Vaders

Steenworp

New York. Een voorspelbare plek om een verhaal te beginnen, hij wist het, maar dit was gewoon de plek waar hij net in een taxi was gestapt.

Een literaire Vatersuche, zo had hij het verhaal weten te verkopen aan Jasper, zijn uitgever. Die ging akkoord, zo lang hij er maar geen Ernst Jansz van maakte. “Zangers en boeken… George en Martha hadden een beter huwelijk.” Onderhandelen met Jasper kon je het best doen door zinnen te larderen met literaire verwijzingen, dan wist hij zich gezien in zijn voorliefde voor het citaat op niveau.
“Maak je geen zorgen”, had hij geantwoord, “als Albee Holly Golightly het bos in kan sturen, dan moet het omgekeerde ook waar kunnen zijn.”
Hij wist niet zeker of hij hiermee weg zou komen, maar de blik in Jaspers ogen verzachtte zodra hij iets meende te begrijpen: “Ah, de spotlijster! Maar denk erom, die wint het uiteindelijk. Ga je echt naar dat verderfelijke oord? Dylan Thomas overleefde de stad niet – en hij was toch best wat gewend. Sterker nog, hij overleed in jouw ziekenhuis.”
Inmiddels had hij geleerd dat hij niet elke verwijzing hoefde te snappen; met een slimme riposte kwam hij doorgaans wel weg.
Literatuur en punkmuziek, dan bleef je binnen Jaspers groene weide en mocht je meegrazen.
“Als ik er toch ben, zal ik Sid de groeten doen. De befaamde steenworp, nietwaar?”
Hij wist dat Dylan Thomas niet in de befaamde White Horse Tavern was overleden, maar in St. Vincent’s. En aangezien vrijwel elke conversatie met Jasper minstens één keer op Dylan Thomas leunde, had Vincent zich na hun derde ontmoeting de moeite getroost de biografie van Andrew Lycett te lezen. Voortaan zou hij gewapend zijn.
Dankbaar had hij nu die kennis kunnen koppelen aan de toeristische busrit die hij tijdens zijn eerste trip naar New York had geboekt. Pas nadat ze waren vertrokken, bleek het een Celebrity Deaths Cruise te zijn, een rondgang langs allerlei beroemde overlijdensplekken in Manhattan. Met verbazing had hij gekeken naar de manier waarop de New Yorkers probeerden onschuldige winkels en trottoirs te verheffen tot nationaal erfgoed, alleen omdat types als Paul Castellano en Malcolm X daar waren vermoord, of omdat Warhol-meisje Andrea Feldman op veertien hoog van een balkon was gesprongen en vrijwel op Union Square was geland. Ze waren ook langs het appartement gekomen waar Sid Vicious, bassist van de Sex Pistols, zijn laatste adem uitblies, een lommerrijk laantje in de West Village, waar de bus amper doorheen paste. Ergens in de buurt had hij een vestiging van St. Vincent’s gezien, dat was vast de locatie waar Thomas was opgehouden met zijn ‘rage against the dying of the light’. En anders wist Jasper toch niet beter; die haatte reizen. Wat die spotlijster met het verhaal te maken had, dat zou hij later wel opzoeken.

“Midtown?” vroeg de taxichauffeur, Manuel Villalobos uit 1975.
Nee, de Queensboro Bridge natuurlijk, als klein eerbetoon aan de ‘59th Street Bridge Song (Feelin’ Groovy)’ van Simon & Garfunkel. Beiden nog niet dood, trouwens. Het nummer stond op het enige bandje dat hij van zijn vader had geërfd. Althans, het enige bandje waarvan hij wist dat het zijn vader had toebehoord. Het nadeel was wel dat hij dat liedje de rest van de dag niet meer uit zijn hoofd zou kunnen krijgen.
Ach, hij was op weg naar Tom’s Restaurant, door Suzanne Vega nog bezongen als ‘Tom’s Diner’, met een nog veel hardnekkiger melodie. Zou die Tom dat riedeltje niet beu zijn? Hij nam zich voor het er niet over te hebben, zelfs niet als Tom daadwerkelijk bestond. Hij zou ook niets bestellen, trouwens, hij wilde nu alleen maar kijken. Morgenavond, dan zou het pas gebeuren. De eerste ontmoeting. Voor die tijd moest hij nog informatie verzamelen, vragen bedenken, kleding kiezen, tactieken verzinnen om het ijs te breken. Waarom dit boek? Waarom New York? Waarom hebt u me nooit willen kennen?

Door: Vincent Weggemans

Standaard
Vaders

Jongens en meisjes

‘Lekker, moeder’, zei Peter, roerend in zijn tomatensoep. Het was een beetje flauw maar hij durfde niet om het zout te vragen.

Ja? Vind je het echt lekker?’
Hij knikte. ‘Echt.’
Zijn moeder wierp een duistere blik naar zijn vader, die de soep zwijgend naar binnen slurpte. Vader haatte tomatensoep. Vooral die van moeder.

‘Hoe was het op school vandaag?’ vroeg moeder.
‘Goed’, antwoordde Peter. De stilte die hierop volgde duurde zo lang dat hij eraan toevoegde: ‘Ik moest nablijven van meester Ouderkerk.’
‘Nablijven? Waarom dat?’
‘Weet ik niet.’
‘Peter,’ zei moeder met opgetrokken wenkbrauwen, ‘meester Ouderkerk is geen onredelijke man. Hij laat je niet zomaar nablijven.’
Vader hield zijn lepel stil in de lucht en maakte een schamper geluidje. Vader haatte leraren. Vooral degenen die moeder aardig vond.

Hoewel hij vol zat hield Peter zijn bord omhoog zodat moeder hem nog een keer kon bijscheppen. Vaders bord liet ze leeg in de lucht hangen.
‘Ik heb een meisje aangeraakt’, zei Peter toen hij hun blikken zag kruisen.
‘Wat?’ Moeder liet haar lepel op tafel vallen. ‘Hoe bedoel je, aangeraakt?’
‘Gewoon’, zei hij, roerend in zijn soep. ‘Daar beneden.’
Verafschuwd sloeg ze haar handen voor haar mond. ‘Peter!’
‘Ze vond het niet leuk’, zei hij en hij keek naar zijn vader. ‘Maar ik deed het toch.’
Vader keek terug naar Peter terwijl moeder zachtjes begon te huilen. Vader haatte tranen. Vooral die van moeder.

‘Peter’, zei moeder snikkend. ‘Waarom doe je zoiets?’
‘Daar had ik zin in’, zei hij. Hij kon zijn vader niet langer aankijken en begon weer in zijn soep te roeren. Nu durfde hij het zout wel te pakken. Hij strooide lang, witte korreltjes die meteen verdwenen zodra ze het rode oppervlak raakten.
‘Ze huilde. Ze zei dat ik haar pijn deed.’ Hij nam een hap soep en het was zout, heel zout. ‘Ze had nog niet eens haar.’
Plotseling stond vader op; met een ruk schoof hij zijn stoel naar achteren.
‘Waar ga je heen?’ vroeg moeder met betraande ogen.
‘Weg’, zei vader.
Peter had nooit van zijn leven een meisje aangeraakt, dat begreep iedereen. Maar vader, die haatte vrouwen. Vooral moeder.

Door: Mirjam Brouwer
(de Verhalenfabriek)


Standaard
Vaders

Kiplekker

“M’n pa zei tegen me: ‘jongen, zou je dat nou wel doen?’. Dus ja, ik was er wel bij, heb nog mee staan hakken.”

Heb je stukken meegenomen?”
“Nee, ik vond toen dat dat niet de bedoeling was van de sloop. Toen die krengen eenmaal veel geld waard begonnen te worden kon ik me wel voor m’n kop stoten. Daar heb heeft m’n pa me nog vaak mee zitten plagen. Dat ik rijk had kunnen zijn en zo.”
“Wij hebben thuis wel zo’n stuk staan. Ik vind ’t maar lelijk, dat beton. Maar ja, Karin vindt ’t mooi, hè, dus dan…”
“Weet je het wel ja. Als Coby pasta wil eten en ik rijst, dan eten we pasta. Heb ik niks over te zeggen.”
“Dat geldt voor alle vrouwen hoor, mijn dochters…”
“Al is zij degene die kookt, natuurlijk, dus ik snap dat op zich ook wel weer.”
“Als mijn dochters weer een of andere flauwe talentenjacht willen zien tijdens Studio Sport of weet ik veel wat, dan kan ik nog zo hoog springen…”
“Ja, precies! Bart neemt áltijd m’n auto mee. Heb een keer gehad dat ik naar m’n werk wou en toen was de auto weg. Ik Bart bellen, was-ie ermee op vakantie. Kon ik de rest van de week met de trein. Hij dacht dat ik ’t wel gehoord had, toen-ie ’t vertelde. Later bleek dan dat-ie in de keuken had staan mauwen met Coby, terwijl ik gewoon zat te Wordfeuten. Verwachten ze allebei dat ik ’t gehoord had. Onzin.”
“Och ja, doet Karin ook. Maar da’s dan ook wel weer makkelijk hè, heeft ze hele verhalen tegen me, ik kijk gewoon tv en dan maar knikken.”
“Ja, totdat ze je een vraag stelt. Dan zit je.”
“Maar man, dat doét ze nooit! Ze kwekt maar een eind weg, maar het boeit ‘r geen bal of ik luister. Ik knik me een ongeluk.”
“Heb je nog gekeken, woensdag?”
“Nee, moest met Coby mee naar de Ikea. Ze hadden iets van gordijnenuitverkoop of zo. Ik geloof dat we nieuwe gordijnen krijgen.”
“Wanneer?”
“Deze week denk ik. Volgens mij moet ik woensdagochtend thuisblijven om ze te helpen ophangen.”
“Gast, dan zouden we…”
“Squashen ja, ik weet het.”
“Kan Coby dat niet…”
“Doen? Nee. Ze heeft Pilates, dat is belangrijk, zei ze.”
“En dat pik jij dan?”
“Wat moet ik dan? Zeggen dat ze niet naar Pilates mag en dan de rest van de maand op de bank slapen zeker? Mooi niet hoor. Dan maar een keertje niet squashen.”
“Echt typisch…”
“Vrouwen ja, praat me er niet van. Maar goed, daarom doe ik dit dus ook hè, om even weg te zijn, even rust.”
“Ja, ik ook ja.”
“Wil je een hamburger of een kippenpoot?”
“Kip, lekker.”

Standaard
Vaders

Kikkers vangen

“Wat voor vader mijn vader was.” We zitten in de tuin en ik herhaal langzaam de vraag.

Ze knikt en neemt een slok van haar thee. “Ja, wat voor vader was jouw vader?”
“Nou, allereerst leeft-ie nog gewoon, dus je vraagstelling zou moeten zijn wat voor vader mijn vader ís.”
“Details,” lacht ze. “Je probeert nu gewoon tijd te winnen, Martijn. Vind je het een moeilijke vraag?”
“Ik dacht dat het vandaag zonnig zou gaan worden,” zeg ik en sta op uit mijn stoel. Het bierflesje bij mijn voeten wankelt, maar houdt zichzelf uiteindelijk toch op de been. Er zit nog genoeg in om het evenwicht te bewaren.
“Sorry,” zegt ze. “Misschien had ik het niet moeten vragen.”
Ik zeg niks en staar naar de sloot die achter ons huis loopt. In de zomer zit het vol met kikkers. Als het niet van de hitte is, dan is het wel van het lawaai dat die beesten maken waar we ’s nachts niet van kunnen slapen. En toch verlangen we er naar op deze moeizame lentedag in april.
“Er zijn nog geen kikkers,” zeg ik met mijn rug naar haar toegekeerd. “Zie je nou wel dat het nog lang geen zomer is? Pas als de kikkers er weer zijn is het zomer. Zo gaat het al jaren. Zie jij kikkers? Nou? Precies.”
“Jij en je kikkers,” zegt Evelien en ik weet dat ze gelijk heeft. Ik praat teveel over kikkers. Sinds we hier wonen ben ik gehecht geraakt aan die beesten. Natuurlijk zitten er niet elk jaar dezelfde kikkers, maar zo voelt het wel. Het zijn onze kikkers die ons wakker houden. Ik geef ze nog net geen namen.
Evelien is naast me komen staan. Haast geruisloos. Samen kijken we naar de sloot. Onze sloot zonder onze kikkers. Het lentebriesje maakt rimpels in het troebele water en laat het riet voorzichtig dansen als onzekere pubers op hun allereerste schoolfeest. Hoe lang geleden was mijn eerste schoolfeest? Graag zou ik die schuchtere jongen willen vertellen dat alles wel goed komt.
“Ik ben er inmiddels wel van overtuigd dat mijn vader geprobeerd heeft een zo’n goed mogelijke vader te zijn,” zeg ik zonder mijn ogen van de sloot af te houden. “Hij heeft gedaan wat hem het beste leek.”
Haar hand over mijn rug. “Ja, dat geloof ik ook.”
“Natuurlijk had hij vroeger meer met mij kunnen doen. Of zelfs moeten doen. Voetballen, vliegers bouwen of voor mijn part kikkers vangen. Maar zo was onze relatie nooit. Hij was gewoon mijn vader.”
Een paar ganzen steken zonder twijfel en met veel vertoon het landweggetje over. Dit is hun gebied en ze zijn er trots op.
“En dat is hij nog steeds. Mijn vader, maar dan ouder.”
In de half bewolkte lucht vertrekt een vliegtuig richting de zon. Samen staren we ‘m na in stilte. Wie had ooit gedacht dat we zo dicht bij Schiphol zouden gaan wonen? Maar het was een logische keuze. Hier hebben we de ruimte. De tuin, de sloot, de kikkers, het grasveld, de wind en de blauwe lucht. Alles.
We luisteren naar overvliegende meeuwen en horen in de verte zowel een ambulance als het belletje van een optimistische ijscoman.

Standaard
Vaders

Hier is alles anders

Ze ligt op haar zij, met haar been om een enorm, langwerpig, kussen geklemd. Vorige week heeft ze er een gezichtje op getekend.

Hij staart naar het plafond. Ze zijn allebei wakker. Zij laat daar niks van merken en heeft haar ogen dicht. Dat heeft hij ook even geprobeerd, maar het lukte hem niet. Er is te veel te zien.

In het plafond zitten grote scheuren – het risico van stucwerk – twee jaar geleden was alles nog strak. Ze wilden het in één keer goed doen, en glad gestucte plafonds mochten dus niet ontbreken. Hij denkt terug aan de dag dat ze hun handtekeningen onder het koopcontract hadden gezet. Die avond picknickten ze op vloer van hun nieuwe woning. Ze zaten voor de openhaard, aten pizza en dronken bubbels. Daarna zwierden ze door het huis. Muziek hadden ze niet nodig.

Destijds dacht hij nog dat hij het wel zou redden, in een buitenwijk. Nu bestudeert hij de scheuren in het plafond en is het stil. De hele straat lijkt in een diepe rust te verkeren. Hij hoort geen auto, geen fietsers. Zij kletst niet meer gezellig tegen hem aan. Hij hoort níks.

Hij mist het geluid van de veel te hard voorbij razende auto’s, waar hij zich altijd zo verschrikkelijk aan irriteerde. Hij hoort nooit meer een goederentrein het station binnen denderen. Hier ga je niet in je eentje op een terras zitten. Hier is alles anders. Hier is alles stil en de meest oorverdovende stilte komt van haar.

Ze is er nog wel, maar wie zij nu is heeft niks meer te maken met de vrouw waar hij zo van had gehouden. Dit is precies waar zijn vader hem jaren eerder – toen hij nog maar een klein ventje was – voor had gewaarschuwd. Terwijl ze over de Dappermarkt scharrelden had zijn vader hem opgedragen eens goed om zich heen te kijken. ‘Hier wil je toch nooit weg?’ had zijn vader gezegd. Hij moest hem beloven de stad nooit te verlaten. Want, zo zei zijn vader, dat zou alles veranderen.

Hij draait zich op zijn zij en wordt aangestaard door het getekende gezicht op de muur die tussen hun in ligt. Een muur die heel duidelijk aangeeft dat er een grens is en dat hij het niet moet wagen daar overheen te gaan.

De les die hij leerde op de Dappermarkt, die had hij serieus moeten nemen. Nu is hij is weg uit de stad en is alles veranderd. Hij vraagt zich af of dat ook is wat er tussen zijn ouders is gebeurd. Dat durfde hij destijds, daar op die markt, zijn vader niet te vragen.

Zij slaapt inmiddels. Dat weet hij zeker, want haar mond hangt een stukje open en haar been hangt nu ontspannen om de muur heen. Hij betrapt zichzelf erop dat hij met vertedering naar haar kijkt. Haar hand rust op de toeter van een buik die de afgelopen weken buitenproportioneel groot is geworden en ze heeft een zachte uitdrukking op haar gezicht.

Voor een moment wil hij zijn hand op haar buik leggen en voelen wat er daar binnen allemaal gebeurt. Maar dan is er de muur en de grens die niet overschreden mag worden.

Standaard