Fobie

Coulrofobie

In een mum van tijd was de woonkamer in het 51e huis aan de Winterkoninkjestraat in Drachten veranderd in een slagveld.

Waar een paar minuten eerder nog vrolijk geschater door de kamer klonk, was het nu het angstige gekrijs van kinderen wat de klok sloeg. In de hoek, naast de nog niet afbetaalde breedbeeldtelevisie, lag een man met verdacht grote schoenen verslagen op de grond. In de keuken stond Sietse Wiersma verdwaasd aan het aanrecht. In z’n rechterhand een papieren zak. Hij voelde zich langzaam weer op aarde terugkomen.
‘Gaat het weer een beetje?’
Geruisloos was Anneke Topstra-De Jong de keuken binnen gelopen. Bezorgd had ze de arm van Sietse Wiersma gepakt en hem in de ogen gekeken.
‘Jongen, wat is er toch met je?’
Even zocht Sietse Wiersma naar woorden. Dat had hij altijd als Anneke Topstra-De Jong met hem probeerde te praten. Ze hadden een ingewikkelde geschiedenis. Toen hij 5 jaar was reed hij eens in een wilde kleuterbui met z’n driewieler door de voortuin van de familie Topstra. Alle tulpen waren op slag total los, zoals bloemisten dat nooit zullen zeggen. In een uitbarsting van woede had Anneke Topstra-De Jong de banden van z’n fietsje lekgeprikt en het fietsvlaggetje geknakt.
‘Nu hangt-ie er net zo bij als mijn tulpen, vervelend rotventje,’ had ze smalend gezegd tijdens het buigproces.
Het Tulpenincident van 1986 was geen goede basis geweest voor een mooie vriendschap. Dat hij negen jaar later op een lusteloze woensdagmiddag geprobeerd had het tuinhuisje van de familie Topstra in brand te steken had hun moeizame relatie eveneens geen positieve impuls gegeven, zoals wijkagent Albert Steensma later ook vertelde in de reconstructie van het inmiddels wegbezuinigde Omrop Fryslân TV-programma Criminele gedachten in Drachten.
Maar nu, jaren later, hadden Anneke Topstra-De Jong en Sietse Wiersma een wapenstilstand gesloten. Als hij samen met z’n twee bloedjes van kinderen bij opa en oma Drachten op bezoek kwam, was het vanuit opvoedkundig oogpunt niet meer zo slim om de botte buurvrouw als een in het leven teleurgestelde bouwvakker de huid vol te schelden.
En tot zijn verbazing waren ze dichter tot elkaar gekomen sinds het Winterkoninkjestraatverdrag van 2007. Het was gebleken dat wanneer hij niet met zijn Peugeot 306 probeerde te fileparkeren tussen het tuinbankje en de grote pot met chrysanten in de voortuin van de familie Topstra, maar gewoon met Anneke Topstra-De Jong een praatje aanknoopte over de immer stijgende prijs van luiers met extra absorberende zones, het oude besje prima te pruimen was.
‘Ik weet het niet,’ zei Sietse Wiersma terwijl hij keek in de ogen van zijn oude buurvrouw.
‘Ineens ging alles op zwart toen die clown van een Bonzo binnenkwam.’

Standaard
Fobie

Ze zag dat hij huilde

In de drukte van de ochtendspits in de Amsterdamse metro stond een meisje. Ze was elf, hooguit. Om haar heen liepen mensen met hun blik op oneindig van de roltrappen naar de metrostellen of van de metrostellen naar de roltrappen. Niemand leek haar te zien.

Toch stond ze er. Op het oog zomaar. Al is het natuurlijk niet te geloven dat er zomaar een meisje in haar eentje op een metrostation staat. Dat gebeurt niet. Dat zij daar toevallig alleen staat te wezen.
Er was één man die begreep waarom ze daar was. Die überhaupt doorhad dat ze er was. Hij zag haar nog ruim voordat hij de roltrap af zou stappen.
Waarom hij haar zag terwijl niemand anders dat deed, was opmerkelijk. Opvallend zou ook een goed woord zijn.
Het meisje voelde de verandering in haar omgeving onmiddellijk. Die blik, op haar gericht, was nieuw en dat voelde ze. Ze keek op, naar de roltrap, en ze zagen elkaar.
De man stond stil. Hij zweette lichtjes. Hij kwam nu onderaan de roltrap en toch bleef hij staan. Althans, dat was zijn intentie, want het is algemeen bekend dat iemand die stilstaat op een roltrap uiteindelijk voorover moet vallen. Dat deed hij ook. Vrij hard, zelfs. De mensen om hem heen liepen net zo makkelijk langs hem heen als voorheen.
Hij bloedde aan zijn voorhoofd maar leek het niet te merken. Hij keek naar het meisje. Zij was naar hem toe aan het lopen. Hij verstijfde en bleef hangen in de houding die hij had aangenomen na de val. Op de buik, handen op de grond om zich omhoog te drukken en het hoofd opgericht naar het meisje. Bloed druppelde op de tegels.
Langzaam kwam het meisje naar hem toe. Ze moest heen en weer zigzaggen tussen een nieuwe horde forenzen, waardoor de te overbruggen tien meter langer waren dan normaal. Vlak voor hem bleef ze staan. Ze zag dat hij huilde.
‘Heb je pijn?’, vroeg ze.
‘Nee’, fluisterde hij.
Ze bukte om zijn gezicht aan te raken. Hij schokte, alsof ze statisch geladen was. Snel trok ze haar hand terug.
‘Ik doe niks hoor.’
De man zei niks terug. Het enige wat hij deed was terugkijken en huilen.
‘Kijk maar.’
Ze boog zich weer naar hem toe en gaf hem een kus op zijn wang. Dat leek te helpen.
‘W-w-waarom ben je hier?’, vroeg hij.
‘Voor jou’, zei zij, waarna ze zich omdraaide en in de menigte verdween.

Standaard
Fobie

Hij blijft bij mij

Ze zei dat ik mijn ogen dicht moest doen. Dat zou helpen en dan zou ik de onrust beter voelen. Dat zou even vervelend zijn, maar je kunt er pas iets aan doen als je het daadwerkelijk voelt. Als je weet waar het vandaan komt, als je precies weet waar het zit.

Ik deed mijn ogen dicht en probeerde te voelen. Kwam de onrust uit de puntjes van mijn tenen? Of kwam het uit mijn buik? Uit mijn armen, of uit mijn benen? Ik zei dat het kwam door mijn hoofd, mijn hersens. Ze wilden maar niet stil zijn. Malen, malen, malen, daar waren ze de hele dag druk mee. Maar volgens haar voelde ik het vast nog wel op een andere plek in mijn lichaam, dus sloot ik mijn ogen weer. Ik ging alles af, probeerde alles te voelen. Van onder naar boven.
In mijn kuiten voelde ik een spiertje trillen, bij mijn billen werd ik afgeleid door verschrikkelijke spierpijn, mijn maag rommelde een beetje en aan mijn oor wiebelde een oorbel heen en weer. Ik deed zo hard mogelijk mijn best. Nog nooit had ik geprobeerd mijn knokkels te voelen, of mijn knieën.
Er viel me iets op bij het gebied tussen mijn maag en mijn oren. Ik probeerde mijn longen te voelen, want ademen ging zo raar. Mijn keel was een veel smaller gat dan normaal en op mijn longen lag een steen.
Het was me gelukt, ik had gevoeld waar ik de onrust voelde. Dat was stap één. Nu we wisten waar ik de onrust voelde kon ik me erop concentreren, het wegdenken. Of misschien zelfs wel wegzuchten. Dat moest ik proberen, want stap twee zou wel eens naar kunnen worden zo zei ze.
Stap twee. Ik moest mijn ogen weer dichtdoen en hem op een grens zetten. Heel ver weg, zodat ik hem nog maar net kon zien. Ik weigerde. Ze vroeg me waarom ik het niet kon. Duidelijk was dat ze er helemaal niks van snapte. Want als ik hem zou laten vervagen, als ik hem weg zou laten glippen, precies ver genoeg zodat ik hem niet meer vast kon klampen, wat dan? Dan had ik niemand meer.
Met wie dacht ze dan dat ik hele dagen in bed moest liggen? Wie moest ik dan bellen als mijn computer kuren had of als ik het even niet meer wist? Op welke schouder paste ik dan? En zou er dan ooit nog een keer iemand zo naar me kijken? Van wie moest ik dan aannemen dat alles goed zou komen? Ze zei dat ik het toch even moest proberen. Ik kneep mijn ogen nog eens extra hard dicht en haalde hem naar me toe. Heel dichtbij, fijn bij mij. Waar hij hoort.
Ze vroeg of ik mijn ogen weer open wilde doen, maar ik vond het eigenlijk wel fijn zo. Met mijn ogen dicht was hij bij mij en zei hij dat ik me geen zorgen hoefde te maken, dat hij bij me zou blijven.

Standaard
Fobie

Sunny side up

Zijn mond was droog, in zijn hoofd bonkte de alcohol van de avond ervoor nog na. Hij had het gedaan gisteren, hij had de vraag gesteld die je nooit mag stellen. En het werkte. Een perfect uitgevoerd cliché.

Het meisje van gisteravond begreep meteen dat het gevat en ironisch was om te vragen hoe ze haar eitje de volgende ochtend wilde –gekookt, gebakken of bevrucht?-, niet afgezaagd en triest. Gebakken wilde ze ze, hele dooier graag. Zo lomp als zijn openingszin was geweest, zo direct was ze erop ingegaan. En nu stond hij in haar koelkast te graven, op zoek naar eieren.
Ze bewaarde haar brood in de groentela in plaats van in een trommel en de hele deur stond vol sauzen met houdbaarheidsdata ver in het verleden. Haar keuken was niet rommelig, eerder gebruikt met een achteloosheid die in de inrichting van haar hele appartement terug te vinden was. Op de counter lag kleingeld verspreid tussen reclamefolders, de afwas was niet gedaan en de stoelen van het kleine eettafeltje bij het raam pasten niet bij elkaar. Alsof haar leven te vol was om over zulke triviale zaken na te denken.
Hij vond de eieren –biologisch- achter een halve avocado en een pot mosterd. Terwijl zij in de douche van zich af waste wat ze gisteren, en vanochtend nogmaals, met elkaar gedaan hadden, bakte hij eieren met glanzende hele dooiers. Het zout moest hij rechtstreeks uit het pak strooien, peper had ze niet.
Misschien was dit het wel.
Hij had haar bestudeerd, vanochtend. De lichte donshaartjes op haar arm, de overgang van haar heupen naar haar taille toen ze op de rand van het bed zat. Hoe haar badjas openviel en precies genoeg liet zien. Ze was niet uitzonderlijk mooi, haar ogen stonden iets te dicht bij elkaar en haar handen waren te groot.
Maar hij was hier nog steeds. Dit deed hij niet, dit logeren. Samen ontbijten. Kastjes opentrekken en tevreden constateren dat zij ook liever pindakaas mét stukjes noot had. Zich afvragen wie de foto van haar bij de Trevifontein gemaakt had.
Tegen de tijd dat hij de eieren uit de pan op de al klaarliggende boterhammen liet glijden, was het gerommel en gekletter in de douche opgehouden. Ze kwam de badkamer uit, haar haren in een handdoek waar haar oren onderuit piepten, een waterdruppel op haar hals die naar beneden gleed. Zonder de vegen mascara onder haar ogen was haar gezicht zacht en meisjesachtig.
‘Oh.’
Hij zette net glazen sinaasappelsap op tafel. Haar blik ging over de boterhammen, de eieren en uiteindelijk zijn gezicht. Ze leek verbaasd.
‘Heb je ontbijt gemaakt?’
Er lekte een druppel uit de kraan en landde sissend op de koekenpan in de gootsteen. Ze pakte zijn jas, die hij de avond ervoor achteloos op de bank had gegooid, en stak het kledingstuk in zijn richting.
‘Je weet dat het een grapje was, toch? Van die eieren?’

Standaard