De laatste dag

Morgen is het lente

Allemaal zijn ze alleen. Ze zitten heel stil, hun ogen gesloten en de kin een beetje omhoog. Een straaltje zon valt op hun witte wintergezicht.

Mensen zouden vaker zo ongegeneerd moeten genieten’, zeg jij. ‘Gewoon, alleen maar op zichzelf gericht.’
Een oude vrouw zit op een bankje bij de vijver. Ze heeft haar gezicht naar het licht gekeerd en ademt diep, alsof ze de lente in al haar poriën naar binnen wil zuigen.
‘Die heeft de hele winter tussen vier muren gezeten’, zeg ik. Op een dag als deze krijgt zelfs eenzaamheid groene knoppen.

Het was jouw idee om een wandeling te maken. Langzaam naast elkaar slenteren, jouw want in de mijne. Vanaf morgen gaat de temperatuur omhoog en afspraken voor fietstochten, terrasjes en zwembaden zijn al gemaakt. Maar vandaag zit de winter nog als een dikke sjaal om onze nekken geknoopt.
‘Zie je dat meisje?’ Ze zit in haar eentje op een bankje, haar rugtas naast zich. ‘Die spijbelt van school.’ Ontsnapt aan vierkantswortels en werkwoordsvervoegingen om even alleen met de laatste winterdag te zijn.

Ik ruik dat het warm gaat worden. Elk jaar vergeet ik dat de lente een geur heeft, net zoals ik vergeet hoe het voelt om onder alleen een laken te slapen of hoe blond mijn haar wordt in de zon. De hele winter lang heb ik deze geur niet geroken en de hele zomer lang zal hij me niet opvallen. Maar vandaag maakt hij me licht.
‘Denk je dat hij hier veel geld verdient?’ Een donkere man speelt accordeon op een bankje, zijn ogen zijn dicht.
‘Vast niet. Hij kan maar één deuntje.’ Op het station zou hij tien keer zoveel verdienen, ondanks dat ene deuntje. Maar hier zit hij op een bankje in het park.

Even verderop is er een man in een te veel te ruime winterjas. Er staat een plastic tas naast hem waar een slaapzak uitsteekt: hij heeft vast op dit bankje geslapen vannacht. Toch ontwar ik onder zijn verwilderde baard een kleine glimlach.
‘Zielig, als een uitstapje naar het park het hoogtepunt van je dag is’, zeg jij.
‘Het is het hoogtepunt van míjn dag.’
‘Dit? Ik zal je zo wel eens laten zien wat een hoogtepunt is.’ Je slaat me op mijn billen en ik slaak lachend een gilletje.

De lucht hangt vol met beloftes. Het is een voelbare trilling, de gedaanteverandering die het park te wachten staat. De honderden jonge stemmen die de stilte zullen doorbreken, de kurken en aardbeienkroontjes die overal zullen worden achtergelaten, het uitspreiden van kleedjes op het nu nog berijpte gras.
‘Laten we naar huis gaan’, zeg je. Je kust me en je adem voelt warm op mijn koude wangen. We lopen terug langs de mensen die zich wentelen in het laatste stukje winter. Morgen is het lente.

Door: Mirjam Brouwer
(de Verhalenfabriek)


Standaard
De laatste dag

Niet in Amsterdam

Het was best een mooie dag, die donderdag in december. En natuurlijk hadden ze afgesproken in Café Vroeger, wat de afgelopen jaren toch een beetje hun plekje in hun Amsterdam was geworden.

Marco had alle tijdschriften die op de leestafel lagen inmiddels wel drie keer gelezen en zij had zo’n goede band met de gevlekte huiskat gekregen dat het beest hun zelfs op een avond naar huis was gevolgd. Ze vertelden het vaak op feestjes en schiepen er zichtbaar genoegen in dat hun vrienden het een typisch Marco en Hanne verhaal vonden.
Lunchen hadden ze er echter nog nooit gedaan. Hij wist niet eens dat het kon in Café Vroeger, maar Hanne klonk zo stellig aan de telefoon dat hij zijn twijfel niet eens had uitgesproken en blind koers had gezet naar het centrum.
Hanne vloog hem al om de hals voordat hij zijn oude fiets ergens aan vastmaken kon. Haar goede gevoel na het derde gesprek bleek te kloppen: ze paste perfect in het team. Ze kon morgen al beginnen zodat Anneke haar nog mooi dit jaar kon inwerken.
Binnen sloeg de feeststemming langzaam om toen het gesprek natuurlijk weer kwam op datgene waar ze het de afgelopen weken al veel vaker over gehad hadden: het team waar Hanne zo perfect in paste zat in Zwolle. Niet in Amsterdam.
Misschien dat Hanne het kon proberen met de trein, had Marco geopperd om daarna snel een slok van zijn cappuccino te nemen. Natuurlijk was dat geen optie, dat wist hij ook wel. Ja, voor een paar dagen, maar niet voor altijd.
‘Je moet het niet zien als het einde,’ zei ze en aan de frons boven haar linkeroog zag hij dat ze serieus was. ‘Eigenlijk is dit gewoon een nieuwe start. Ja Marco, zo moet je het gewoon zien.’
Zo zag Marco het niet.
Volgens Hanne was Zwolle best een leuke stad, daar moest hij zich niet in vergissen. Na het tweede gesprek had ze nog even wat gelopen door het centrum en eigenlijk leek het best wel op Amsterdam. Natuurlijk, het was minder groot en je zag er minder toeristen, maar je kon er ook heerlijk gezellig op een terrasje zitten. Misschien konden ze dit weekend er eens samen rondkijken?
Ze zwegen en begonnen beide aan de net gebrachte tosti’s. De tweede kop koffie was van het huis. Inmiddels was de kat al weer op de stoel naast Hanne gesprongen. Even leek alles zo volmaakt als altijd.
Toen aaide ze hem voor de laatste keer.

Standaard
De laatste dag

Wat als

Het leek een tijdje goed te gaan, maar sinds een week of drie staan de zaken er weer heel anders voor. Haar dagen worden opgeslokt door een grote, alles verwoestende vraag.

Als klein meisje was ze al een denker geweest. Zo kon ze uren wakker liggen en malen over wat er zou gebeuren als haar ouders opeens dood zouden gaan. Na veel tranen en een paar glaasjes appelsap ging het dan meestal wel weer. Er is weinig veranderd. De vernietigende kracht van haar hersens is ze nog steeds niet meester geworden en of dat ooit nog gaat lukken is een vraag waar ze zich na jaren enigszins bij neer heeft kunnen leggen.

Ze liggen in bed. Zijn bed is net iets te klein voor twee personen. Zij had zich daar vanaf het begin al aan geërgerd, hij vond het juist wel gezellig. De veren prikken in haar rug en ze bestudeert de vochtvlekken op het plafond. Lekkage, een half jaar daarvoor. Ze hadden staan dansen in de regen en gestampt in de plassen. Haar hoofd rust op zijn arm. Ze weet dat over een paar minuten zijn hand gaat tintelen, maar hij had haar er al tijdens het begin van hun relatie van verzekerd dat hem dat helemaal niks uitmaakt. Zij was het tenslotte, die de tintelingen veroorzaakte. Zo is hij. Op de achtergrond klinken de geluiden van de stad. Fietsbellen rinkelen en auto’s razen voorbij. Zijn gordijnen zijn dicht, de felle zon die er doorheen schijnt verraadt dat het al lang middag is.

Hij wil graag naar Italië, vertelt hij. Samen in de auto en hoe lang ze dan over de reis zouden doen, nou dat maakt eigenlijk helemaal niet uit. Tentje in de kofferbak en samen op avontuur. De Amalfikust lijkt hem wel wat. Schijnt één van de mooiste kusten van de wereld te zijn en staat ook nog eens op de werelderfgoedlijst van unesco. Hij ziet ze al samen, met hun tenen in de zee, van borden pasta en flessen wijn genieten. Gewoon met z’n tweetjes. Want, zo zegt hij, meer dan ‘gewoon wij tweetjes’ heeft hij echt niet nodig.

Zijn knusse bed, het stampen in de plassen, de tintelingen in zijn hand en een reisje naar Italië: ze is zich er perfect van bewust dat ze hier iets bijzonders te pakken heeft. Dat ze al bijna acht maanden iets bijzonders te pakken heeft. Acht maanden, dat is al een hele poos. Ook daar is ze zich van bewust. En terwijl hij verder keuvelt over hoe ze komende zomer zullen kussen bij zonsondergang en dat hij eigenlijk echt wel een keer de liefde wil bedrijven op de achterbank van de auto staart zij naar de vochtvlekken op het plafond en denk ze na over ‘wat als’.

Want wat nou als hij negen maanden, misschien tien, wel lang genoeg vindt? Of wat als hij tijdens het boodschappen doen een veel leuker meisje tegenkomt? Of in de trein, dat kan ook. Hij zal niet de eerste zijn die verliefd wordt in de trein. Er zijn grote romances die ontstaan zijn in de trein. Wat als alles mis gaat? Wat als hij vertrekt? Dat zou veel te erg zijn. Dat zou veel te veel pijn doen. Ze zit helemaal niet te wachten op pijn!

Ze wurmt zich uit zijn net iets te kleine bed, rukt de gordijnen open en staart in de zon. Het is wel weer mooi geweest.

Standaard
De laatste dag

Overgang

Er gaat iets. Een deurbel of een wekker of, ja, een telefoon. Bart kreunt. Hij draait zich naar het nachtkastje toe en grijpt naar z’n telefoon. Hij voelt niks, dus doet hij z’n ogen open.

Zijn handen hadden gelijk: geen telefoon. Toch gaat hij. Pas drie beltonen later beseft Bart dat de telefoon nog in z’n broek zit, die op de stoel hangt, die bij z’n bureau staat, die aan de andere kant van de kamer staat. Bart zucht. Hij zwaait z’n benen uit bed en drukt zichzelf omhoog. De telefoon blijft gaan, terwijl Bart zich moeizaam langs de zooi worstelt die hij gisteravond heeft achtergelaten. Flesjes bier, zij het leeg, liggen verspreid over en onder de vele kledingstukken, opgeblazen ballonnen en lege, witte plastic bakken. De laatste stap naar z’n broek eindigt in een hoopje magnetronbami.
‘Hallo?’
‘Jooooo Bartje! Hoe issie dan, ouwe rukmajoor? Lekker geslapen? Jo, gast, we gaan effies een borreltje doen bij Van Loon. Kom je ook? Is goed voor je, even eruit man.’
‘Sander, je belt me wakker. Hoe laat is het?’
‘Hahaha! Oh oh oh, da’s Bartje weer hoor. Hé, Mariek, moe je horen wat Bart net vraagt! Hoe laat het is! Haha! Die knul is net wakker joh. Nou, jongen, het is acht uur. ’s Avonds! Kom even lekker een pilsje doen man. Gezellig. Zie ik je zo?’
‘Ja, ik kom eraan.’

Er gaat iets. Wéér die klotetelefoon. Bart grijpt naar z’n nachtkastje en vindt z’n telefoon. Een klein glimlachje krult om Barts lippen. Nu wel.
‘Hallo?’
‘Bartelomeüs! We staan voor je deur man! Doe eens open!’
‘Wat? Hoe laat is het?’
‘Dik vijf uur ’s middags knulletje. Kom op, doe even open.’
‘Ja, is goed, ik kom eraan.’

Er gaat iets. Niet de wekker, niet de bel, ook niet de telefoon. Of, nou ja, niet Barts telefoon. Bart kreunt en draait zich naar links.
‘Hé, hé, hé, hé, je wakker loopt, eh, nee, je telefoon gaat, dinges.’
‘Wat, hoe laat is het?’
‘Geen idee.’
‘Waar is-ie?’
‘Bij de laptop geloof ik.’
Ze (hoe heet ze ook alweer?) kruipt over Bart heen en worstelt zich door de bende heen.
‘Hè, gatsie, waarom ligt hier bami? Ja hoi, met mij. Oh? Hoe laat is het? Echt? Oh, oké, ja, ik kom eraan.’

Er gaat iets. Het is de wekker. Bart kreunt. Even snoozen nog. Eventjes maar.

Er gaat iets. Het is z’n telefoon. Bart is ineens klaarwakker. Hij weet precies wie er belt. Vertrouw nooit op de snooze-knop. In één sprong staat hij bij z’n telefoon. Hij had zich niet mogen verslapen. Niet nu.
‘Hallo, met Bart.’
‘Dag Bart, met Lindy. We zitten ons hier af te vragen waar je blijft.’
‘Ja, ik…’
‘Meneer Perfors is alweer naar z’n volgende vergadering. Hij was niet zo blij dat je er niet was.’
‘Nee, snap ik. De stroom was hier uitgevallen volgens mij, want ik heb m’n wekker niet gehoord. Het spijt me heel erg.’
‘Tja, dan had je er maar twee moeten zetten. Schiet je op?
‘Ja, ik kom eraan.’

Standaard
De laatste dag

Afscheid

De zomer was bijna over. Hedwig zat met haar rug tegen het hek en keek hoe haar moeder gele en paarse pruimen in stukken sneed.

Die zouden later met honing en rozemarijn in de taart gaan en na het eten geserveerd worden met een schep room, op glazen gegraveerde dessertbordjes. Hedwig hield evenveel van pruimentaart als ze het krassen van haar vork op het bordje haatte. Christina zat naast mama een van de boeken te lezen van schrijvers die ze zo adoreerde. Zou Hedwig ook eens moeten proberen, zei ze altijd, goede schrijvers lezen. Soms liet ze zelfs een boek achter op Hedwigs hoofdkussen.
Alex was vast niet ver weg, ergens iets aan het bouwen of juist slopen, of in een boom met gaten in zijn broek, zodat mama hem straks aan tafel vermanend zou toespreken en Christina haar hoofd zou schudden en haar ogen ten hemel zou slaan.
Verderop in de tuin, bij de lavendelstruiken, stond Michael. Het zag eruit alsof hij niets deed, starend in de verte, maar Hedwig wist wel beter. Michael deed nooit niets.
Ze stond op en wreef over haar benen, waar het gras rode strepen in had achtergelaten. Takjes prikten in haar voeten toen ze over het tuinpad naar Michael liep.
‘Dag kruimel.’ Hij trok aan haar vlecht.
‘Wat ben je aan het doen?’
‘Ik ben aan het kijken.’
‘Waarnaar?’
‘Alles.’ Hij spreidde zijn handen uit naar het huis, de schuur, de tuin, de boom waar enkel oneetbare zure appels aan groeiden. ‘Zodat ik het straks beter kan onthouden.’
‘Ik wil niet dat je gaat.’
‘Dat bepaal jij niet, helaas.’
‘Je moet blijven.’
‘Ik kom heus nog wel op bezoek.’
Hedwig ging in het gras zitten en plukte een grasspriet uit elkaar. Bovenaan de trap stonden al Michaels spullen in kartonnen dozen. Zijn bed bleef staan, maar zijn bureau nam hij mee. Christina was door het dolle heen dat ze nu een eigen kamer zou krijgen.
‘Let jij een beetje op? Dat de zaak hier niet in het honderd loopt als ik weg ben.’
Ze haalde haar schouders op. Michael zakte door zijn knieën en trok de grasspriet uit haar hand.
‘Kijk me eens aan. Je bent toch niet boos?’
‘Nee.’
‘Niet boos zijn. Je mag wel een keertje op bezoek komen in mijn nieuwe huis.’
Hedwig keek op. ‘Echt?’
‘Als je wilt.’ Michael draaide zich om naar het huis. ‘Kom je? Volgens mij gaat mama pruimentaart maken.’
Hedwig knikte en volgde hem. De zon gaf al bijna geen warmte meer af. De zomer was bijna over.

Standaard