Stank

Stinkbom

Het is half negen, de tweede bel rinkelt, de allerlaatste waarschuwing. De traagste leerlingen haasten zich nog snel naar de juiste les.

In lokaal 304 is aardrijkskunde net begonnen en meester Kees, want zo mogen ze hem inmiddels wel noemen na vier lange maanden, legt de leerlingen van het St. Eustasius College uit wat de loef- en lijzijde van een berg is. Vlak voor ze de klas in gaan weet Marije het al. Of eigenlijk ruikt ze het eerder. Niemand mag weten dat zij, Marije van Amstel, het belangrijkste verslag van haar tot nou toe prille schoolcarrière heeft verpest. Eigenlijk heeft ze er niet eens iets aan kunnen doen. Ze is gewoonweg vergeten dat het nog in haar lichtblauwe Eastpak tas zit. De tas die ze een paar weken geleden samen met haar moeder heeft uitgezocht. Trots had ze hem aan haar beste vriendin Emma laten zien. ‘Die kleur past echt perfect bij je stralende ogen!’ had ze spontaan geroepen. Hoe vleiend ook, die mooie woorden maken nu niets meer uit. Ook de tas is compleet verpest. Die penetrerende geur krijg je er nooit meer uit, dat kan elk leek je wel vertellen. Maar dat is nog wel haar minste zorg. Aan het einde van het blokuur moet ze haar allereerste Praktische Opdracht inleveren. De deadline was eigenlijk vorige week al, maar Marije heeft meester Kees zo weten te bespelen dat ze het een paar dagen later mocht inleveren.
Daar zit meteen haar probleem. Het werkstuk zit nog steeds in die vervloekte tas.
Meester Kees is al minstens vijf minuten klaar met zijn uitleg over bergen. Het enige wat ze ervan heeft onthouden is iets met een uitdrukking: ‘iemand de loef aansteken’ of zoiets. Maar wat bergen daarmee te maken hebben? Geen flauw idee.

Plots staat meester Kees naast haar. Heeft hij het geroken? Aan de grote snottebel onder zijn neus te zien is dat niet waarschijnlijk, maar het zou kunnen.
‘Marije, waar is je Grote Bosatlas? En waarom heb je jouw werkboek nog niet gepakt?’ vraagt hij.
‘Eh…nou…’ stamelt Marije.
´Ik moet even twee opgaven kopiëren, maar als ik bij terugkomst nóg geen atlas zie, mag je je gaan melden bij de rector, begrepen?’
‘Ja meester.’ zegt Marije bijna fluisterend.
Het duurt vijf minuten voor meester Kees weer het lokaal binnenstapt.
Marije durft haar tas nog steeds niet te openen, bang dat haar medeleerlingen het geheim zullen ruiken. Eerst zal Job, die naast haar zit, merken dat er iets mis was. Hoogstens een minuut later zou de rest van de groep denken dat er in de klas een stinkbom afgaat. Zo eentje die je alleen op de kermis kan winnen bij het touwtjetrekken of het vissen naar eendjes. Wie weet zou de school zelfs geëvacueerd moeten worden als die verschrikkelijke lucht uit de Eastpak wordt bevrijd.
‘Heb je me net niet gehoord?’ roept meester Kees verontwaardigd. ‘Je weet dat ik je een aardige meid vind, maar als je nu niet je atlas pakt ben ik toch echt genoodzaakt je eruit te sturen.’
Langzaam en met grote tegenzin trekt ze de rits van de tas open. Millimeter voor millimeter, tandje voor tandje. De kunstmatige zoetheid dringt haar neus onmiddellijk binnen.
Daar ligt hij, de schuldige, de oorzaak van al het kwaad.
Het deksel van haar melkbeker. Vandaag geen Yogho Yogho.

Door: Maurice Swiersema

Standaard
Stank

Bijdehand

Van de man die niet mijn vader was, kreeg ik een forse tik op mijn achterhoofd. Ik schrok eerst en barstte toen in huilen uit met lange halen en grote tranen.

De andere man, mijn vader, keek me aan, maar zei niks. Er liepen mensen voorbij, koopzondag, maar niemand schoot mij te hulp. Niemand legde een hand op mijn schouder en vroeg: “Heb je veel pijn, jongen?”.

Een minuut of tien stonden we zo met z’n drieën in de drukste winkelstraat van Amsterdam. Bijna elke zondag kwam ik hier met mijn vader. Iets kopen deden we bijna nooit, behalve vorige week. We liepen langs de grote elektronicawinkel waar we altijd stilletjes langs liepen toen mijn vader mij ineens naar binnen duwde. “We moeten een nieuwe stofzuiger,” zei hij.

Dat wist ik niet.

We kochten een zwarte met rode strepen, een van de eersten die we zagen. Een man van de winkel in een paars overhemd zei dat het een goede keuze was. Dit was de beste in zijn soort, met extra zuigkracht, soepele zwenkwieltjes en handige hulpstukken om ook het stof op die lastige plekjes in het huis te kunnen opzuigen.

“Stil jij,” zei mijn vader toen ik aan het Paarse Overhemd vroeg of hij de stofzuiger kon inpakken omdat het een cadeautje voor mijn moeder was. Mijn vader had ik nog nooit stof zien zuigen, zelfs niet op de plekjes waar je makkelijk bij kon.

Een paar minuten geleden was een medewerker van de telefoonwinkel in de drukke winkelstraat naar buiten gekomen om te kijken waar dat gejank vandaan kwam. Van mij dus. Even hadden we oogcontact, maar hij deed niks. Geen hand op mijn schouder. Hij keek naar de twee mannen en liep en toen weer naar binnen. Zijn overhemd was groen.

En toen begon het te regenen. Eerst een paar druppels. Van die dikke die op de straat naast je neerploffen als een klein, onheilspellend bombardement. Mijn vader stak zijn hand uit om de aanslag op waarde te schatten en na een paar seconden wist hij genoeg: het ging regenen.

“Nu is het klaar,” zei mijn vader en hij pakte ruw mijn rechterarm. De andere man zei hij gedag en met een stevige duw zette mijn vader mij in beweging richting tramhalte Koningsplein.

De regen kwam nu met bakken naar beneden en camoufleerde mijn tranen alsof ik ze nooit had gehuild. Met mijn tong ving ik een paar druppels op die van mijn wang gleden. Ik proefde ze, het waren geen tranen.

Ik was dus klaar met huilen.

In de tram zat ik naast mijn vader, vlak bij de ingang. Onze dijbenen maakten contact en de stofzuiger lag op z’n schoot, verstopt in een rode, waterdichte plastic tas. We zwegen. Hij keek naar buiten, ik naar mijn kaartje. Blauw en een uur geldig.

Langzaam reden we door de zeiknatte Amsterdamse binnenstad, bij elke halte grote groepen doorweekte mensen ophalend. Mijn vader zuchtte zijn ongenoegen. Ik durfde niet naar hem te kijken. Misschien had het Paarse Overhemd ook een apparaat waarmee je alle stomme dingen kon opzuigen. Met handige hulpstukken voor alle klote hoekjes.

“Het stinkt hier vreselijk naar natte hond,” zei mijn vader ineens hardop zonder zijn blik van waterpaleis Amsterdam te halen.
We reden een drukbezette halte voorbij zonder te stoppen.

“Ja,” zei ik zachtjes, “natte honden stinken.”

Standaard
Stank

De naakte prinses

Er was eens, in een koninkrijk hier ver, ver vandaan, een prinses die nooit kleren droeg.

Het moet zelfs gezegd: geen enkel lid van de koninklijke familie had zich ooit in stof gehuld. Iedereen was poedelnaakt, van top tot teen. Van de jongste prinsjes tot de koning zelf. En omdat het scheermesje nog niet was uitgevonden was dat niet altijd een even prettig gezicht. Zeker als het ging om de moddervette koningin-moeder. In de cafés werd ze, zij het stilletjes, ‘koningin-modder’ genoemd. Geen al te beste bijnaam, maar het koninkrijk stond dan ook niet bekend om zijn creativiteit.

Het was het volk zelf niet toegestaan om naakt te zijn. Nooit. Zelfs als zij in bad gingen moesten ze hun kleren aanhouden en negen maanden voor de geboorte van een baby vonden er altijd lastige handelingen plaats. De blote paleisgarde zag er streng op toe dat het plebs zich aan de regels hield, al was er voor de rijken vaak wel wat te regelen.

Op een dag liep de prinses in haar adamskostuum door het park. Opeens zag ze, onder de grote wilg, een klein, vierkant doosje liggen. Dunne zonnestraaltjes schenen door de haren van de wilg heen en deden het roze pakpapier glimmen. Verrast huppelde de prinses door het gras naar de boom. Ze stortte zich op het pakje, maar behield haar koninklijke waardigheid door het papier niet te scheuren en voorzichtig de touwtjes los te knopen. In het doosje lag een tot een bal gedraaid paar groene sokken. En een briefje. De prinses vouwde het briefje open en las:

“De drager van deze sokken zal nooit meer koude voeten hebben.”

Daar het in de winter nog verrekte koud kon worden in het koninkrijk was dit een aanlokkelijk voorstel voor de prinses. Ze trok de sokken los en bekeek ze eens goed. Ze waren van een prachtige, fijne stof en als de zon er op scheen zag ze de regenboog. Deze sokken zouden zeker doen wat ze beloofden, dat stond vast. Nog heel eventjes deed ze alsof ze twijfelde, maar het besluit was al genomen. Ze ging de sokken passen. Per slot van rekening had ze graag warme voeten. En het was ook wel spannend om eens te doen wat het gewone volk altijd deed. Ze zette zichzelf neer op haar royale billen en trok een sok over haar voet heen. Een warme gloed gleed door haar huid. Toen deed ze de andere sok aan. Haar voeten voelden alsof er een lakei op gelegen had. Ze stond op en deed een paar passen heen en weer. Ze waren heerlijk warm. Erg warm zelfs. Misschien wel wat te warm. Ze ging weer zitten en trok een sok uit. Een enorme stank steeg op. De prinses trok haar koninklijke neus op. Zoiets had ze nog nooit geroken. Ook de andere sok ging weer uit, maar dat verslechterde de situatie. De walm was ondraaglijk. Boven haar dwarrelden de blaadjes van de wilg naar beneden. Eerst een, toen vijf, daarna met honderden tegelijk. Voor de prinses het wist stond tot haar enkels in de wilgenblaadjes. De stank bleef. De prinses kokhalsde, zij het redelijk majestueus. Vlug zocht ze tussen de blaadjes naar het doosje. Op het papiertje was verder niets te zien. In de doos ook niet. Maar in het deksel las ze haar vloek:

“De drager van deze sokken zal nooit meer zonder kunnen.”

Standaard