Reis

De druppel

Het ruikt naar zweet en kaas. Mark verontschuldigt zich lachend.
Heb dit busje anderhalve week met drie Belgen en twee honden gedeeld. Blijft nog wel een tijdje hangen, ben ik bang.”

“Waar is de rest dan?”
“Die zijn hun eigen weg gegaan. Waar moet je heen?”
Ik hou het kartonnen bordje omhoog dat Laurens en ik gisteravond gemaakt hebben, bij het licht van onze zaklampen. Halverwege het inkleuren van de W was de laatste pen leeg en nu is er van veraf alleen ‘Galw’ te lezen. We lieten het zo.
“Galway. Ga je die kant op?”
“Ik moet naar Athlone, kan je daar de volgende lift pakken. Stap in.”
Naast de grote hoop vuile was en tassen achterin is meer dan genoeg ruimte voor mijn backpack en de klamme tent. Vanochtend werden Laurens en ik wakker in de mist. De dauw kreeg niet de tijd om op te drogen, maar werd al voordat we klaar waren met het poetsen van onze tanden vergezeld door een miezerige regen.
Laurens zweeg bij het inpakken van de tent. De druppels gleden van het zeil en ik dacht aan de avond dat we de vlucht boekten, lamsshoarma aten en tot diep in de nacht in reisgidsen bladerden.
Mark rommelt zonder te kijken aan de radio. “Waar kom je vandaan?”
“Waterford, daarvoor Dublin en Belfast. Ik kwam aan in Belfast.”
“Ah, Belfast. Daar eindig ik. Hou je hiervan?”
Ik herken Oasis. “Prima hoor.”
De radio gaat harder.
De mist was vanochtend zo dik dat ik niet verder kon kijken dan de velden aan de overkant van de weg. Er stonden koeien, bijeengepakt onder een boom. De beesten, Laurens en ik zaten in hetzelfde, verkleumde schuitje: zij wachtten tot de boer hen weer de stal in liet, wij wachtten op de verlossende automobilist. Het enige verschil was dat wij ons verplaatsen, maar zelfs dat merkte ik aan het nauwelijks veranderende landschap niet.
Bij elke passerende auto ging Laurens’s duim omhoog, maar steeds vaker liet hij zijn hand al halverwege de beweging zakken.
“Ze willen niet.”
“Er is altijd wel iemand. Geduld.”
“Het is kloteweer.”
“Dit is Ierland, Lau.”
“Klote-Ierland.”
Een Audi reed voorbij, gevolgd door een rij bulderende tractors. De laatste bestuurder in de rij zwaaide naar ons, maar zonder te stoppen. Op zo’n trekker is geen plek voor twee zwaar bepakte lifters. Laurens liet zijn schouders hangen.
“Ik trek dit niet meer.”
“Wil je even zitten, dat ik alleen op de auto’s let?”
“Nee, dit.” Hij maakte een allesomvattend gebaar. Deze reis, dit weer, dit land, dit gezelschap. “Ik heb er al dagen geen trek meer in.”
Een automobilist toeterde naar ons.
“Wat wil je dan?”
Hij trok de regenhoes steviger om zijn backpack. Ondanks de capuchon aan zijn poncho hingen de druppels aan zijn wenkbrauwen, in zijn wimpers, aan zijn neus.
“Ik wil naar huis.”
Mark vraagt naar voorgaande reisgenoten en ik vertel, na aarzelen, over Laurens. Dat we met zijn tweeën Ierland zouden veroveren, strijdmakkers, kameraden. Op avontuur in het land van Guinness.
“Waar is die strijdmakker van je dan?” vraagt Mark.
Ik haal mijn schouders op.
“Die is zijn eigen weg gegaan.”

Standaard
Reis

Over tijd

We staan weer eens vast. Een klap alsof in het halletje een paar fietsen omvielen en toen die stem: “Dames en heren, in verband met een aanrijding met een persoon rijden we nu niet verder.”

Haar boek heeft ze al uit, met een harde klap, vlak na station Assen. Ze had me lachend aangekeken toen ik opschrikte uit mijn gepeins. Het was een mooie tijd, we reden nog.
Achter ons, in een vierzitje, belt een jong klinkend persoon met iemand die moet weten dat hij later komt. Hoeveel later weet hij ook niet. Ergens tussen Meppel en Zwolle, gast. Hij moet ophangen, zuinig met de batterij zijn.

Buiten zijn politiemannen druk bezig met rode linten. Die ene kleine zonder handschoenen heeft het duidelijk koud, maar hij houdt zich sterk. Misschien een stagiaire, of hebben ze die niet bij de politie? Iets verderop loopt een dikke, met zijn handen om een bekertje koffie. Zelf kan ik vanaf hier geen lijk of losse ledematen ontdekken langs het spoor. Ik wil het eigenlijk ook niet zien, maar zoek er toch naar. Je moet er toch zelf iets van maken.

Ze zucht en wiebelt onrustig op haar stoel. Ik draai mijn hoofd naar haar toe. Een Viva komt uit haar tas. ‘Dik door je ouders’ staat op de cover. Ik zou er een grapje over kunnen maken, iets met de naam Dick, maar heb moeite met het verzinnen van echt iets leuks. Aan flauwe grappen heeft niemand wat in dit soort situaties. Ze bladert even en vouwt ‘m dan dubbel bij een artikel met de titel ‘Zwanger, dat heb ik weer’. Een frons op haar gezicht, ze zou toch niet…? Vragen durf ik niet. Een grapje anders? Iets met dik zijn. Of met de naam Dick. Ik kom er niet uit en kijk maar weer naar buiten.

Dit deel van het traject heb ik vaak gereden. Van mijn kamer in Haarlem naar mijn ouders in Drenthe. Sinds ik een eigen wasmachine heb, behoren die tweewekelijkse ritjes tot het verleden. Gelukkig. Alleen met feestdagen als dit kom ik weer terug in mijn geboortedorp. Dat laatste keer was al weer een maandje of zeven geleden. Graag had ik haar de plekken laten zien waar ik vroeger elke dag voetbalde, waar ik leerde lezen en waar ik mijn eerste CD kocht. Geen tijd, helaas.

Mijn broekzak trilt. Ik schuif wat onhandig op mijn stoel, lach wat ongemakkelijk naar haar en weet uiteindelijk mijn telefoon vast te pakken.
Ik lees het berichtje en typ een antwoord: “He, alles goed, hoor. Was wel leuk, blij dat ik weer naar huis kan. Heb alleen een beetje vertraging, blijf maar niet op. Hoor morgen graag hoe het daar ging. Kus.”

Standaard
Reis

Watjes

De hengst van m’n vriendin staart me aan. De oren naar de zijkant en z’n neusgaten blazen wolken zuurstofdamp tegen m’n keel.

Iedere keer als ik in de stal kom is er een soort spanning tussen hem en mij. Hij voelt haarfijn aan dat ik een rivaal ben voor het vrouwtje. Oscar, heet-ie. En ik vind Oscar een watje. Hij krijgt heel speciaal, handgemengd voer en heeft voor iedere weersomstandigheid een apart dekentje. Ik denk dat hij mij ook een watje vindt. Ik gedraag me als een zestienjarig bontkraagje die met z’n vrienden de wereld aandurft, maar alleen instort tot een bibberend hertje. Hij voelt heel goed dat m’n kalme assertiviteit gespeeld is.

We gaan met ‘m wandelen. Dat doen we vaker. Vriendin aan de ene hand, touw met paard eraan aan de andere. En dan over de stoep. De uitgelaten honden die we tegenkomen lopen met groot respect om ons heen. De eigenaren volgen hun honden gedwee.

Nu ligt er een vers pak sneeuw. Oscar is nerveus. Ik moet ‘m regelmatig corrigeren, door met het touw korte rukjes naar links, rechts of voren te geven. Dan loopt hij weer een meter of 10 rustig mee, waarop het riedeltje weer begint.

“Ik ga wel even op ‘m zitten, misschien dat-ie daar rustiger van wordt.”

Ze heeft wat hulp nodig, maar weet uiteindelijk toch redelijk sierlijk op Oscars rug te klimmen. Ik vervolg mijn weg en warempel, het verwende knolletje luistert stukken beter. Sowieso concentreert hij zich altijd op het meisje, dus nu ze bovenop ‘m zit is hij veel makkelijker te leiden. De geluiden van de nabijgelegen ijsbaan en het kraken van de sneeuw is nu minder eng. We lopen heerlijk. Het vriendinnetje geniet, en ik dus ook.

“Wil je ook even zitten?”

Ik heb nog maar één keer eerder op Oscar gezeten. Het was verrassend leuk. Ik zou het vergelijken met een levende boomstamfiets. Als dat helpt. Met de teugels in eigen handen leidde ik het paardje door de bak. Enige probleem: het zag er niet uit, zo zag ik later op de foto’s die uiteraard werden gemaakt. Een lange, dunne slungel die onwennig op een massa spieren voortbewoog. Schaapachtig glimlachend. Vooral de draf, waarbij je als berijder je bekken in het ritme van het paard mee naar voren moet bewegen, was niet erg flatterend. Ik heb de foto’s ervan vernietigd.

Ze legt haar handen onder m’n scheenbeen en helpt me omhoog. Ik beland keurig bovenop Oscar en richt me op, maar voel dan ook beweging onder mij.

“Nee Oscar!”

Oscar hoort het niet. Hij draait zijn hoofd weg van m’n vriendin en rukt daarmee het touw uit haar handen. Hij voelt de vrijheid en versnelt z’n tempo. Een galop begint. Ik probeer me wanhopig vast te grijpen, maar door het gebrek aan teugels en stijgbeugels voel ik mezelf opzij schuiven. In een fractie van een seconde analyseer ik de situatie. Oscar rent de stoep af en het gras in. Als ik te lang blijf zitten, val ik zometeen in de sloot die ernaast ligt. Als ik nu val raak ik besneeuwd gras. Dat zou niet al te hard moeten zijn. Oké dan. Ik geef me over aan de zwaartekracht en zak opzij. Western-acteurs uit de jaren ’70 hadden niet beter uit het zadel kunnen vallen, dodelijk getroffen door een kogel van een held. Terwijl ik zweef denk ik: shit.

Standaard
Reis

Bloed tussen de benen

“Aan het menstrueren?”
De man achter me kijkt me belangstellend aan. Op de band liggen twee pakken chocoladesoesjes. Zijn buit: vier winterpenen.
“Nou?” Hij speelt wat met zijn rits.

De laatste man die ik ooit het woord ‘menstrueren’ hardop hoorde uitspreken was mijn vader. Toen ik pas net ‘menstueerde’ benadrukte hij altijd dat ik me dan wel extra goed moest douchen en hoe belangrijk hygiëne was.

De eerste keer dat het gebeurde was de avond na mijn eerste dag op de middelbare school. Aan het wc-papiertje hing een dikke sliert donkerrood slijm. Ik wist niet zeker of ik dood ging of dat het nu echt was gebeurd, maar ik schreeuwde voor de zekerheid om mijn moeder. Ik hield de slijmsliert in de lucht en vroeg of dit wel normaal was. Die avond plakte mijn moeder voor de eerste keer een maandverband zo groot als een luier voor een pasgeborene in mijn onderbroek. Ik was twaalf maar voelde me door dat pak papier in mijn broek al heel oud.

Vanaf die dag kon ik op school meepraten met mijn vriendinnen die het hadden over ‘dingetje zijn’. Sommigen hadden daar al vanaf groep zeven hele interessante verhalen over. Zo zeiden ze bijvoorbeeld dat pas als je ‘dingetje was’ je een échte vrouw was. In die zin was het een grote opluchting.

Ook kwam ik er al snel achter dat het bloed tussen mijn benen een mooie reden was om eens per maand een week niet mee te doen met gym en zelfs af en toe een dagje ziek thuis te blijven. Van pijnen zo hevig dat lopen niet meer ging en eten niet binnen gehouden kon worden was nog geen sprake, daar zou ik later nog wel achter komen.

Een jaar voor die eerste slijmsliert had mijn moeder vastgesteld dat mijn borsten in aantocht waren. Een heugelijk feit, dacht ik destijds. Mijn eerste bh was roze en vooral minuscuul. Mijn borsten, die in eerste instantie slechts bestonden uit licht opgezette tepels, leken in mijn eerste bh al heel wat. Ik was me er toen nog niet van bewust dat die twee piepkleine tepels uit zouden groeien tot flinke ‘toeters’ en later niks anders zouden doen dan een beetje in de weg hangen. Wel hadden ze, samen met de honderden maandverbanden en duizenden tampons die ik in de tussentijd had versleten, ervoor gezorgd dat ik nu een ‘mevrouw’ werd genoemd en het meisje was verdwenen.

De kassière vraagt of ik de bon nog mee wil en ik hoor de man achter me iets tegen haar mompelen over ‘die tijd van de maand’.

Standaard