Begrafenis

Kampergraf

‘Hier is het.’
‘Hier? Waarom?’

Het grind knarst onder onze voeten zoals het dat alleen op een plaats als deze kan. Het klinkt niet hard, maar toch doordringend. Het snijdt. Ik kijk haar aan om het uit te bannen, te verdringen; dat geluid, maar het lijkt de echo’s van jaren vooruit te werpen.
Ik zie dat ze me al ziet lopen hier, met bloemen of een stukje. Ook zij hoort wat ik niet horen wil.
Ze lacht me even het leven toe, probeert me gerust te stellen.
‘Nou, dat vind ik een goeie plek.’
‘Mmm.’
‘Wat nu; “Mmm”? Hier val ik niet op. Gewoon een simpele steen. Naam, geboortedatum, overlijdensdatum, vriendin van en dan jouw naam. Klaar.’
‘Misschien val je hier net op.’
‘Nee hoor, niet naast dat kampergraf.’
Kampergraf. Ze spreekt het uit zoals ze betaalautomaat zou zeggen. Zonder waardeoordeel. Gewoon een droge constatering.
‘Kom maar mee.’
Ik volg haar naar een bankje dat onder een oude beukenboom staat.
‘Zitten en kijken.’
Haar woorden klinken krachtiger dan ze zich op dit moment zal voelen. Maar ze weet ook dat ik haar nu weinig tot niets meer kan weigeren. Dus ga ik naast haar zitten, dicht tegen haar aan en kijk met haar naar het graf.

‘Zie je?’
Ze doorbreekt de stilte van twee uur gezamenlijk observeren. Ik hoef haar alleen maar aan te kijken om haar gelijk te bevestigen.
Liefdevol veegt ze de tranen van mijn wangen.
Ze wrijft over mijn rug en schouders als ik verslagen voorover buig en mijn gevoel probeer te verbergen in mijn handen.
Ik zou haar zo’n graf hebben willen geven. Zo’n graf waarbij ik tijdens de afgelopen twee uur tijd mensen stil heb zien staan, wijzend op de witte marmeren paarden die de dooraderde gigantische steen flankeren. Mensen die de overledene niet gekend hebben, maar staren naar de fraai uitgehouwen beeltenis en het gedicht dat daaronder staat.
Een klein monument.
Maar zo is ze niet. Zo is ze nooit geweest. Ze heeft altijd al een hekel gehad aan mensen die zich vergaapten aan haar uiterlijk.

‘Het is ook praktisch. Als mensen vragen waar ik lig, kun je zeggen: “Rechts naast het kampergraf”.’
Mijn snikken maakt plaats voor schokschouderend lachen.
We lopen terug.
Ze lijkt opgewekt
Ze pikt een roos van een andere steen en legt die liefdevol tussen de paarden.
Met een glimlach kijkt ze naar het graf.
‘Wij worden goede buren.’

Door: Han Knols

Standaard
Begrafenis

Op elke pagina

Hij had het verhaal voorgelezen dat hij had geschreven in zijn lederen notitieboek tijdens hun vakantie in Frankrijk. Marseille, in een tentje. Alleen de donderdag was het droog geweest.

“Hier, in deze goedkope tent, met het regen op het doek, weet ik het zeker: meer dan dit heb ik niet nodig.”
En daarna brak hij.
De kerk huilde mee.

Vanmiddag had hij een literaire agent aan de telefoon. Ze konden zeker wel wat met het toegestuurde werk. “Dit moet je vieren,” zei de stem, maar hij kon het niet. Een boek was nooit zijn plan geweest.

“Het leven is te kort om na te denken over je mortaliteit,” zei ze eens om daarna snel de muziek harder te zetten. Uitdagend danste ze om hem heen, daar in zijn kleine woonkamer. Even had hij haar zwierende bewegingen gade geslagen en daarna trok hij haar op zijn schoot. Ze lachten en ze hadden het na die middag nooit meer over de dood.

Het lederen notitieboek was een cadeau van haar geweest. “Als ik inderdaad je muze ben, dan moet ik je ook creatief stimuleren,” had ze triomfantelijk gezegd met het slordig ingepakte pakketje in haar handen. Daar kon hij niks tegenin brengen.
Rechtsonder, op elke pagina, had ze een hartje getekend.

Als ze bij hem op de bank een tijdschrift lag te lezen en hij aan zijn bureau zat te schrijven, konden er zomaar uren voorbij gaan zonder dat ze wat zeiden. Maar vaker verbrak ze de stilte met zinnen die begonnen met “he, moet je horen wat hier staat.” En dan deed hij net of hij luisterde, maar ondertussen zette hij met zwierige letters hun namen bij het hartje onderaan de pagina.

“En, schrijvertje van me, heb je al wat moois geschreven?” vroeg ze vaak na zo’n lange sessie op zijn kamer. Hij pakte dan het notitieboek, ging staan, knikte naar zijn publiek en las dan zijn nieuwe verhaal voor. Wanneer hij klaar was, keek ze hem aan, klapte in haar handen en zei dan: “Chapeau. Nu nog een keer, maar dan met stemmetjes.” Zo ging het altijd en altijd kuchte hij dan en las hij het verhaal nog eens voor, met voor elk karakter een ander stemmetje.
Hij had geen keuze, ze is zijn muze.

Standaard
Begrafenis

Luisteren

De diepe stilte die ik zo waardeer wordt verdreven door het geknerp van schoenen op grind, het gefluister van tientallen mensen en het zachtjes openklappen van paraplu’s. Geen mens praat over nu. Ze praten over gisteren op de voetbal, morgen op de zaak.

Het gefluister gaat over in gemompel naarmate men verder achter de kist loopt. Er is mij wel eens verteld dat dit lijkt op een schooldirecteur die meegaat op excursie. Want als hij zich omdraait weet je dat het echt goed mis is. Althans, dat hoorde ik. Ik ben altijd benieuwd wat er dan gebeurt als er een schooldirecteur in de kist ligt. Zou ik dan niemand horen? Ik heb het nog niet kunnen controleren. Of misschien is er inderdaad al eentje geweest, en heb ik het gewoon niet gehoord.

Wie er nu in ligt? Ik weet het niet. Niemand is er nog over begonnen. Wel weet ik dat tante Suzan gisteren weer enorm uit haar mond stonk, dat niemand dat verbaasde, dat WAVV gisteren toevallig ook is gepromoveerd naar een iets minder treurige divisie, dat Matthijs dat geen goede bewoording vindt, dat Henk dat niets uitmaakt omdat hij ooit bij Sparta heeft gevoetbald en hij dus toch wel beter is, dat Anna het helemaal gehad heeft met Henks voetbalverhalen, dat Lisette zich afvraagt hoe ze het ooit met hem heeft uitgehouden, dat Lisette het sowieso niet snapt, wat mannen toch hebben met voetbal, dat Anna het voetbal kijken niet zo erg vindt, maar dat Henk z’n bek gewoon nooit kan houden, dat Steffan morgen een belangrijke presentatie heeft bij een grote nieuwe klant, dat ze het hele jaar niet meer hoeven te werken als ze deze binnentikken en dat Ronald poep onder z’n schoen heeft. En dan zijn ze dus nog maar twee minuten op mijn terrein.

Tijdens het officiële gedeelte dommel ik altijd weer even weg. Ik heb dat neerlaten nu al vaak genoeg gezien. Het opgraven is veel interessanter. Dat geeft ook meer geluid. Een paar zwetende mannen, zachtjes vloekend op schep, grond en rug, die de tot pulp vergane mensen opgraven. Er is niet veel nodig om ze klein te krijgen. Hoeveel baby’s ik al niet heb verwelkomd op mijn terrein, heb teruggezien als gebroken schepsels en later weer heb teruggegeven als vruchtbare grond. Tellen doe ik niet.

Als het grind weer begint te knerpen schrik ik wakker. De stappen zijn nu energieker, hoopvoller. Ze hebben het einde gezien en gemerkt dat het hun tijd nog niet was. Dat geeft energie, geloof ik. Of het moet de cake zijn, die ze zo meteen gaan krijgen. Goede cake, lekker nat, als ik dat mag opmaken uit de kruimels. Eén keer liet een peuter zijn cakeje vallen. Zachte, natte cake op mijn zachte, natte gras.

Standaard