Religie

Onze Simone

De deurbel gaat. Zoals altijd ga ik op de stoel bij het raam staan om te zien wie er beneden voor de deur staat. Het is Theo en dan doen we niet open.

Daarnaast is het zondag, maar dat maakt hem waarschijnlijk niet uit. Hij steekt een stok door de brievenbus. Theo komt nooit voor ons, maar wil bij de benedenbuurvrouw naar binnen. We hebben hem weleens uitgelegd dat wat hij doet vervelend is. Dan zegt hij dat hij tenminste geen Jehova is. Er valt niet met hem te praten.
De klok slaat zes, we gaan aan tafel.
‘Wil je wijn? Sorry, domme vraag.’
Terwijl mijn vrouw de fles op tafel zet, schijnt door de kamer een fraai zonnelicht, dat op de foto op de voorraadkast valt. Onze Simone, poserend voor de Sainte-Marie-Madeleine de Vézelay. Ik kijk naar de streepjes onder de foto. Mijn vrouw vraagt of ik er vanochtend wel een bij heb gezet. Ik knik met gesloten ogen.
‘We zien haar snel weer, toch? Die zonnestraal, dat is een teken.’
Ze zet de pan soep op tafel. ‘Ik heb zo ook nog quiche.’

Ondanks waslijnconstructies en kippengaas strijkt er op de balk boven mijn hoofd een duif neer. Onder zijn zitplek ligt een flinke berg poep. Er volgen nog drie duiven, die netjes naast elkaar plaatsnemen. Hoe lang sta ik hier al? Driekwartier? Een uur?
Tussen de duiven en het hoopje door, schijnt precies de zon. Wederom een zeldzaam mooi licht, dat ditmaal op de grote verzameling lege flessen valt. Ik kijk naar beneden, waar op het gras van de binnenplaats twee katten om eten bedelen. De buurman komt zijn balkon op om de parkieten te voeren. Ik steek mijn hand op en vraag: ‘Hebben jullie nog iets gehoord?’

We zitten samen in de kamer. De vijfde van Mahler staat aan en ik vouw de krant op. Mijn vrouw doet een kruiswoordpuzzel.
‘Zullen we weer gaan zoeken?’ vraag ik.
‘Dit heeft geen zin, Anton.’
‘We kunnen precies diezelfde wandeltocht maken.’
‘Anton, nee. ’
Ik sta op, pak de krant en laat hem van links naar rechts door de lucht zwaaien. Ze heft haar handen ten hemel, vouwt ze samen en begraaft haar gezicht.

Door: Matthijs van Asselt

Standaard
Religie

Schietgebed

“Misschien was het u al opgevallen dat ik veel te lang niks van me heb laten horen. Sorry dat de laatste keer zo lang geleden was.

Maar u moet weten, ik heb niet stilgezeten en ben tot nieuwe inzichten gekomen. Love is nu my religion. Het is mijn ding, de liefde. Ik weet ook niet waarom ik dat nu pas zie. Loooove. De liefde is ongrijpbaar en in houd van ongrijpbare dingen. Van die dingen waar je zo lekker helemaal niks van snapt, waar je geen touw aan vast kunt knopen. Van die dingen die je niet kunt doorgronden. Je probeert het wel, maar het lukt toch nooit. Heerlijk, de liefde. Het maakt blij en het maakt boos. De liefde laat je huppelen en zingen, maar is net zo makkelijk hartstikke genadeloos. Dan laat ze je met je hoofd tegen het tafelblad bonken en is er nog maar ruimte voor één vraag: ‘waarom!?’ Ach, de liefde. U weet er vast alles van. Ik weet zeker dat er elke seconde van de dag tegen u aan wordt gekletst over dit onderwerp. Door mensen die dat tafelblad zat zijn en er een houten kop van krijgen of door mensen die zo blij zijn met hun geliefde dat ze doodsbang zijn voor wat er gaat komen. Want als je de liefde van je leven hebt gevonden en verschrikkelijk gelukkig bent, dan kan het toch niet lang duren tot er iets heel erg mis gaat? Zo werkt dat nou eenmaal vaak in de praktijk. U hoort niet vaak meer van mij en daarom wil ik u vandaag geen ingewikkelde vraag stellen over een moeilijk onderwerp. Vandaag heb ik slechts één simpele wens: ik wil huppelen en zingen. Bij voorbaat dank. Toedels en amen!”

Standaard
Religie

Onze vader

Daar sta je dan. Ik kijk omhoog naar de middeleeuwse preekstoel en hoor het mezelf denken. Daar sta je dan weer, Martijn.

Vanochtend bij het ontbijt waren er de zenuwen. De kaart op tafel. Statige letters, een donkere rand. Een datum van toen en een datum van niet lang geleden.
Het is koud in de kerk, geen verrassing. Ik had het altijd koud in kerken. Vroeger, toen ik nog elke week met m’n ouders een bezoek bracht aan Zijn huis in ons dorp, zat ik altijd wegdoken in mijn jas. Dacht ik aan de gemiste kansen in de voetbalwedstrijd van een dag eerder. Of wat het mooiste liedje van de gisteren gekochte nieuwe cd was.
Zonlicht door het glas-in-lood achter in de kerk. Is het een teken? Een welkom terug groet van Hem? Langzaam loop ik naar de harde stoelen. Met mijn ouders zat ik nooit in dit gedeelte. Ja, een keer, met kerst. Het was die avond zo druk dat onze vaste plekken in het schip van de kerk al bezet waren. Verontwaardigd was ik, maar mijn vader had het gesust. Iedereen mag naar de kerk komen.
Vaak keek ik naar de mensen om me heen, zoals ik tegenwoordig op een zomerse dag op het terras doe, soms zelfs op zondag. Veel oude mensen in het dorp waar ik opgroeide. Ze zaten vaak alleen, zonder partner, maar de driehoek geloof, hoop en liefde was er altijd. Het was mooi om te zien hoe deze warme uren in een oude kerk hun goed deed. Soms was er even oogcontact, per ongeluk. Verlegen keek ik dan weg. Alsof ik betrapt was.
Het met z’n allen zingen tussen het vele gepraat door was een welkome afleiding voor mijn jeugdig jongensbrein. Samen met mijn vader deelde ik een liedboek. Zijn lippen bewogen wel, maar er kwam geen geluid. Ik had er een spel van gemaakt om de woorden in mijn hoofd zo te verdraaien dat er een grappige tekst uitkwam. Als het lukte nam ik mezelf voor het te onthouden en de volgende dag op school stiekem te zingen wanneer we dag begonnen met bidden en een Bijbelverhaal. Op het laatste moment durfde ik het nooit.
Bij de uitgang een warme hand van de dominee en soms een knipoog. Bedankt dat je er was, jongen.
Voor het glas-in-lood staar ik omhoog. De zon projecteert kleurrijke lijnen op mijn gezicht en ik voel de warmte. Ik sluit mijn ogen en hoor het vroeger zo vaak opgezegde Onze Vader. Mijn lippen bewegen, maar er komt geen geluid.

Standaard
Religie

Fanatisme

Er waait een harde, ijzige wind door het stadion. Op het veld matten twee ploegjes uit de marge, FC Hopseflops en VV Dinges, elkaar af. Het staat 1-1, we schrijven de 63e minuut, een van de minst boeiende uit alle 90 officieel te spelen minuten.

De mid-mid van VV Dinges, een klein, agressief mannetje met zo’n minimaal hanenkammetje op z’n hoofd, verspeelt zojuist de bal doordat de wind vat krijgt op zijn ogenschijnlijk briljante pass naar de linksbuiten. Ze schelden op elkaar maar niemand hoort de verwensingen. Door het loeien van de luchtverplaatsing, ja, maar ook door het gebrul van de supporters, tussen wie ik me sta te schamen.

Ik sta in de spreekwoordelijke f-side van VV Dinges. Om mij heen veel petjes, opgeschoren nekken en tatoeages. Ze loeien, gillen en brullen dat de scheids een klootzak is, dat FC Hopseflops bestaat uit een bijeengeraapt stelletje homoseksuele junglebewoners en dat de wind de schuld is van alle problemen op aarde, waaronder aids, armoede en de afgezwaaide bal van de mid-mid. Want de schuld van de mid-mid kan het niet zijn. Hij is hun verlosser. Sinds ze hem hebben overgenomen van die debielenploeg uit dat klotedorp in die kutprovincie, zijn ze in luttele maanden naar het linker rijtje gestegen. Elke overtreding op ‘hun Messi’ wordt beantwoord met doodsbedreigingen en verhalen over de moeder van de overtreder. Ze zijn, kortom, nog al fanatiek.

In de 75e minuut, het Dinges-kwartiertje, start de samenzang. Ze zingen over de grootsheid van hun cluppie, die keer dat ze kampioen zijn geworden en dat ze dat dit jaar zeker weer gaan doen. Want zij zijn de beste, en niemand anders. Een trommel zo groot als een tractorband zorgt voor het ritme. Hard, snel, strak. Geen moment verslappen. Door het vele bier (of andere geestverruimende middelen) zijn enkele fans, of hooligans, afhankelijk van je standpunt, in een vrij uitzinnige trance terecht gekomen. Ze schudden zichzelf aan de bewegingsloze hekken door elkaar. Met ontbloot bovenlijf omhelzen ze elkaar, vrienden, buurmannen, collega’s, en wensen ze elkaar de winst toe. Als de wind een flard van het gezang van de tegenpartij hun kant opstuurt worden ze gek, gillen ze naar de ijle lucht en werpen ze hun prullaria in de richting van het rondzwervende geluid.

Als ik mezelf na afloop, het is 1-1 gebleven, met de meute naar buiten wring, valt het verschil me op tussen de bedevaart die vooraf gaat aan de wedstrijd en de aftocht erna. Van tevoren zingt men zichzelf moed in en hangt er een uitgelaten sfeer als in een kleuterklas vlak voor de middagpauze. Ze gaan het tuig uit Hopseflops wel eens wat laten zien, dat zullen ze. Als ze hun heilige gebouw daarna weer uitlopen heerst er berusting. Iedereen uit Hopseflops moet dood, daar zijn ze het van harte over eens. Hun verlosser is geweldig, die willen ze nooit meer kwijt. En zij hebben goed hun best gedaan, goed gezongen, goed geschreeuwd. Aan hun heeft het niet gelegen. Wel aan die vervloekte wind.

Standaard