Naakt

Slapen

Voorzichtig open ik de deur van de slaapkamer. Ik kijk door de kier. Ze ligt vast nog te slapen. Ik kan het niet goed zien, doe de deur verder open en zet een stap naar binnen.

“Vendredi?”, zeg ik
Ik probeer aan de dekens te zien of ze ademt. Ik zeg nog een keer haar naam, luider. Ze reageert niet. Ik loop naar het bed, buig voorover.
“Vendredi?”
Ik leg mijn hand op haar schouder en schud. Ze komt in beweging. Ze bromt iets. Ik zie een deel van haar benen.
“Ik maak alvast eten klaar,” zeg ik.
Ze draait zich van me weg, pakt de dekens stevig vast. Vanuit de kamer klinkt de muziek die ik op heb gezet, Our Endless Numbered Days van Iron & Wine.

She says “wake up, it’s no use pretending”
I’ll keep stealing, breathing her
Birds are leaving over autumn’s ending
One of us will die inside these arms
Eyes wide open, naked as we came
One will spread our ashes ‘round the yard

Ik loop de slaapkamer uit, naar de keuken. Uit een kast haal ik borden, uit een lade bestek, ik leg alles op tafel. Ik pak brood en beleg, zet een raam op een kier om frisse lucht binnen te laten.

We zitten nog buiten terwijl de zon bijna onder is. In het oosten begin het alvast te schemeren. Op het lage houten tafeltje staan twee lege wijnglazen. Ik leg mijn hoofd op de rand van de stoel en doe mijn ogen dicht.
“Morgen ga ik even naar de stad,” zegt Vendredi.
“Hm?”
“Om boodschappen.”
“Hm.”
Ons huis is klein en ligt afgelegen. We zijn ook maar met z’n tweeën.

Ik word wakker, kreun, draai me om maar besluit dat ik net toch beter lag. Langzaam doe ik mijn ogen open. Ik lig alleen in bed, haal diep adem. Wanneer mijn lichaam zin begint te krijgen, stap ik uit bed. Ik loop naar de woonkamer. Hetzelfde album als gisteren speelt.

She says “If I leave before you, darling
Don’t you waste me in the ground”
I lay smiling like our sleeping children
One of us will die inside these arms
Eyes wide open, naked as we came
One will spread our ashes round the yard

Er is niemand. Ik krab in mijn nek, kijk uit het raam, haal mijn hand door mijn haar en besluit een wandeling te gaan maken.

Een hertenlichaam ligt tegen een boom aan. Ik loop ernaartoe en hurk erbij neer. De ogenleden zijn nog open, maar het dier ziet niets meer. Ik kijk om me heen, dan weer naar het beest. Vraag me af wat er is gebeurd. Waar het aan lag. Of het anders dan zomaar kwam.
Het wordt donkerder, ik heb niet op het weer gelet; wolken komen bij elkaar. Het begint ineens hard te regenen, voor ik het weet ren ik door de modder terug naar huis.

Het is laat. Ik haal mijn arm onder Vendredi’s nek vandaan. Haar borstkas gaat op en neer, denk ik, ik voel de tekens voorzichtig bewegen. Ik probeer geluidloos uit bed te stappen.
Mijn keel is droog.

Op tast vind ik de deur van de slaapkamer. Ik doe hem achter me weer dicht, knip licht aan, loop naar de keuken.

‘Laat’, dat is wanneer een kraan lawaai maakt. Wanneer je bang bent dat zodra het water de wasbak raakt, iemand niet meer slaapt.

Door: Roelof ten Napel


Standaard
Naakt

Half wakker

Ze liggen naast elkaar en zwijgen. Niet naakt en dat is juist het probleem. Er was veel gebeurd en er was nog veel meer niet gebeurd.

Hij sprak geregeld over zijn benauwdheden in het leven, zij over de hare en ze begrepen elkaar. Zij deed hem opbloeien, hij probeerde haar te laten schitteren op het podium dat ze verdiende. Het lukte aardig, dacht hij.
Maar nu, op de eerste ochtend van het nieuwe jaar, zijn ze stil. Zijn arm om haar lichaam, hun ademhaling zo goed als synchroon. Moe zijn ze beide. Moe van de lange avond die naadloos overging in de nacht. Moe van het praten. Moe van het willen begrijpen. Moe van dit alles. Dit moment is alles wat ze samen hebben en het is nu alles wat er is.
Boven haar bebloemde dekbed zweven de vele vragen waar ze beide geen antwoord op hebben. Wie heeft wie nodig? Heeft hij haar meer nodig dan zij hem? Hebben ze elkaar nog wel nodig? Wat is dit eigenlijk wat ze hebben?
In het begin was het simpel. Zij lachte om zijn rare klemtoonleggingen, hij genoot van haar open blik in de wereld.  Het werkte, het klikte, het was goed. Grootse plannen werden gemaakt, mooie dromen gedroomd. Er was liefde.
‘Wat als?’, had ze weifelend gevraagd toen ze net lagen.
Buiten werden de laatste vuurpijlen naar de hemel geschoten.
‘Ja, wat als?’ had hij even weifelend geantwoord.
Hij ruikt haar lange, bruine haren en sluit zijn ogen. Ze had ‘m al eens eerder verteld wat ze in hem mist. Het was niets wat hij niet kon worden binnen nu en dan, dacht hij. Een nieuw jaar met nieuwe kansen.
Zo wil hij voor altijd blijven liggen. Zijn arm om haar lichaam en verder even niks.  Alleen dit moment, samen uitrusten tussen het bewogen verleden en het onzekere heden. Nu loslaten is voor altijd loslaten, vreest hij.
Zou ze al slapen? Hij durft zijn arm niet weg te halen.
Nu nog niet.

Standaard
Naakt

Een lijf

Met haar voeten heeft ze het niet getroffen. Ze zitten tussen maat 36 en 37 in en de linker is ook nog eens enkele millimeters kleiner dan de rechter. Een paar perfect passende schoenen heeft ze nog nooit gehad.

Voeten zou ze omschrijven als haar minst favoriete lichaamsdeel. Niet alleen bij haarzelf, maar bij iedereen. Om het aanzicht van haar eigen stappers net iets charmanter te maken heeft ze altijd lak op haar nagels. Rood, roze of appeltjesgroen, afhankelijk van het seizoen.
Haar enkels zijn slank. Ze heeft altijd van ze gehouden. In de zomer hangt ze er graag een bandje omheen, een ‘verleidingsbandje’ noemt ze dat.
Haar kuiten zijn weer een heel ander verhaal. Ze zijn niet dik, maar ook niet slank genoeg om zomaar in alle laarzen te passen. Zuurkoolstampertjes, worden haar kuiten ook wel genoemd.
Van haar knieën moet ze altijd een beetje glimlachen. Ze passen niet bij haar, maar ze vertellen vele verhalen. Verhalen van vroeger. Haar knieën zitten onder de littekens. Ze hebben zware tijden gekend. Ze is nooit goed geweest in fietsen, haar eerste meters zonder zijwieltjes werden abrupt afgebroken door een garagedeur. Dat hebben haar knieën geweten. Glijdend over kunstgras en pas na enkele meters tot stilstand komen laat ook nare wonden achter.
Over haar bovenbenen is ze niet te spreken. In vergelijking met de rest van haar lichaam zijn ze te ‘volumineus’ en de moedervlek op haar linker bovenbeen zorgt keer op keer voor verwarring. Die is namelijk zo donker dat ze er al meerdere keren van verdacht is hem er zelf met een zwarte permanent marker op getekend te hebben.
Haar mening over haar vagina, kut, vulva, genotsgrot, spleet, poes, doos, punani, is vrij neutraal. Nu is het nog allemaal leuk, regenbogen en vlinders, maar als ze eraan denkt dat er, met een beetje geluk, over een paar jaar een monster van een baby uit dit gat geperst moet worden krijgt ze het toch wel een beetje benauwd.
Haar billen zijn zachter dan naar haar mening gewenst is, maar daar kan aan gewerkt worden. Nog een paar maanden tot het bikiniseizoen.
Heel anders dan haar zachte billen, zijn haar heupen. De botten steken altijd uit en draagt ze een riem net een gaatje te strak, dan verschijnen er de volgende dag blauwe plekken op haar heupen.
Hard als een baksteen is haar buik niet, maar wel plat als een dubbeltje. Ze zou haar buik omschrijven als een perfecte compensatie voor haar kuiten en bovenbenen.
Haar borsten zijn een keer omschreven als ‘precies een handje vol’. Zelf zou ze ze omschrijven als ‘precies klein genoeg om af en toe geen bh te dragen’. Het gevoel van vrijheid dat een borst zonder bh veroorzaakt kan ze iedereen aanraden.
Spieren zijn de grote afwezigen in haar armen, maar mooi slank zijn ze wel. Net zoals haar handen en vingers. Perfecte pianovingers.
Ze kijkt in de spiegel en ziet een blij ei. Een kleine wipneus, goede tanden en ogen die, als de zon erin schijnt, groen zijn.

Standaard
Naakt

Uitgelaten

Hij was nog nooit naakt geweest in een stal. Al wel in weilanden, in auto’s, bussen en andere vervoersmiddelen, op straat, in kroegen en in bad, maar zo’n stal was echt helemaal nieuw.

Hij rende van de ene naar de andere kant. Geloei overstemde het kletsen van zijn geslacht tegen het vel dat binnen bereik lag. De onderbuik vooral, en de dijen. Hij genoot van dat gevoel en hij genoot van de verbaasde blikken van de koeien. Dat koeien altijd verbaasd kijken, dat deerde hem niet.

Toen hij voor de zeventiende keer terugkwam bij de grote staldeur bleef hij hijgend staan. Daar, in een hoek en voorheen door pure extase aan zijn oog onttrokken, stond een hooivork. Het leek een vrij gebruikt exemplaar te zijn. Hij kon zich zo voorstellen dat de boer, dezelfde die waarschijnlijk de staldeur op een kiertje had laten staan, hiermee dagelijks het hooi naar de koeien toebracht. Hij kon de neiging niet onderdrukken om even aan de vork te ruiken, maar aanraken durfde hij niet. Het instrument rook naar hooi, zoals verwacht. Maar ook een beetje naar het zweet van een man met knoestige handen en modder onder de nagels.

Hij draaide zich weer om naar de stal. De balen hooi op het beton, tussen de rijen koeien in, die hij tijdens het heen en weer rennen had genegeerd, leken heerlijk zacht en knuffelig. Erg lang hoefde hij niet na te denken. In drie, misschien vier grote stapsprongen belandde hij in het hooi. De landing was harder dan hij hoopte en ook de textuur van gedroogd gras bleek niet zo vriendelijk voor de huid als de romantiek het toeschreef. Dat was allemaal niet zo erg geweest als dat ene, uitstekende sprietje er niet was geweest. Dat ene, uitstekende sprietje dat in zijn vrij hangende jongeheer stak. Dat ene, uitstekende sprietje verpestte zijn dag. Door de kracht waarmee hij op de hooibalen sprong, voelde dat onschuldige takje aan als een stalen pin. Hij slaakte een gil, hoog boven alle geaccepteerde toonhoogtes voor mannen uit. Kermend, half rollend en half kruipend, kwam hij van het hooi. De koeien waren stilgevallen. De ene kant van de stal keek verbaasd naar het kermende hoopje bij het stro, de andere helft vroeg zich net zo verbaasd af waar dat hoge geluid vandaan kwam, omdat de balen hem aan hun zicht onttrokken.

De lol was er nu wel vanaf. De pijn verbijtend keek hij naar z’n zaakje. Het bloedde niet, maar was wel rood en blauw en paars en allerlei andere kleuren daar tussenin. De aanblik maakte hem misselijk. Hij stond op en begon vertwijfeld en wankel door de stal te lopen. De koeien volgden hem met hun grote ogen, maar ze durfden nog steeds geen geluid te maken. Door die stilte viel het openschuiven van de staldeur des te meer op. De binnenstappende boer werd door alle aanwezigen gezien.

“Bello, hierrr!”

Standaard