het apparaat om en zeg dan: “Laten we er nog maar eentje doen. Doe mij maar een witbiertje, wat wil jij, Fleur?”
Ze kijkt me aan en zegt dan: “Je weet best wat ik wil, Alfred.” Ze pakt het kaarsje en doet haar handen eromheen alsof ze het koud heeft.
“Een witbiertje en een Spa rood, graag,” zeg ik en met een knik bevestigt de ober de bestelling.
Het blijft stil aan ons tafeltje. Op de achtergrond hoor ik zachtjes muziek, waarschijnlijk uit het café. Iets van Dire Straits als ik me niet vergis. Walk of Life op het eerste gehoor en zo’n café is het ook wel. Kan me niet voorstellen dat ze minder bekend albumwerk als Les Boys draaien. Kan me eigenlijk niet voorstellen dat er iemand is die dat überhaupt nog draait. Hoe kwam Mark Knopfler er in hemelsnaam bij om zo’n raar niemendalletje op te nemen en ook nog uit te brengen? Moet een geweldig gevalletje van zelfoverschatting zijn geweest. Blijkt maar weer eens dat iedereen iemand nodig heeft die het aandurft om de harde waarheid te zeggen wanneer dat nodig is. Zelfs Mark Knopfler met zijn rare zweetband.
Ik gnuif.
“Waarom lach je?” vraagt Fleur en het valt me nu pas op dat het massagraf inmiddels al vier gesneuvelde bierviltjes bevat.
“Oh, niks,” antwoord ik.
“Een witbiertje voor meneer en een Spa rood voor mevrouw.”
Ik hou mijn bierglas in de lucht en zeg: “Proost. Op de verdwaalde toeristen.”
Fleur klinkt haar glas tegen de mijne en we nemen een slok.
En het is weer stil.
Een scooter met twee luidruchtige jongens knalt voorbij.
Nog een Dire Straits nummer; een verzamelalbum.
Vlammetjes bij de buren.
Haar voet tegen de mijne.
“Alfred?” vraagt Fleur terwijl ze het massagraf aanvult met het vijfde, voorheen perfect ronde slachtoffer.
“Wat is er, poppetje?” zeg ik om daarna meteen een slok van mijn biertje te nemen. Ik noem haar nooit poppetje. Geen idee waar dat ineens vandaan komt.
Ze moet er gelukkig om lachen. Dan zegt ze: “Ik denk dat als je mij zou vragen, dat ik ja zou zeggen.”
Ik voel een brede glimlach op mijn gezicht verschijnen. Zo’n eentje die een luie schrijver zou omschrijven met de woorden ‘van oor tot oor’ als hij niet wordt tegengehouden door een ijverige redacteur.
“Nou,” begin ik, “dan gooi ik dat binnenkort maar eens in de redactievergadering en dan hoor je wel wat er uit komt.”
Ze lacht en ik vraag de rekening bij de passerende ober.

Hand in hand lopen we naar huis. Hier de straat door, de tweede links, oppassen voor de tram en dan kunnen we het niet missen. Ze zwijgt en ik fluit Walk of Life.

Standaard
Hoogmoed

Vluchtgedrag

Pim was de grootste en mooiste struisvogel van de vlakte met de berg in het midden. Er ging in de struisvogelgemeenschap zelfs een gerucht rond dat hij bovendien de grootste en mooiste struisvogel van alle vlaktes was.

Niemand wist of het waar was, maar voor de zekerheid gedroeg Pim zich er maar wel naar. Plebs, zei hij wel eens, wat moeten jullie blij zijn dat jullie zo’n prachtige struisvogel in jullie midden hebben. Daar keek hij voldaan bij.
Pim was wel de grootste en mooiste struisvogel, maar ook de minst grappige. Hij had zogezegd een beperkt grappenwoordenboek. En dat terwijl struisvogels over het algemeen hilarische dieren zijn. Ken je dat fabeltje dat struisvogels hun hoofd in het zand steken als ze bang zijn? Dat is gewoon door een struisvogel bedacht, tijdens het foerageren. De kudde heeft weken dubbel gelegen van het lachen. En toen een onderzoeker deze kudde ontdekte was er net eentje aan het voordoen hoe dat dan zou lijken. Alle andere struisvogels moesten zo hard lachen dat hun hoofd tegen hun enkels klapten. Zo is die grap groot geworden.

Maar goed, Pim had die gave dus niet meegekregen. Zijn beste grap ging als volgt:

Eerst ging Pim stilletjes achter een andere struisvogel staan.
Daarna gaf hij een enorme schop tegen de billen van die struisvogel.
Die struisvogel schrok daar natuurlijk zo van, dat hij keihard wegrende.
Pim zei dan tegen de andere struisvogels: “Hij schrok zo dat hij vergeten is hoe hij moet vliegen!”
Daarna lachte Pim hard.

De eerste vijfhonderdvierendertig keren dat Pim dit deed vonden de struisvogels dit nog wel leuk. Zo konden per slot van rekening ook niet vliegen, dus klopte wat hij zei, wat het grappig maakte. Ik zei al dat ze een goed gevoel voor humor hadden.

Afijn, na de vijfhonderdvijfendertigste keer was de maat toch een beetje vol. Ze waren maar met z’n twaalven, dus ieder van hen was toch al gauw vierenveertig keer geschrokken weggerend. Daarnaast was de grap er in die acht dagen sinds Pim hem had bedacht ook wel een beetje afgeraakt. Ze besloten dat het tijd was om Pim eens terug te pakken.

Die nacht lag Pim op zijn grootse en prachtige wijze te slapen. Hij had zijn nek verder en langer over de grond uitgestrekt dan wie ook in de kudde. Normaal gesproken dan, want alle andere struisvogels waren wakker. Heel stilletjes liepen ze met twee grote planken van triplex naar hem toe. Ze bonden de planken aan Pims vleugels vast en ging met z’n allen achter hem staan. In de verte zagen ze de zon opkomen. Toen namen ze een aanloop en schopten Pim in één keer heel hard tegen zijn billen.
Pim schrok natuurlijk, en begon heel hard weg te rennen. Maar door de platen van triplex en de hoge snelheid die struisvogels tijdens een sprint bereiken, werd de druk onder Pims voeten langzaam minder. Net zolang tot zijn voeten in het luchtledige maaiden. Hij was de eerste vliegende struisvogel in jaren. En onder hem lachte de kudde: “Hij schrok zo dat hij weer geleerd heeft te vliegen!”

Niemand heeft Pim ooit weer gezien.

Standaard