Verslaving

Figuranten

“A rolling stone gathers no moss.” Onder ons op straat is het echte leven. Lichtjes, pratende mensen op een terras, bierflesjes die met de halzen tegen elkaar aangeklonken worden.

Om hier te komen moesten we door een verlaten gebouw met tl-verlichting, onze voeten op de metalen trap weerkaatsten tegen de muren. Een van die plekken die je alleen maar kunt kennen als je thuis bent in een stad.
Chris nam me mee naar het dakterras. Er liggen plassen op het beton en de balustrade is begroeid met mos, maar een beter uitzicht heb ik nog niet kunnen vinden. En nu staan we hier, neerkijkend op wat alleen de figuranten van ons leven kunnen zijn.
“Maar wat is mos? Is het goed of niet?”
Ik haal mijn schouders op.
“Als je niet eens weet wat het is, waarom ben je dan ooit begonnen met rollen?”
Ik leg mijn hoofd op mijn handen. De wind is koud, maar de warmte van de dag hangt nog om ons heen. Beneden ons begint iemand een verjaardagslied te zingen.
Chris wijst op de jarige. “Dat is mijn buurman. Laatst aan zijn knie geopereerd, het verbaasd me dat hij nu al de deur uit is.”
“Je kent hen ook, toch?” Ik doel op twee vrouwen met een hondje die Chris groetten toen we op weg hierheen langs het terras liepen. Hij knikt.
“En de ober ook. Vaste gast?”
Hij begint te lachen. “Ik woon hier al een tijdje.”
Ik ontmoette Chris een paar dagen geleden in een café, zoekend op mijn kaart naar de juiste route. Hij liet me de stad zien zoals alleen een bewoner dat zou kunnen.
“Hoe lang is het geleden dat jij ergens gewoond hebt?”
“Ik ben op reis, niet dakloos.”
“Nee, echt gewoond. Niet verbleven voor een maand of een half jaar.”
Ik heb geen zin om antwoord te geven op zijn vraag. De vrouwen met het hondje nemen afscheid van de ober en vertrekken. De stukjes mos die ik heb losgepulkt van de balustrade dwarrelen naar beneden.
“Een steen moet rollen?”
“Een steen moet rollen.”
Chris en ik delen iets, denk ik. Waar ik niet op dezelfde plek kan blijven heeft hij nog nooit zijn thuisstad verlaten, maar in ons beiden zit een diepgewortelde verslaving voor wat veilig lijkt, een manier van leven die is ontstaan uit angst. Waar hij bang voor is zal ik nooit te weren komen, morgen gaat mijn trein. Ik begin te veel gezichten te herkennen, weet al precies welke supermarkt het
goedkoopst is. Tijd om te vertrekken.
“Kom je nog een keer terug, denk je?”
De verjaardagsgroep begint te juichen als de ober een dienblad champagne naar buiten brengt. Het koppel naast hen probeert zonder resultaat zijn aandacht te trekken.
“Nee, ik denk het niet. Weet het zeker, eigenlijk.”
Ik heb al zo vaak mensen moeten teleurstellen dat dit me geen moeite meer kost.
“Oké.”
We kijken naar beneden, naar de lichtjes en de straat en de mensen. Het zal niet lang meer duren voordat Chris ook een figurant is geworden. Een kleine bijrol misschien. Maar niet meer dan dat.

Standaard
Verslaving

Vul mij

Een in het openbaar heftig knorrende buik heb ik altijd ervaren als een uitermate gênante gebeurtenis. Op de middelbare school kwam het wel eens voor, meestal tijdens een tentamen als het doodstil was in het hele lokaal. Verschrikkelijk. Om geknor en geborrel in mijn buik te voorkomen zorg ik tegenwoordig altijd dat ik goed gevuld ben. Tenminste, als ik de kans krijg.

De geur van een vers gebakken Turks brood met sesamzaadjes is magisch. Het kan binnen enkele minuten mijn hele huis vullen en zorgt voor water in mond lopende taferelen.

Het is zaterdagmiddag en ik zit aan mijn werktafel. Op de stoel tegenover mij ligt een plastic zak met daarin een Turks brood met sesamzaadjes. Het is half drie en dus als lang na lunchtijd. Op zaterdag lunch ik graag uitgebreid. Het brood besmeer ik dan met goede humus met extra veel knoflook en als voorafje eet ik dolma’s en groene olijven. Om dit alles weg te spoelen drink ik verse muntthee. Zonder honing. Mijn zaterdagen zijn tropische verassingen. Behalve vandaag.

Ik kijk opzij en de bilspleet die ik zie is zo in het oog springend dat hij met geen mogelijkheid te vermijden is. Als het die van mijn zusje was zou ik nu heel hard “BILSPLEETATLEET” roepen, maar het is die van mijn huisbaas.

Getimmer in mijn oor en de geur van Turks brood in mijn neus. Deze zaterdag is geen tropische verassing en ik ben absoluut niet content met de situatie. De dubbele deuren naar mijn balkon staan open en mijn appartement is gevuld met koude lucht. Hier kunnen mijn verwarmingen – die ik allemaal op de hoogste stand heb gezet onder luid geprotesteer van mijn huisbaas – niet tegenop boksen.

“Dat is één, dat is twee, dat is drie, dat is vier.” Hij telt mee met de klappen van de hamer. Vier keer timmeren is genoeg. Latje nummer drie hangt en op de achtergrond knort mijn buik.
De komst van mijn huisbaas gaat gepaard met een groot dilemma: is het onaardig om mijn tropische verrassingslunch te nuttigen terwijl hij en zijn bilspleet aan het zwoegen zijn mijn appartement tochtvrij te maken? Mijn Turkse brood met hem delen is geen optie. Geen denken aan.

Als mijn lunch kon praten zouden de olijven, de dolma’s en het heerlijk belegde brood nu schreeuwen “Eet ons! Eet ons! Het is al half drie, vergeet ons niet!” Als mijn buik kon praten zou de ruimte zich nu vullen met een oorverdovend gekrijs “VUL MIJ!”

Het laatste latje is bevestigd en mijn huisbaas treuzelt met het opruimen van de spijkers. Met zijn handen achter zijn hoofd staat hij uit te puffen. Er piept een stukje behaarde buik onder zijn polo uit. Ik neem wat ik zie in me op terwijl ik mijn thee – in een poging mezelf warm te houden – met grote slokken naar binnen slurp. Het delen van mijn brood is uit den boze, maar had ik hem eigenlijk een kop thee aan moeten bieden? Omdat ik toch nog iets aardigs wil zeggen wijs ik hem erop dat hij zijn figuurzaag niet moet vergeten.

Standaard
Verslaving

Alles hebben

Ze waren naar binnen gegaan omdat hij had gezegd dat ze er alles verkochten. “Alles?” had ze vol ongeloof gevraagd en hij had geknikt boven zijn cappuccino.

In het café waar je bijna alles kon drinken, zaten ze tegenover elkaar. Hij had haar met de fiets van zijn huisgenoot opgehaald van het centraal station en met haar arm om zijn middel hier naar toe gefietst. Het had zachtjes gesneeuwd en haar handen zaten verstopt in wanten. “Jij weet wel van wanten,” had hij gezegd en ze had er gelukkig om moeten lachen.
Ze praatten nog wat verder, dronken nog wat koffie en waren toen klaar om te gaan. Hij stond op en vroeg: “Oké, waar zullen we heen gaan?” Ze lachte en pakte haar jas. “Naar de winkel waar ze alles verkopen, natuurlijk!”
De winkel waar ze alles verkopen was een minuutje lopen van het café waar ze lang niet alles dronken. Hij overwoog haar hand te pakken, maar durfde het uiteindelijk niet te doen. Voorlopig moest hij het doen met haar arm om zijn middel wanneer ze de grotere afstanden aflegden in de stad die alles zegt te hebben.
Voor een winkel die alles verkoopt was het er niet druk. Ze keek om haar heen en hij keek naar haar. Om zijn bewering kracht bij te zetten pakte hij af-en-toe iets van een schap en zei dan: “Kijk, ze hebben zelfs dit.” Ze lachte, zoals ze de hele dag al lachte. Hij was er inmiddels al verslaafd aan geraakt.
Zonder iets te kopen stapten ze uit de winkel die alles verkoopt. Teveel keus is voor niemand goed, dat begrepen ze beide. En waarom zou je alles willen hebben?
Ze pakte haar wanten en hij zijn handschoenen. Het was koud, maar de sneeuw bleef niet liggen.
“En nu?” vroeg hij.
Ze haalde haar schouders op.
“Laten we deze kant op gaan, “ zei hij en ze knikte.
Samen liepen ze steeds verder weg van de winkel die alles verkoopt, maar voor zijn gevoel had hij ook niet meer nodig.

Standaard
Verslaving

Horres en Van Dam in: Het Witte Goud

“En, Van Dam, hoe ziet de situatie eruit?”
Het is een absolute chaos, chef. We zijn een van onze rechercheurs kwijt. Hij zal wel ergens in dat huis zijn, maar we hebben geen idee waar dan precies. En klopsignalen gaan niet zo makkelijk hè, met die brei.”

Horres knikt zwijgend. Horres aait wat aan zijn snor, die hij sinds kort laat staan. Het is een best goede snor, al zegt hij het zelf. Met puntjes naar de zijkant. Dat zijn de echte snorren.
“Goed, maar hebben we de dader al te pakken? Hij moet daar toch ergens zijn, of niet soms?”
“Nee, ja, natuurlijk chef, maar ’t blijft een chaos, daarbinnen. We hebben ‘m nog niet.”
“Wat doe je hier dan nog Van Dam? Hop, naar binnen!”
“Ja Horres.”
Van Dam draait zich om en loopt het grachtenpand aan de Leidsegracht weer binnen. Achter hem grinnikt Horres om de witte afdrukken die Van Dam achterlaat op de stoep en trap. De witte laarzen, die Van Dam aan lijkt te hebben, geven behoorlijk af. Hij probeert zeker een wit voetje te halen, denkt Horres, waarop hij in een bulderend lachen uitbarst.

“We hebben ‘m, chef!”
Van Dam komt, samen met een andere agent en allebei volledig in een witte waas gehuld, met een andere, net zo witte man naar buiten. Ze brengen de man naar Horres en fouilleren hem dan. Van Dam graait in een broekzak en haalt een lege tube tandpasta tevoorschijn.
“Ha, tuig,” blaft Horres, “op heterdaad! Dacht je nou echt dat we je niet zouden pakken? Dacht je dat? Voer ‘m maar af jongens, ik hoef die gast niet langer te zien. We ondervragen ‘m wel op ‘t bureau. Volgens mij heeft die gast nierstenen van fluoride. Ransaap. Oh, wacht, leuke grap: jullie zien er fluoriderend wit uit! Haha! Nou goed, Van Dam, ik wil dat je dat huis leeghaalt. Alles is bewijsmateriaal. Alles. Die brei mag in een container, ga ik voor je regelen, de rest, allemaal verpakken in zakken. Akkoord? Akkoord.”
“Oké. Wil je nog dat ik onderscheid maak tussen de verschillende merken?”
“Wat, hoezo dat nou weer?”
“Nou, de badkamer ligt vol Elmex, z’n slaapkamer is eigenlijk alleen Aquafresh en op de hele benedenverdieping ligt een laag van een halve meter Prodent.”
“Wat kan mij die merken nou schelen? Ik wil die container vol, begrepen?”
“Ja chef. Oh, trouwens, we hebben die rechercheur weer gevonden. Hij zat vast in de Zendium. Een kleverig goedje, we moesten met vier man aan ‘m sjorren om ‘m los te krijgen. Ze zijn ‘m nu aan het schoonpoetsen.”
“Het zal me worst wezen, dat gedoe daarbinnen. Ik wil dat je dat huis uitkamt, desnoods met een flosdraadje. Ik wil iedere tube en iedere tandenborstel hier op de stoep hebben. Binnen een uur. Is dat duidelijk genoeg, Van Dam? Dat geldt dus ook voor lege tubes, wat zeg ik, juist voor lege tubes! Aan het werk.”

Standaard