Karaoke

Frank Rijkaard was fan van The Smiths

Café Vrijbuiter is mijn favoriet. De muziek daar is goed. Belangrijk. Zit er geregeld, in het weekend. Of op een woensdagavond of op een vrijdagmiddag. Dan zeg ik tegen Hennie, de barman: “Kom ook eens bij mij langs. Het hoeft toch niet altijd van één kant te komen?”

Vandaag is zo’n vrijdagmiddag. Ik zit aan de bar, dicht bij de jukebox. Hennie is een verzamelaar. Veel vinyl singletjes.
Mijn munt is voor D5: What Difference Does It Make van The Smiths.
Hennie zegt: “Weer dat zielige gejammer?”
Maar toevallig is het wel zijn jukebox en zijn plaatje.
Veel toeristen binnen, krijg je met het Leidseplein om de hoek. Rechtsachter zingt een groepje lachend mee met de Morrissey uit de kast in de hoek: “It makes none. But now you have gone and you must be looking very old tonight.”
Britten natuurlijk. Nederlanders hebben vrij weinig met The Smiths. Het wordt al snel afgeschilderd als depressieve muziek. Zelfkwelling.
Maar ze snappen het gewoon niet.
Hennie komt bij me staan. Over zijn schouder een theedoek.
“Altijd die ellendige The Smiths,” zegt hij. “Levensmoe, Wim?”
De humor van Hennie: de tweede reden waarom ik hier blijf terugkomen.
“Dat je die oude meuk hebt bewaard,” zeg ik. “Wie luistert er tegenwoordig nog naar The Smiths?”
Hennie lacht. Een bakje tijgernootjes komt op de bar.
“Zonde is het,” zegt hij. “We zijn een raar volk.”
Ik knik, en zeg dan: “Frank Rijkaard was fan van The Smiths. Nou ja, hij luisterde het in ieder geval. Eens gelezen.”
“Dat is tenminste iets,” zegt Hennie. “Dat je kan lezen.”
Mijn broekzak trilt. Op het telefoondisplay de foto van een beschonken Mark. Ik neem op. Een hoop gezeur, over vrouwen, kinderen en vrouwen en kinderen. Af-en-toe zeg ik: “Oké.”
Hennie fluistert: “Nog eentje doen?”
“Alleen als je hebt,” fluister ik terug met mijn hand over het spreekgedeelte.
Zeurend verhaal kort: Mark komt vanavond niet.
Ik leg mijn telefoon op de bar, display naar beneden. Daarnaast een nieuw biertje. Twee vingers schuim. Zoals het hoort. Uit het boekje. De derde belangrijke reden.
“Vanavond gaan we karaoke doen,” zeg ik. “Met de jongens van het vijfde.”
“Ik wist niet dat jij kon voetballen,” zegt Hennie.
“Je weet wel meer niet,” zeg ik.
Hennie vult de tijgernootjes bij en zegt dan: “Ja, bijvoorbeeld dat meneer The Smiths purist wel gewoon ’s avonds loopt mee te blèren met platte troep als Eye Of The Tiger.”
“Ha!” zeg ik en graai in het bakje. “Dat is anders, Hennie. Karaoke heeft niks met muziek te maken. Gewoon lachen.”
“Jaja,” zegt hij. “Nu je het zegt: je begint inderdaad ook steeds meer op Gordon te lijken, met je dikke kop.”
Ik lach en neem een slok van mijn bier. Dan zeg ik: “Maar Mark kan weer eens niet. Altijd hetzelfde gezeik tegenwoordig.”
Een Brit aan de bar, Hennie moet eight pints tappen. Toch vraagt hij: “Mark, dat is toch die ene met die pet?”
“Pet?” vraag ik. Het schaaltje is alweer leeg. Bier en tijgernootjes, het beste duo sinds Morrissey & Marr.
“Ja,” zegt Hennie, twee getapte pilsjes voor hem. “Zo’n vleespet.” Zijn rechterwijsvinger naar zijn hoofd.
“Een vleespet?” vraag ik. “Hij draagt nooit een pet. Wat lul je, man?”
Ik schuif het lege schaaltje dichter naar Hennie toe.
“Ongelooflijk, wat ben jij toch een domme aap,” roept Hennie. “Een vleespet! Helemaal van vlees, op zijn kop.”
Ik haal mijn schouders op en zeg dan: “Ik volg je niet meer, Hennie. Maar dat maakt niet uit. Jij wordt ook een dagje ouder.”
Met een klap zet Hennie een nieuw getapt biertje op de bar. “Niet te geloven,” roept hij. “Ik bedoel natuurlijk dat-ie kaal is. Een pet van vlees. Geen haar, alleen vlees.”
Het schaaltje staat nu leeg te zijn naast de drie getapte biertjes. Zes vingers schuim en wat opgewonden spuug van Hennie.
“Dat weet ik toch,” zeg ik rustig. “Maar je kijkt zo schattig als je je slechte grappen ook nog moet uitleggen.”
“Flikker toch een eind op,” lacht Hennie. “En ook nog een beetje al mijn nootjes lopen opvreten. Nep-Gordon die je bent.”
Op de bar trilt mijn telefoon. Na een seconde of vijf draai ik ‘m toch om. Altijd bereikbaar moeten we zijn. Een beschonken Richard op het display.
Ik neem op en zeg onregelmatig: “Ik snap het.”
“Ik hoor het al,” zegt Hennie, een leeg glas hangend onder de tap. “Dat wordt vanavond The Smiths zingen. In je uppie, thuis. Gezellig.”
Ik hang op en zeg dan: “Dat was Frank Rijkaard. Hij vindt ook dat je als de sodemieter de tijgernootjes moet bijvullen.”

Standaard
Karaoke

Zingen

Buiten is het donker van de nacht langzaam plaats aan het maken voor de zondag. Binnen klinken de laatste klanken van When You Say Nothing At All, van Ronan Keating.

Ik hoefde niet lang na te denken, toen Wim whatsappte. Natuurlijk komen we nog even karaoke doen. Het geeft niks dat het al vijf uur ’s ochtends is. Voor karaoke kom ik m’n bed altijd uit.

Het is nog best wel vol, in The End, onze favoriete tent. Een man of tien, denk ik. Eén van hen begint net aan het bekende Voulez-vous Coucher avec Moi. Klassiekertje. Wim staat aan de bar tegen een of ander blond grietje aan te kletsen. Hij zal morgen wel weer roepen dat hij een Doutzen-lookalike had geregeld. Ik ken die grapjes van ‘m wel, tegenwoordig. Ik neem wel een foto van ‘m, zo. Ah, de Indische barvrouw is er ook. Ze is er altijd. We noemen haar Coby. Elke keer als we een biertje van haar krijgen zeggen we “hij is weer heerlijk, Coby”. Net als die reclame van Cup-A-Soup.

Een kwartier later staan Wim en ik te blèren op Eye of the Tiger, ons nummer. Niemand van de genoemde aanwezigen heeft aandacht voor ons. Coby staart wat naar buiten, naar de hordes Britse lapzwansen die door de straat waggelen. Nee, dan heeft ze liever echt Hollandse jongens, denk ik. Geen idee waarom, maar ik ga er gewoon even vanuit, voor het gemak.

Het zal nu een uur of zeven zijn. Ik kan geen bier meer zien, maar toch bedank ik Coby nog maar eens voor het héérlijke soepje. Het draait allemaal een beetje. En omdat ik altijd rustig wordt van alcohol sta ik nu tegen een muur aan te leunen. Wim en z’n blonde grietje zijn bezig met een innig duet. You Are The One That I Want. Grease. Uiteraard. Want dat doe je, op zondagochtend zeven uur. Logisch. Ze worden toegejuicht door een drietal beschonken Britten. Eén van hen heeft haar, de andere twee lijken hun kop te hebben gewaxt. Je ziet nog wat wenkbrauw, maar daar houdt het ook echt op.

Als Wim en ik naar buiten lopen schijnt er een zonnestraal direct in m’n gezicht. Goede genade. Coby sluit achter ons de deur. Ik weet nog “hij was weer heerlijk, Coby!” te roepen. Ze grijnst, voor zover je kan grijnzen na een nacht vol dronken geblèr van hordes idioten. Volgens m’n telefoon is het bijna negen uur. Kan ik me nog even douchen voordat de kerk begint. Ik zet Psalm 121 in. Wim volgt. Klassiekertje.

Standaard