Oranje

Oranje

De teller liep naar 110, en dat was best knap voor zo’n kort sprintje vanaf huis. Als ie nou effe doortrok haalde Davy ook het groene licht bij de kruising.

Niet dat het wat uitmaakte, want met dit soort snelheden reed Davy gewoon door. Iedereen wist dat stoppen dan geen optie was. Hij tipte de as van zijn sigaret en keek in dezelfde beweging in zijn spiegel. Ricardo lag al 30 meter op hem achter met die grafbak van ´m. Dat was lachen geweest toen zijn maat met die donkergrijze Opel Omega aan kwam dweilen. Als die 1500 roestende kilo´s staal eenmaal op snelheid waren ging het wel, maar voor je zover was moest je geduld hebben. Om over tot stilstand komen maar te zwijgen. Nee, in de stad was Davy´s rode Polo koning.

De Polo van z´n moeder dan. Die leende ze elke vrijdagavond aan hem uit. Wat moest haar Davy anders, zonder rijbewijs en net uit de bak. Ja toch? Nou dan. De verkeerslichten sprongen op oranje, het sein om de jammerende Polo nog wat op te jagen. Zo deed ie dat nou eenmaal als ie naar de binnenstad wilde. Dat schoot op. Tot anderhalf jaar geleden. Had ‘m z’n zwarte Golfje met body kits gekost, en z’n rijbewijs. En veertien maanden cel. Dood door schuld. Tyfus. Met een betere advocaat was die fakking rechtszaak heel anders afgelopen.

Maar Davy moest verder. Hij hield niet van achteruitkijken. Vooruitkijken was ook niet zijn sterkste punt. Davy dacht maar een minuut of tien in het voren, als ie zijn best deed. Davy leefde in het nu. Dat had zijn advocaat hem verteld, en dat had Davy onthouden. Hij hield ervan om het met een biertje in de hand op feestjes hardop te zeggen. Op een of andere manier voelde hij zich belangrijk als ie het hardop zei.

De verkeerslichten stonden nu een seconde op oranje. Rechts aan de overkant stond een vrouw met een kinderzitje op haar fiets te wachten op het groene licht. Davy zoog nog eens aan de sigaret en deed toen iets wat hij zelden deed. Hij remde. Deed ie anders nooit. Er was geen reden voor zijn onverwachte actie. Davy had nooit redenen nodig. Hij leefde nu eenmaal in het nu. Met jankende banden kwam de Polo tot stilstand, een halve meter over de streep. Met zijn handen vastgeklemd aan het stuur keek Davy woedend naar de fietsster die hem had gedwongen zijn run te onderbreken. Maar die had alleen maar oog voor de donkergrijze Opel die zich met 110 kilometer per uur achter in de Polo boorde en met 1500 kilo roestend staal Davy’s gedachtewereld voor altijd tot stilstand bracht.

Door: Steven Emmens

Standaard
Oranje

Plan B

Op de vrijmarkt van Koninginnedag 1991 kocht Martijn zijn allereerste typemachine. Vijf gulden, hij betaalde met twee rijksdaalders. Het was een oudje en regelmatig moest hij de pootjes van elkaar lostrekken bij een aanslag. De truc was dan om ze een beetje teruggebogen terug te laten klappen.

Maar zo ijverig als Martijn was, elke dag minstens een uurtje typen, kreeg hij de oude machine steeds beter onder de knie. Het was alles wat hij er van had voorgesteld. Een typemachine, net zoals zijn opa, de sterreporter van het regionale dagblad. Terwijl iedereen inmiddels wel een Personal Computer had aangeschaft, bleef opa zijn stukken uitwerken op een typemachine. Soms kwam Martijn na school langs en luisterde hij op de gang de aanslagen gevolgd door het belletje van een volle regel. Als het tikken voor een paar seconden was afgelopen, klopte hij zachtjes op de deur. “Binnen,” riep opa dan om vervolgens vanachter zijn eiken houten bureau te lachen naar zijn nieuwsgierige kleinzoon.
Samen lazen ze dan de belangrijke zinnen die opa had getikt. Over politieke schandalen, blunders in de gemeenteraad en de dubbele agenda van de burgemeester. Martijn begrijpt het allemaal niet zo goed, maar hij wist dat het belangrijk was en het vervulde hem met trots dat zijn opa een echte held met een typemachine was.
Op zijn eigen typemachine schreef Martijn over een klein jongetje dat vrienden werd met een netje sinaasappels. Ruim drie jaar was hij elke dag bezig aan het boek dat hij de “De Oranje familie” had getiteld. Het jongetje, helaas Archibald genaamd, beleefde vele avonturen met de sinaasappels. Hij nam het netje mee op wereldreis en samen zagen ze de Eiffeltoren, de piramides van Gizeh en het Vrijheidsbeeld. Maar de professor waar ze naar op zoek waren, hij had een middeltje uitgevonden dat het rimpelen van de sinaasappelhuid zou tegengaan, hadden ze nooit kunnen lokaliseren. Even was het wel spannend, toen Archibald en de sinaasappels in Londen waren en via de verdienstelijk op tweede klasse niveau handballende schoonzus van een lichtelijk homofobe groenteboer op Piccadilly Circus een tip hadden gekregen over een oude man die in de buurt van Newcastle regelmatige experimenten uitvoerde op fruit en een oplossing scheen gevonden te hebben tegen het verouderingsproces van datzelfde fruit. Natuurlijk sprongen Archibald en de Oranje familie meteen in de trein toen ze dit hoorden van de sowieso niet homo zijnde Londense groenteboer. In de coupe maakten ze plannen hoe ze deze professor het beste konden overhalen om zijn geheime formule met hen te delen. Twee keer zei Archibald “laten we dit plan B noemen”, maar de derde keer was het raak: ze zouden de professor verleiden met een grote zak nep geld dat Archibald snel had gemaakt van een stapeltje gebruikte treinkaartjes. Om zo min mogelijk op te vallen tussen de bewoners van Newcastle vermomde Archibald de sinaasappels als Jeu de Boules ballen van professioneel wedstrijdniveau en knipte hij voor zichzelf een adequate Spaanse baard uit een gratis krant. Eenmaal aangekomen in de oude industriestad in Noord-Oost Engeland, begon daar de lange, lange, lange, lange, o zo vreselijk lange zoektocht naar die mysterieuze man.
Kortom, iedereen in de familie wist het zeker: Martijn zou later een schrijver worden.
Alleen dacht Martijn daar dus anders over. Hij werd groenteboer. Lekker onder werktijd kloten met fruit.

Standaard
Oranje

Regenboog

De vlammen dringen al door het dak als de brandweer komt opdagen. Het ooit zo mooie schuurtje, waarin Corrie haar door de jaren heen verzamelde tuingereedschap heeft opgeslagen, is, zo lijkt het, behoorlijk brandbaar.

Wist zij veel dat een combinatie van een lekkend benzineblik, een hete zondagmiddag, droog hout, een sigaret en een aansteker garant zou staan voor een onvrijwillige barbecue?
Als ze nou opschieten is er misschien nog iets te redden. Zelf hoopt Corrie op het heggenschaartje met het hapje uit één van de messen. Daar kan je de rozen precies goed mee vastpakken.

Als de dichtstbijzijnde brandweerman uitstapt, snelt Corrie naar hem toe.
“Snel, meneer, u moet mijn schuurtje redden! Mijn heggenschaar is nog binnen!”
De brandweerman blikt kort naar het fakkeltje dat ooit een schuur was.
“Ho, ho, ho mevrouwtje, waar denkt u dat u mee bezig bent?”
Corrie kijkt de man niet-begrijpend aan.
“Kijkt u eens naar de vlammen.”
“Ja?”
“Wat is daar mis mee, denkt u?”
“Ze branden m’n schuurtje kapot!”
“Nee, nee, dat is normaal. Kijkt u eens goed.”
Corrie kijkt eens goed.
“Het zijn gewone vlammen en ze vernielen m’n schuurtje en dat is niet de bedoeling!”
“Mevrouwtje, welke kleur hebben die vlammen?”
“Eh, oranje, ofzo?”
“Precies, oranje.”
“Dat zijn toch alle vlammen?”
“Dat maakt niet uit. Het is deze week de Week van de Homoseksuele Brandweerman.”
“Dus?”
“Dus blussen wij alleen vuren die branden in alle kleuren van de regenboog.”
“Oh.”
“Dat zijn er zeven. Ik zie er bij u, als ik aardig ben, rood, oranje en een klein beetje geel. Oh, vooruit, met die ontploffing erbij ook nog een beetje blauw. Maar groen, indigo en violet kan ik niet vinden. En eerlijk gezegd, mevrouw, vind ik dat nogal stuitend.”
“Maar mijn schuurtje dan?”
“Ik kan het ook niet helpen dat uw schuur een discriminerende schande is voor onze maatschappij.”

Hierop besluit de brandweerman dat het genoeg is geweest. Hij doet de zijdeur van de brandweerauto open en pakt een vlammenwerper, model VolcanoBlast 2000. Een korte test op de schutting is genoeg om te controleren dat het apparaat werkt, waarop hij naar het schuurtje loopt en de vlammen een handje helpt. De VolcanoBlast 2000 is gelukkig uitgerust met bijzonder tolerant vuur, waardoor Corries schuurtje binnen de kortste keren tot een prachtige vlammenzee is verworden, waarin geen kleur wordt geschuwd. Wanneer ook indigo in het vuur te zien is, stopt de brandweerman zijn vlammenwerper weer weg en roept de tot nu toe wat rondslenterende collega’s.
“Mannen, dit fikkie kan geblust!”
Dat lieten de heren zich geen twee keer zeggen. Ze rollen de slangen uit, stampen over de prachtige begonia’s en laten het water lopen. De zon schijnt een prachtige regenboog tussen de vele waterdruppels.

Standaard