Failliet

Henk & Bert

Henk woont nog bij zijn moeder. Hij beseft dat er weinig mensen zijn die dezelfde naam dragen en nog bij hun ouders wonen, maar dat kan hem niet zoveel schelen.

Hij gaat lekker zijn eigen gang. Hij houdt van zijn moeder en kan zich geen leven zonder haar inbeelden. Zij is immers de vrouw die elke ochtend zijn stropdas knoopt en zijn lunchtrommel verzorgt.

Henk heeft nooit veel nodig. De kleinste dingen in het leven zorgen voor de grootste glimlach op zijn gezicht. Bijvoorbeeld die ene eerste dag van het jaar dat de vrouwen blote enkels of zelfs benen tonen op straat. Daar kan hij dan de hele dag van glunderen en de orde van de dag compleet langs hem laten gaan.

Henk is niet populair en dat vindt hij eigenlijk wel fijn. Al die aandacht, wat moet je daarmee? Misschien komt dat wel een beetje door zijn uiterlijk. Henk is niet knap en draagt een bril met een montuur waar je zelfs in de jaren ’80 niet mee de straat op zou durven. Bovendien is zijn kapsel sinds die tijd ook niets veranderd. Een donkerbruine ‘doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoeg-coupe’.

Henk groeide op in de stad, waar hij veel mensen ontmoette, maar hij wist tot nu toe de dans der liefde te ontspringen. Op zijn werk lopen zat pittige tantes rond, waar hij evenveel contact mee heeft. Maar als het even kan sluit hij zich op in zijn kamer op de bovenste verdieping.

Veel hobby’s heeft Henk niet. Eigenlijk maar één. Kamperen. Het liefst in z’n eentje. Weg van alle drukte en lekker doen waar hij zelf zin in heeft. Henk heeft een oude caravan. Ooit van zijn oom geweest.

Henk heeft maar één echte vriend, Bert. Elk jaar spreken ze af op de camping om te vissen. Twee weken lang bespreken ze hun jaar. Bert is een hele andere man dan Henk. Bert is aandachtsgeil. Een echte opschepper en iemand die altijd zijn zin doordramt. Bovendien is hij felblond en staat hij bij velen bekend als de man met dat gekke haar. Misschien kunnen ze juist daardoor wel zo goed met elkaar opschieten. In de ogen van Henk heeft Bert vaak waanideeën. Maar dat zegt Henk liever niet.

Uren per dag vissen ze. Vaak tot in de kleine uurtjes. Ze hebben een ritueel dat al jaren bestaat. Bij elke vis die gevangen wordt, kijken ze op welke bekende politicus hij het meest lijkt. Ze vernoemen de vis naar het bestuurslid. Daarna maken ze het dier belachelijk, gaan ermee op de foto en gooien het terug in het water.

Vandaag is het weer zover. Het jaarlijkse kampeerfestijn begint vanavond. Henk zit in de auto en sleurt de kleine caravan achter zich aan. Om zeven uur heeft hij met Bert afgesproken bij de slagboom van de camping. Hij heeft er maanden naar uitgekeken. Er is veel te vertellen wat hij aan niemand anders kwijt kan.

Met ‘Born To Be Wild’ hard aan in de auto houdt Henk zich netjes aan de snelheidslimiet. Zodra Henk de camping oprijdt, gaat de telefoon. Het is Bert. Henk kan hem zien staan. Hij lijkt boos op de grond te stampen. Henk zet zijn auto aan de kant van de weg met het alarmlicht aan. Hij loopt naar Bert.

Op de grond ligt iets wat ooit een bord moet zijn geweest. Henk raapt de stukken bij elkaar. Ineens wordt duidelijk waarom de auto van Henk de enige op de parkeerplaats is en waarom er verder niemand in de wijde omtrek te bekennen is. ‘Failliet’ staat er.

Ze beseffen dat het jaarlijkse visavontuur niet doorgaat en – nog veel erger – hun kampeerparadijs voorgoed is gesloten. Na enkele minuten snikkend in elkaars armen te staan besluiten ze terug te keren naar hun rijtuigen.

Bert rijdt op zijn motor met zijspan achter Henk aan. Na vijftien minuten zijn ze bij Henks moeder. Ze zat al klaar met een glas melk en wat koekjes.

Dan wordt er op de deur geklopt. Mark schrikt wakker in z’n torentje. ‘Binnen’, zegt hij. Geert doet de deur op een kier en vraagt: ‘Angela en Nelson zijn er, ga je mee?’

Door: Rick Akerboom

Standaard
Failliet

We zijn geen neanderthalers

De twee-onder-een-kapwoning aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum is vol en er gaat een goed bezet schaaltje met stukken worst en kaasblokjes de groep rond. Let wel: Kaasblokjes zonder vlaggetjes erin.

Het intrigeert me, deze opmerkelijke absentie van vlaggetjes, maar ik durf niet aan Karin te vragen hoe de vork nu precies in de steel zit. Ze had al liever gehad dat ik helemaal niet was langsgekomen.

“Ze vindt je raar,” had Bart, haar vriend en onze onbetwiste aanvoerder sinds jaar en dag, eens tegen me gezegd toen ik ‘m in de kleedkamer na een zowaar gewonnen wedstrijd vroeg waarom ze mij altijd mijdt in de kantine, op feestjes en op feestjes in de kantine. “Je maakt altijd van die slimme opmerkingen over schrijvers van boeken die zij nooit zal lezen of over bekende mensen waar ze nog nooit van gehoord heeft en dan voelt ze zich heel dom. Meer is het niet.” Omdat ik daar weinig tegenin kon brengen, Karin was nou eenmaal gezegend met een verbazingwekkend belabberd stel hersens, had ik geknikt en zachtjes “oké, ik snap het” gezegd. Bart nam toen een laatste trek van zijn sigaret, schoot het smeulende restant richting de douches en sloeg me bemoedigend op de schouders zoals aanvoerders dat alleen kunnen. “Joh,” zei hij, “wijven, altijd gezeik. Laat maar lekker gaan. Goeie pot gespeeld, man. Die lelijke rechtsback van ze wist niet waar die het moest zoeken vandaag.”

Links van me zit ene Freek. Zijn achternaam weet ik niet, hij hoort niet bij ons, maar hij heeft zo’n grote zwarte bril op en hij praat zoveel onzin over de laatste wedstrijd van Ajax en de zogenaamde looplijnen die beide vleugelspelers verzaakt hadden uit te voeren dat ik bijna mijn belofte wil breken om nooit meer in een gemengd gezelschap over voetbal te praten.

Maar ik zeg niks. Ingrid heeft het niet zo op voetbal, volgens mij.

Ik kauw op het warme kaasblokje en kijk naar rechts. Twee stoelen verder zit Berrie en zijn achternaam weet ik wel: De Beuker. Het klinkt als een bijnaam, De Beuker, en ik moet je nageven, het bekt ook goed: Berrie de Beuker. Weliswaar trapt hij elke thuiswedstrijd, en dan bedoel ik dus ook echt elke thuiswedstrijd, de rechtsbuiten van de tegenpartij standaard na een minuut of vijfentwintig over de omheining ter hoogte van het reclamebord van Smulpaleis de Warffumse Veelvraat, maar De Beuker staat dus echt op zijn spelerspas. Och, kijk hem nou eens lachen, met die rotte tanden van hem en een stapel lege schaaltjes op zijn schoot. Als je hem eenmaal kent en hij jou en je houdt van kinderlijke poep- en piesgrappen, dan kun je nog best met hem lachen.

Als je er bij stil staat, is het een vreemde situatie waar ik in zit Behalve dat we wekelijks op hetzelfde voetbalveld staan, hebben we weinig met elkaar gemeen. Maar toch, het werkt. Deze gasten zijn een onderdeel van mijn leven en wellicht belangrijker dan ik zelf denk. Misschien moet ik het opschrijven, hoe raar deze avond eigenlijk is. Straks is het te laat. Zoals in het liedje van Spinvis: “Voor ik vergeet en later alles anders heet. Voor ik vergeet en ik de feiten en de cijfers en de namen van de schrijvers niet meer weet.”

“Bier! Wie wil er nog bier?” schreeuwt Karin en zonder de antwoorden af te wachten begint ze flesjes uit te delen uit het krat waarop ze zit. Grolsch, de rest zuipen we hier niet. We zijn geen neanderthalers.

“Met je bek! Met je bek! Met je bek” schreeuwen ze allemaal en een paar seconden later spuugt Berrie een bierdop uit, precies in de asbak voor die ene Freek op het bijzettafeltje. Als een in de laatste minuut scorende spits in de WK finale neemt Berrie het applaus in ontvangst. Met zijn armen in de lucht rent hij zo’n rondje of vier door de kamer. De boer die volgt is er geen van oprisping van gassen uit de maag die via de slokdarm naar buiten komt na overmatig drankgebruik, maar, en dat weet ik bijna zeker, eentje van liefde en waardering naar ons, de mensen waar hij op dit moment het meest van houdt.

Ik sta op en loop naar de keuken. Zonet liep Ingrid daarheen met de lege schaaltjes, en met het excuus van “ik zet deze lege flesjes wel even in het krat in de achtertuin” ben ik uit de groep gestapt en heb ik haar gevolgd. Ze heeft een blond, pittig kapsel en heet voluit Ingrid Madeleine Vissenkorf. Ik heb het altijd grappig gevonden dat haar achternaam rijmt op die van Alfred Issendorf, de hoofdpersoon uit WF Hermans meesterwerk Nooit meer slapen.

Afijn, op de fiets hiernaartoe had ik besloten dat het er nu maar eens van moest komen tussen mij en Ingrid. Toen ik via Bart had gehoord dat ze tegen Karin had gezegd dat ze ook zou langskomen aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum had ik abrupt besloten een avondje lezen in de nieuwe Peter Buwalda op te geven voor de liefde.

Ingrid lacht als ze me ziet worstelen met de deurklink van de achterdeur, mijn handen vol met lege flesjes.
“Jij bent ijverig,” zegt ze en ik glimlach. Nu moet ik iets zeggen, ik ben bekend met het protocol flirten, maar ook al ben ik zonder meer de slimste van het stel, mijn hersens laten me nu even volledig in de steek. Dan schiet de deur open en breekt een bierflesje zijn val op mijn gympen.
“Gaat alles goed?” vraagt Ingrid en ik knik zenuwachtig.
“Alles onder controle,” mompel ik veel minder stoer dan het in mijn hoofd klonk.

Klaar met mijn emballagetaak en/of aanzet tot subtiele versierpoging loop ik terug naar de keuken en daar staan we dan eindelijk oog in oog. Nu moet het gebeuren. Ik schraap m’n keel en Ingrid haalt een hand door haar blonde, pittige kapsel.
“Weet jij,” begin ik eindelijk na een stevig intern spoedberaad over het wel of niet inzetten van dat leuke WF Hermans grapje, “waarom er vanavond geen vlaggetjes in de kaasblokjes zitten?”
“Geen idee,” lacht Ingrid en dan loopt ze weer naar de huiskamer. Een schaal met augurken omhult met boterhamworst in haar hand. Halverwege, ongeveer ten hoogte van de driepersoonsbank, loopt die ene Freek haar tegenmoet en legt zijn arm om haar. Dan roept hij luidkeels: “Iedereen luister! Deze schat hier zei gisteravond dat ik prima bij een profclub als Emmen of Veendam zou kunnen voetballen als ik dat zou willen. Nu weet ik best dat de vrouwtjes geen kaas van voetbal hebben gegeten, maar hier moet ik mijn poppetje toch even gelijk in geven. Niet dat ik ze zelf zou bellen, ik ben niet zo wanhopig als Berrie, maar als Veendam bij me op de stoep zou staan met een mooi contractje, zou ik zeker geen nee zeggen.”

“Veendam is al lang failliet, lul,” zeg ik en neem een nieuw flesje bier van Karin aan als ik weer zit op mijn stoel in de kring. “Lees je geen Voetbal International ofzo? Kun je überhaupt wel lezen, gast?”
Even is het stil in de volle huiskamer aan de Professor Doctor Beyerinckstraat 43 in Warffum.
Dan het geluid van een bierdopje in de asbak gevolgd door een luide boer.
Eentje van liefde.

Standaard
Failliet

Nestelverhuur

“Goedendag meneer, welkom bij Van Druten Nestelverhuur. Wat kan ik voor u doen?”
Hallo, ik kom uit Amsterdam en ben op zoek naar een nestel.”

“Ah, nou, dan bent u aan het goede adres. Wat voor soort nestel had u in gedachten?”
“Eentje voor aan mijn veters.”
“Meneer is een kenner! Ik pak even de voorraad onder de toonbank.”
“Graag.”
“Dit, meneer, is een van de beste nestels op de markt. Een absoluut topmodel. Geïmporteerd uit Italië en heeft daar de bijnaam ‘capo degli occhielli’, of ‘de eindbaas van de nestels’. Mooi hè? Zouden wij niet kunnen bedenken. Ik heb ‘m zelf ook. Topdingetje. Nog geen veter zien rafelen, meneer.”
“Dat klinkt wel goed, ja.”
“Och, u zou deze eens moeten zien. De Rolls-Royce onder de nestels. Gemaakt door Zwitserse Edelweiss-enthousiastelingen die alleen Italiaans-Spaanse buffelmozarella te eten kregen. Ze hebben een vrij specifieke geur, maar wat kúnnen ze veel, meneer! Ongelooflijk. U zou ze eens moeten voelen. Dat mag ik u nu helaas niet laten doen, maar u zou het moeten voelen, meneer. Ik word er een beetje emotioneel van. Sorry.”
“Dat geeft niet. Maar, eh, ik zoek eigenlijk een nestel voor dagelijks gebruik.”
“Natuurlijk, natuurlijk meneer, natuurlijk. Kijkt u hier eens. Duitse makelij. Oerdegelijk. Gaat niet kapot. Gewoon niet. Hier, heeft u een hamer. Sla maar. Ja, harder! Harder! Ja, ziet u? Niet kapot te krijgen. Het is ook het Erika Terpstra-model, hoor. Hier staat haar handtekening. Ze is er zelf op gaan zitten. Grondige testers, die Duitsers.”
“Prachtig.”
“Dat dacht ik ook ja. Deze doen?”
“Ja, graag. Ze lijken me erg goed.”
“Dat kan ik garanderen. Had u één of twee paar gewild?”
“Eh, twee denk ik.”
“Uiteraard, u heeft ook twee schoenen aan zie ik.”
“Klopt. Goed gezien!”
“En hoelang had u deze nestels willen huren?”
“Nou, eigenlijk, het zit zo, ik had gehoopt deze nestels te kunnen kopen.”
“Oh.”
“Ja.”
“Dan moet ik u helaas teleurstellen, meneer. Wij verhuren onze nestels alleen. Dat had u ook kunnen zien aan mijn etalage, waar toch echt ‘Van Druten Nestelverhuur’ staat.”
“Ja, dat had ik wel gezien, maar ik dacht ‘ach, die verkopen ze vast ook’.”
“Nou, niet dus, meneer. Onze nestels zijn van een topkwaliteit die u nergens anders vindt. En daar gaan wij echt niet zomaar afstand van doen. Dus tenzij u nestels wilt huren, vanaf slechts vijf euro per paar per maand, moet ik u helaas vragen om mijn winkel te verlaten.”
“Wat jammer nou.”
“Weet u wat ik jammer vindt, meneer? Dat u helemaal naar Schiermonnikoog bent gekomen om een nestel te kópen, terwijl u heel goed wist dat u hier alleen nestels kunt huren. U heeft mijn tijd verdaan.”

Standaard