Brieven

Brokstukken

Beste allemaal,

Sorry als mijn handschrift wat moeilijk te lezen valt. Het is al na middernacht en het enige licht komt van de maan die nog lang niet vol is, en de paar verlichte ramen waarop ik uitkijk. Ik ben alleen.

Ook de sterren geven wat licht. Het lijkt zelfs wel alsof ze vannacht feller te schijnen dan gewoonlijk, alsof de lucht volhangt met een heleboel kleine maantjes. Misschien komt dat wel doordat ik ze steeds beter begrijp. Mensen die ik goed ken lijken soms ook net licht te geven. Wisten jullie dat sterren ontploffen als ze doodgaan? Ze spatten uit elkaar in ontelbare kleine stukjes die de ruimte worden ingeslingerd. Koolstof, waterstof, zuurstof. Uit al die elementen worden wij en onze huisdieren en onze schoolboeken opgebouwd.

Als we doodgaan vallen we weer uit elkaar. Heel snel als we gecremeerd worden en heel langzaam als we onder de grond worden gestopt. Maar we vallen altijd uit elkaar in dezelfde kleine stukjes. Ooit, als de aarde er niet meer is, worden die stukjes weer ster: dat zag ik laatst op een natuurprogramma. Ik leer van de tv veel meer dan van de leraren op school. Die zijn te druk bezig met straf geven aan degenen die kauwgom kauwen en hun huiswerk niet maken, en daar behoor ik natuurlijk niet toe. Ik ben degene die de kauwgom na schooltijd in zijn onderbroek gepropt krijgt. In feite is dat ook een soort straf maar ik weet niet precies waarvoor.

Het stelt me gerust om hier zo te zitten en over het heelal na te denken. Het biedt een beetje perspectief, vinden jullie niet? Wat kan het zo’n ster nou schelen dat ik een blauw oog heb of dat mijn schoolboeken in de sloot liggen. Dat ik stomme broeken draag of niet altijd uit mijn woorden kom. Helemaal niets. Mij konden deze dingen altijd wel wat schelen, maar sinds ik dat programma over het heelal heb gezien doet het me minder. Ik weet dat zelfhaat geen nut heeft, want ik ben hetzelfde als jullie. We bestaan allemaal uit dezelfde elementen. Zielloze stukken ster.

Ik herken Orion en de Grote Beer, die fel boven me schijnen. Wisten jullie dat licht er zo lang over doet om de aarde te bereiken, dat de sterren die we nu zien misschien al wel dood zijn? Net zoals Sam toen jullie hem uit mijn handen gristen en tegen de muur gooiden. Uiteengespat in kleine stukjes. Ik wil alleen maar zeggen: het geeft niet. Hamsters en sterren sterven nu eenmaal.

Groet,

Daniel

Door: Mirjam Brouwer


Standaard
Brieven

Stollen

Cathlin duwt, zonder een krimp te geven, haar duim in het hete kaarsvet. Met haar vingertop laat ze een afdruk achter op de gesloten omslag.

Nu jij.’ Ze reikt me de kaars aan.
Ik giet een hoopje kaarsvet op de opening van de enveloppe. Laat het even stollen, terwijl ik zoek naar een voorwerp om de afdruk te maken. Ik gebruik de knop van mijn blouse.
Cathlin schuift haar verzegelde brief naar me toe, over de tafel. Ik geef haar de mijne.
‘Tien jaar. Geen dag meer of minder.’
‘Geen dag’, beloof ik. Er is geen weg meer terug.
‘Dorst?’, beveelt ze. Ze is al weg om frisdrank te halen.

Ze giet de glazen boordevol. Zuigt met haar lippen de gemorste cola van het tafelblad. De eerste zon van het jaar brandt op mijn hoofd, op de houten tuinstoelen. Naast de tuinkaars staat een kom met zure beertjes. Alles smelt, glimt.
In het verharde kaarsvet zitten vliegen, overgebleven van vorige zomer. Een langpootmug voert een grand plie uit, haar linker- en rechterpoten uiteengedreven, drie per drie samen.
Vroeger deden Cathlin en ik ballet, we konden zelfs spreidstand. Onze tutu’s werden te klein, we verleerden de posities.

‘Ik wens dat we tien jaar verder zijn.’ Cathlin knipt met haar vingers.
Na enkele seconden opent ze haar ogen weer, werpt een blik op de tuin, op mij en mijn platte borsten. Alles is hetzelfde gebleven. Ik merk opluchting.
‘Waaraan denk je?’, vraagt ze.
‘Nergens aan.’
Cathlin wil voortdurend weten wat er in mijn hoofd gebeurt, of daar een spannende rol voor haarzelf is weggelegd.
Dat ik nu aan niets noemenswaardig denk is niet gelogen. Ik voel geen verlangen te weten wat zij in haar brief heeft geschreven, bij welke woorden ik op mijn dertigste mijn wenkbrauwen zal fronsen.
Het enige gevoel dat ik ervaar, met een wachttijd van tien jaar in het vooruitzicht, is leegte. Ik zou niet willen dat de tijd sneller voorbijgaat, dat alles waar ik nu naar uitkijk met een vingerknip eindigt. Maar dat elke seconde langer gaat duren, de verveling een nog grotere worsteling wordt en wachttijden oplopen. Dat wil ik ook niet. Dus zit ik vast, kan geen kant op.

‘Ik heb je in mijn brief verteld over de tampon.’ Cathlin glundert er nog om.
‘Welke tampon?’ Terwijl ik de vraag stel, weet ik weer waar ze het over heeft. Een worstje shit, in plastiekfolie gewikkeld, ingebracht als een tampon, om het zo langs de douane op de luchthaven te smokkelen. Zij nam het risico.
‘Geef toe, het is een herinnering die het waard is zo lang mee te gaan.’ Cathlin buigt voorover, maakt mijn trui, die in de stoel bleef haken, los. Ze trekt aan de stof zodat de mouw het gemaakte haakje weer opslorpt.
‘Bedankt’, zeg ik.
Even denk ik dat we elkaar toch begrijpen. Dat we beiden doen wat binnen ons vermogen ligt.

Cathlin kijkt uit over de tuin. ‘Hoe kan je nu nergens aan denken? Ik denk altijd ergens aan.’
‘Er zit wel een heleboel in mijn hoofd. Maar niets dat er uitspringt’, antwoord ik.
Cathlin zwijgt. Ze steekt een zuurtje in haar mond, trekt een pijnlijke grimas.
Voor het eerst vandaag voel ik medelijden.
Wanneer ze in 2020 het blad papier omdraait, het nog eens omdraait, de bladzijden afspeurt naar verbleekte inkt, zal ze inzien dat er nooit iets geschreven stond. Ze zal eenzelfde gezicht trekken. Zich afvragen waarom ik haar niet enkele woorden gunde die het wachten enigszins waard maakten.
Maar ik heb haar niets te vertellen. Gaandeweg zal ze ondervinden dat ik haar van me af schud, uit haar schaduw kruip, ook iemand word die risico’s neemt.

Ik drink mijn lauwe cola leeg. De suiker plakt aan mijn tong en tanden. Cathlin maakt aanstalten bij te vullen. Ik dek mijn glas af.
‘Neem dan een beertje.’ Cathlin schuift de kom snoepjes naar me toe, telt hoeveel ik er neem. Ze eet nooit meer dan anderen.
Ik steek er drie tegelijk in mijn mond. Gun haar deze overwinning. Het zuur doet mijn mondspieren samentrekken. Ik geloof dat het lijkt of ik glimlach.

Door: Lize Spit


Standaard
Brieven

Ik vermoed lange brieven

“Ik ben gewoon geen beller,” zeg ik en neem een slok van mijn lauwe bier. We zitten naast elkaar in de zon op het terras van café Lowietje en met het leven is voor even niks mis.

Ze knikt.
“Ik kan slecht tegen die stiltes. Dat gevoel van ‘nu moet ik iets zeggen’. En als ik dan eens iets zeg, is het altijd tegelijk met diegene aan de andere kant van de lijn. En dan zijn we vervolgens beide weer eventjes stil omdat we niet weten wie nu mag praten.”
Ze lacht.
“Echt, het is altijd vreselijk ongemakkelijk.”
Met een zwierige hoofdbeweging gooit ze haar lange, blonde haren naar achteren.
“Maar ook als je met mij belt?” vraagt ze. “Zelfs met mij, Daan?”
Een grote glimlach op haar gezicht. Ze daagt me uit en ik laat het graag gebeuren. Toch geef ik eerlijk antwoord: “Nee, bellen met jou is altijd gezellig. Wij kunnen namelijk heel goed samen zwijgen.”
Ze lacht en zakt tevreden terug in haar terrasstoel. “Wist het wel, hoor. ”
“Maar je wilde het gewoon nog eens van mij horen,” vul ik aan.
We kennen elkaar inmiddels langer dan vandaag.
Ik had haar inderdaad al eens eerder verteld dat ik met iemand kunnen zwijgen waardevoller vind dan samen praten om het moeten praten. Het ergste zijn die momenten tijdens een lange autorit, en dan vooral als je de passagier bent. De bestuurder heeft altijd zijn dingen te doen: sturen, gas geven, remmen, in spiegels kijken, schakelen en voldoende afstand houden ten opzichte van het verkeer voor ‘m. Niemand die het ‘m kwalijk neemt als hij even niks zegt. Nee, de sfeer in de auto hangt volledig af van de bijrijder. En dat is veel druk.
Ze slaat haar ogen open en komt wat naar voren uit het terrasstoeltje. “Als we in de jaren vijftig zouden leven, zou je mij dan brieven sturen, Daan?”
Ik lach hard en voel een stroom van geluk door me heen gaan. Dit soort totaal onverwachte opmerkingen zijn precies waarom ik zo van haar houd.
“Waarschijnlijk wel,” antwoord ik en zet mijn bierglas neer op de tafel. “Ik vermoed lange brieven met daarin mijn langdradig omschreven verlangens en mijn angst omtrent de naderende Koude Oorlog. Misschien een foto erbij van wat ik die dag heb gegeten. Zonder filter, want alles in die tijd is al met filter natuurlijk.”
“Dat is logisch,” zegt ze. “En dan spring ik vol verrukking op als de postbode aan de deur komt. Gulzig trek ik de envelop open en voordat ik de brief lees, ruik ik even aan het papier.”
We lachen. Met het leven is vandaag echt helemaal niks mis.
“Bitterballen bestellen,” vraag ik?
Ze glimlacht en ik steek mijn hand op naar de ober.
Wij blijven hier nog wel even.

Standaard
Brieven

Speciaal voor jou

Officieel geloof ik niet in God. In wat voor God dan ook. Er zijn er zo veel. Soms zou ik het wel willen, dat ik geloofde.

Als ik zou geloven zou ik zeker zijn van het idee dat de hemel bestaat en dat jij het daar naar je zin hebt. Op de basisschool hadden ze het altijd over een paleis gemaakt van zonnebloemen, als ze over de hemel praatten. Ik zie geen paleis, geen regenbogen en geen eindeloze weides als ik aan de hemel denk. Als ik aan de hemel denk, denk ik aan jou.

Tot vier maanden geleden heb ik altijd het geluk en de luxe gehad niet te weten wat het is om iemand écht te missen. Tot vier maanden geleden wist ik niet hoe het was om in de ochtend al te weten dat iemand er die avond niet meer zou zijn. Ik wist nog niet hoe het was om de uren af te tellen. De hele dag heb ik om je heen gehangen en maakte ik foto’s van kleine details die ik niet wilde vergeten. Nog nooit ben ik zou geschrokken van het geluid van een naderende auto. Ze was een half uur en te vroeg, en een uur later was het over. 17:32.

De volgende dag voelde het alsof je uit logeren was. Al je spullen lagen nog steeds her en der verspreid door het huis, alsof je elk moment weer binnen zou waggelen. Laatst vond ik een tennisbal van je onder de bank. Ik heb hem laten liggen.

Je tuigje hangt er nog steeds. Net zoals je winterdekje. Soms begraaf ik mijn neus er in en probeer ik je te ruiken. Je geur is vervlogen. Het is pas vier maanden geleden maar ik ben vergeten hoe je rook en dat maakt me aan het huilen. Je brokjes staan nog steeds in de onderste la. Als ik met de bus schud tikken ze tegen het glas en is het net alsof jij er nog bent.

Lieve Roeschka, het is precies vier maanden geleden. Dit is de tweede keer dat ik over je schrijf en de kans dat jij de beroemdste teckel van Het Schrijversgenootschap wordt is aanzienlijk groot. Ik weet niet of er een hemel is. Maar ik hoop dat je er nog bent. Dat je bij me zit als ik geniet van de eerste voorjaarszon en dat je onder mijn stoel ligt tijdens het avondeten.

Standaard
Brieven

Vliegensvlug

De wind waait fors, uit het westen. De beuken en kastanjes, her en der verspreid, buigen zoals gepensioneerden buigen voor hun rollator.

Nog groene bladeren verliezen hun grip en schieten over de lange, geasfalteerde weg. Velen vergezellen de wind naar onbekende oorden, enkelen blijven haken op het stuur van Geert. Geert ploegt er doorheen. Het past, dat het weer z’n best doet om te lijken op die storm uit ’86, al komt het in de verste verte niet in de buurt.

Als hij z’n fiets niet had vastgebonden aan die lantaarnpaal had hij ‘m nooit meer teruggezien. Hij schuilde die nacht bij boer Hobbema. Toen hij ’s ochtends uit de wijnkelder klom, bleek de fiets er gelukkig nog te staan, maar de posttas werd pas twee dagen later teruggevonden in de buurt van Warffum, bijna 50 kilometer van Schiermonnikoog. Dat werd op het eiland een spreekwoord: ‘naar Warffum waaien’. Het wordt nog steeds gebruikt als iets of iemand plotseling verdwijnt.

Een jongen van vijftien was op de fiets helemaal naar Schier gereden om de tas terug te brengen. Geert had ‘m willen belonen met een appeltaart, maar toen bleek dat alle adressen door waterschade onleesbaar waren geworden. De knul kon er naar fluiten. Na een week drogen, bestuderen en controleren bleken vierentwintig enveloppen en ansichten bezorgbaar. Zeven waren onherkenbaar. Een mindere postbode had zijn taak hier opgegeven, tevreden met de vierentwintig bezorgbare brieven. Geert niet. Geert besloot de onleesbare brieven waar mogelijk te openen en op inhoud te bestuderen. Een doodzonde, dat vond hij zelf ook, maar nood brak wet.

Grote teleurstelling toen ook de binnenkant onleesbaar bleek. Geert was ontroostbaar. Dagenlang kwam hij niet meer uit bed. Hij had het briefgeheim geschonden, maar had er nog niks aan, want bezorging was nog steeds onmogelijk. Geert verloor z’n baan. Niet vanwege het niet bezorgen van een paar briefjes, want dat overkwam de beste, maar omdat hij drie weken lang niet op z’n werk kwam. Geert zat thuis, omgeven door boeken, uit te vogelen hoe uit verlopen inkt nog woorden kon toveren. Twee maanden na het ontslag stapte ook z’n vriendin de deur uit. Voor de boodschappen, want de blikken bruine bonen waren op.

Ze had ‘m vanochtend uitgezwaaid, toen hij op z’n fiets stapte. De fiets die hij jarenlang in de schuur had laten staan, om ‘m er alleen uit te halen als hij weer een adres ontcijferd had. De methode die Geert had ontwikkeld was effectief, maar tijdrovend. Hij had er zevenentwintig jaar over gedaan om de adressen te ontdekken. Het was zijn levenswerk geworden. En nu zit hij voor de laatste keer op de fiets, voorovergebogen te stampen, om de allerlaatste brief te bezorgen. Aan het einde van de lange Dijkweg staat het huis waar hij moet zijn. Geert stapt af. Tranen wellen op, maar hij houdt zich sterk terwijl hij de posttas openmaakt en de Laatste Brief eruit haalt. Eenmaal bij de deur aangekomen, haalt Geert nog een keer goed adem. Dijkweg 16, dat-ie dat niet eerder heeft gezien. Het geeft niet. Bezorgd is bezorgd. Geert belt aan. Dan rukt een hevige windvlaag het levenswerk uit zijn handen. De brief sprint de honderd meter in wereldrecordtijd bij hem vandaan. Op het moment dat Geert de brief niet meer ziet gaat de deur open.

Standaard
Brieven

Inkt

Lieve Shari,
Lieve kleine, grote meid. Wonderkind, schoonheid, zachtaardig meisje vol levenslust.

Shari, dat ben ik. De woorden zijn geschreven door mijn moeder, op dik, ooit wit papier, zonder lijntjes maar ondanks dat in kaarsrechte regels. Smetteloos handschrift. Toen zij de woorden schreef wist ze al lang wat ik zou meemaken. De dichtgeplakte enveloppe verzegelde ze met een kus. Ik heb gezocht, maar de kleur van haar lippenstift is niet meer te koop.

Ik wil me veronschuldigen voor wat je te wachten staat. Maar onthoud dat tranen een teken zijn van voelen, en zonder voelen is er geen enkele manier om te zeggen of je echt leeft of niet. Je zult boos zijn, me verafschuwen, maar hopelijk zul je ooit ook dankbaar zijn. Je bent mijn alles, lieve Shari. Ik wil niets anders voor je dan het beste. Het perfect leven, dat verdien je, en niets minder. Ik heb zo lang mijn best gedaan om je dat te geven, maar steeds faalde ik, zonder te weten waarom. Tot ik tot het besef kwam dat er één ding in de weg stond: ik zelf.

De eerste keer dat ik de brief las, stopte ik hier. Ik begon wild door het huis te rennen, gooide deuren open, controleerde of de messenset nog compleet was, of er pillen misten uit het medicijnkastje, struikelde de badkamer en daarna de slaapkamer in, in angst het meest afschuwelijke tafereel aan te treffen. Niets.

Voor ik ga wil ik je nog wat meegeven en ik hoop dat je naar me luistert. Levenslessen van je ouwe moer. Geef mannen die je hart breken nooit een tweede kans. Zie er altijd op je best uit, ook al denk je dat je niemand tegen zult komen. Zet elke maand geld opzij, want anders is het zomaar ineens op. Houd je vuile was binnen, want die kan altijd tegen je gebruikt worden. Zorg goed voor je lichaam en geest. Draag na je 25e altijd lippenstift.

Ze wil dat ik naar haar luister, maar ze heeft nooit naar mij geluisterd. Ze heeft me nooit ook maar de kans gegeven om te zeggen wat ik ervan vind. En nu is het enige wat ik nog van haar heb een smoezelig geworden brief in een verkreukelde envelop. Haar kus is bijna vervaagd. Daarom heb ik de letters die ze me naliet, de uitleg die ze me gaf voor haar vertrek, vereeuwigd in zwarte inkt op mijn rug. Hoe ver weg ze ook is gegaan, haar woorden draag ik altijd bij me. Onder mijn huid.

Standaard