Verhaal #139 • Afgesproken thema: Begrafenis

Kampergraf

‘Hier is het.’
‘Hier? Waarom?’

Het grind knarst onder onze voeten zoals het dat alleen op een plaats als deze kan. Het klinkt niet hard, maar toch doordringend. Het snijdt. Ik kijk haar aan om het uit te bannen, te verdringen; dat geluid, maar het lijkt de echo’s van jaren vooruit te werpen.
Ik zie dat ze me al ziet lopen hier, met bloemen of een stukje. Ook zij hoort wat ik niet horen wil.
Ze lacht me even het leven toe, probeert me gerust te stellen.
‘Nou, dat vind ik een goeie plek.’
‘Mmm.’
‘Wat nu; “Mmm”? Hier val ik niet op. Gewoon een simpele steen. Naam, geboortedatum, overlijdensdatum, vriendin van en dan jouw naam. Klaar.’
‘Misschien val je hier net op.’
‘Nee hoor, niet naast dat kampergraf.’
Kampergraf. Ze spreekt het uit zoals ze betaalautomaat zou zeggen. Zonder waardeoordeel. Gewoon een droge constatering.
‘Kom maar mee.’
Ik volg haar naar een bankje dat onder een oude beukenboom staat.
‘Zitten en kijken.’
Haar woorden klinken krachtiger dan ze zich op dit moment zal voelen. Maar ze weet ook dat ik haar nu weinig tot niets meer kan weigeren. Dus ga ik naast haar zitten, dicht tegen haar aan en kijk met haar naar het graf.

‘Zie je?’
Ze doorbreekt de stilte van twee uur gezamenlijk observeren. Ik hoef haar alleen maar aan te kijken om haar gelijk te bevestigen.
Liefdevol veegt ze de tranen van mijn wangen.
Ze wrijft over mijn rug en schouders als ik verslagen voorover buig en mijn gevoel probeer te verbergen in mijn handen.
Ik zou haar zo’n graf hebben willen geven. Zo’n graf waarbij ik tijdens de afgelopen twee uur tijd mensen stil heb zien staan, wijzend op de witte marmeren paarden die de dooraderde gigantische steen flankeren. Mensen die de overledene niet gekend hebben, maar staren naar de fraai uitgehouwen beeltenis en het gedicht dat daaronder staat.
Een klein monument.
Maar zo is ze niet. Zo is ze nooit geweest. Ze heeft altijd al een hekel gehad aan mensen die zich vergaapten aan haar uiterlijk.

‘Het is ook praktisch. Als mensen vragen waar ik lig, kun je zeggen: “Rechts naast het kampergraf”.’
Mijn snikken maakt plaats voor schokschouderend lachen.
We lopen terug.
Ze lijkt opgewekt
Ze pikt een roos van een andere steen en legt die liefdevol tussen de paarden.
Met een glimlach kijkt ze naar het graf.
‘Wij worden goede buren.’

Door: Han Knols



Wie is gastschrijver?

Dat ben jij! Nou ja, als je een beetje handig met woorden bent. Jouw verhaal ook op de website van Schrijversgenootschap De (Voorheen) Lege Bladzijde? Stuur je beste werk naar info@schrijversgenootschap.nl en laat je lezen!
Standard