Koffie

Het groene steentje

De geuren van natte jas en zweet streden om voorrang in de trein. Door haar mond ademend werkte Veerle zich door het gangpad naar de enige lege plaats: aan het raam, halverwege het wagon.

Ze stapte over koffers en uitgestrekte benen en één keer moest ze de happende kaken van een klein hondje ontwijken. Misschien was het daarom dat ze het pas merkte toen ze was gaan zitten: het raam zat aan de verkeerde kant. Haar eerste reactie was vluchten, maar waarheen zou ze kunnen gaan? Alles zat vol en ze moest nog lang.

En dus trok ze haar jas uit en vouwde hem over haar knieën. Ze keek op. De ogen van het meisje tegenover haar verdwenen net iets te laat achter haar boek. Veerle omklemde haar handtas tot haar vingertoppen gevoelloos werden. Vanuit de weerspiegeling van het raam staarde een droevig monster haar aan. Ze probeerde niet te kijken, maar haar blik bleef getrokken worden door het oog, dat treurig omlaag gezakt op een klomp wildvlees lag.

Het was de tijd van het jaar. Zodra mensen de lampjes uit de naaldbomen begonnen te halen, liet zij de boodschappen thuisbezorgen. Ze dekte de spiegels af en liep niet meer langs plaatsen waar veel kinderen speelden. Ondanks die voorzorgsmaatregelen leek er in haar hoofd geen ruimte voor iets anders dan die ene herinnering.

Onder de snel uitvallende kerstboom had de geur van de koffie zich vermengd met die van hars, terwijl zij probeerde een barbie op een paard te zetten en het geheel naar de manege te laten rijden. Het lukte niet erg, omdat het paard geen officieel barbiepaard was en daardoor te smal om de pop te dragen. Ze had net gespeeld met de gedachte het paard in te ruilen voor een cabrio, toen ze haar oma haar naam hoorde zeggen. ‘Veerle lijkt niet erg op jou, hè?’

Met een rukje keek ze op. Haar moeder pakte de koffiekan voor een tweede kopje en mompelde iets.

‘En ook niet op Herman,’ zei oma, terwijl ze haar kopje uitdronk. De hand waarmee haar moeder de koffiekan vasthield, werd wit, het groene steentje in haar ring stak er scherp bij af. De vrouwen staarden naar Veerle. Gebruikmakend van die plotselinge aandacht stond ze op om het probleem van de barbie en het paard voor te leggen. Ze schoof stukken speelgoed op tafel, waarbij ze er zorgvuldig voor zorgde het koffiekopje dat haar moeder vulde te ontwijken

Een halve seconde had het hete vocht de linkerhelft van haar gezicht weggevreten.

Veerle knipperde met haar goede oog. Ze keek naar het boek van het meisje tegenover haar en haalde net zo lang diep adem tot ze de letters op de kaft weer kon ontcijferen. Het hielp niet. Ze bleef zien hoe de hand met het steentje naast het kopje begon te schenken.

Door: Myrthe Timmers


Standaard
Koffie

Ikea-kleuren

De kopjes zijn wit van buiten en groen van binnen. De onderzetters zijn ook groen, net als de kussens en de planten.

Groen is niet de favoriete kleur van Denny, kan ik als verteller melden. Het doet mij denken aan de Ikea en die gedachte projecteer ik op mijn hoofdpersoon.
“Wat een klotekussens” roept hij.
Het karakter dat ik Denny heb genoemd is een man van duidelijke woorden. Hij draagt een versleten spijkerbroek en een kersttrui van vorig jaar. Al had ik die trui toen nog niet bedacht, dus wat dat betreft is-ie van dit seizoen. Op papier woont hij in een klein appartementje aan de Rozengracht, in Amsterdam, maar hij is eigenlijk vaker te vinden in café Toussaint, aan de Bosboom Touissaintstraat. En daar zit hij nu, op het nieuwe bankstel in het zithoekje.
Ik heb zojuist bedacht dat de eigenaar van dit café Rob heet. Rob is een goede naam voor een caféhouder.
“Je bent zelf een klotekussen” roept Rob terug.
“Luister, Rob, die koffie van je is prima te tanken, hoor, maar die kopjes maken me misselijk. Ik zie er groen van!”
Daarmee greep Denny terug naar de kleur van de kopjes en zijn misselijkheid. Daarom is het een grapje. Ik heb ‘m bedacht, dus ik meld het even.
“Hahaha,” lacht Rob.
“Serieus! Nog erger dan op het strand met windkracht acht met de wind mee plassen.”
“Ach, lul niet zo slap!”
“Nee, serieus! Dat moet je nooit doen. Niet met de wind mee, niet tegen de wind in. Wat zeg ik, misschien moet je vanaf windkracht vijf wel helemaal niet meer plassen. Voor de zekerheid.”
Hier kort ik de discussie even in, omdat ik die macht heb, als schrijver. Wat je moet weten: uit voorgaande opmerking van Denny ontspon zich een levendige discussie, die vooral ging over de kwestie vanaf welke windkracht het niet meer slim is om te gaan plassen, als je op het strand bent. Uiteindelijk werd de situatie met windkracht zes afgesloten, waarna Rob toch besloot door te vragen naar het voorval van de urine van Denny op het strand, dat ik even eerder heb opgeschreven. Achteraf bezien had ik de discussie misschien maar beter kunnen uitschreven, want dat had ongetwijfeld minder woorden gekost dan wat ik nu doe, zeker als ik deze verontschuldiging mee pak. Het leven van een schrijver gaat niet over rozen. Hoe dan ook, Denny reageert als volgt op de vraag van Rob:
“Ik was gewoon lekker aan het uitwaaien, ja? Lekker, joh en alles. Zand stuift en zo. Nou en ik moest zeiken hè en als je moet dan moet je, dacht ik dus, dus ik ging, op het strand gewoon want er was toch niemand dus dat kon best. En ik wou al heel lang weten hoe ver je dan kon plassen, als je met de wind mee richtte. Dus ik staan en laten gaan hè, gewoon. Nou joh, het ging alle kanten op behalve dan naar voren! ’t Sproeide gewoon! Overal heen! Op m’n broek, m’n jas, het kwam gewoon achter m’n zonnebril terecht! Als een tornado man!”
Het lijkt mij mooi als Rob hier dan in een bulderend lachen uitbreekt, dus bij deze.

Standaard
Koffie

Lees mij

Vier dagen geleden vond ze een envelop op haar mat. Dat was geen gebeurtenis waar ze normaal raar van op zou kijken, maar deze keer was het anders. Op de envelop stonden slechts twee woorden en het waren niet haar voor- en achternaam.

Ze koos ervoor hem nog even te laten liggen, de gangdeur achter zich dicht te trekken en een flinke bak koffie voor zichzelf te zetten. Want koffie helpt altijd. Althans, dat was haar een paar jaar geleden wijs gemaakt en ze had besloten dat het waar was.

Toen ze ’s avonds de deur uit moest kon ze niet anders dan door de voordeur, langs de envelop. Of eigenlijk: over de envelop. De twee sierlijke, doch dwingende, woorden werden nu vergezeld door een modderige afdruk van haar schoenzool.

Toen de envelop er twee dagen lag besloot ze dat het tijd was hem naar de woonkamer te verplaatsen. Ze was er inmiddels een paar keer overheen gelopen, want dat voelde zo lekker, maar begon zich nu zorgen te maken of de inhoud nog wel leesbaar zou zijn.

‘Lees mij’, de twee woorden op de envelop staarden haar al dagen aan en ze had ze al die tijd weten te negeren. Ze kon zien dat de afzender hard zijn best had gedaan met een ander handschrift te schrijven, maar net niet hard genoeg. Ze wist van wie deze envelop afkomstig was en ze was zich bewust van de beerput die ze open zou trekken als ze de inhoud onder ogen zou krijgen.

Ze dacht terug aan een advies dat ze had gekregen, net voor haar grote besluit. Namelijk dat het echt niet verstandig is een aanstaande ex zoet te houden met de woorden ‘we kunnen heus wel weer vrienden worden, over een tijdje’. Of door dingen te zeggen als ‘misschien komt het nog wel weer goed tussen ons, bijvoorbeeld over een paar maanden!’

Haar grote besluit maakte ze twee maanden geleden. Twee maanden van radiostilte, maar nu was er de envelop. De envelop die haar vier dagen had aangestaard. Vier dagen die haar zo nieuwsgierig hadden gemaakt dat ze de beerput even vergat en met grof geweld de envelop openscheurde. Er vielen drie vol gekalkte vellen papier uit. Haar vermoedens klopten: het slachtoffer van haar grote besluit begon ongeduldig te worden.

De eerste twee bladzijdes waren goed leesbaar maar naarmate ze vorderde spatte de woede bijna van de pagina’s af. Woorden veranderden in kraaienpoten en leestekens verdwenen geleidelijk. Hij vroeg haar wanneer ze weer vrienden werden en of het al tijd was het opnieuw te proberen. Hij vond het dat het wel lang genoeg geduurd had, en als ze er nog heel lang over na moest denken, had hij nog wel wat foto’s van haar blote billen liggen.

Standaard
Koffie

Bijna over

Bij de achterdeur, naast de doos met oud papier dat morgen opgehaald wordt, zakt hij in elkaar. Zijn hoofd met een doffe klap op de plavuizen vloer.

Hij ligt daar maar, roerloos met zijn rechterarm op vier jaargangen Nieuwe Revu en zijn benen bij de wc-deur. Iets verderop pruttelt het koffiezetapparaat dat zij na vijf scheppen koffie en vier kopjes water heeft aangezet. Een kop en schoteltje voor haar, een mok voor hem. Hij drinkt zijn koffie altijd in een mok, dat vindt hij gewoon lekkerder smaken. Typisch iets voor hem. Als hij eenmaal iets in z’n hoofd heeft, dan komt het er nooit meer uit. Je hart slaat op jaarbasis 40 miljoen keer. De eerste Feyenoord – Ajax in competitieverband was op 17 maart 1957. Ananas hoort niet op een pizza.

Terwijl de koffie doorloopt, poetst zij het zilverwerk in de keuken van hun oude arbeiderswoninkje in Rotterdam. Hoe lang wonen ze hier nu al? Veertig jaar? Zij was drieëntwintig toen ze met hem trouwde, haar stoere havenwerker, en God, wat was haar vader boos geweest. Thuiskomen met zo’n simpele ziel. Een jaar lang had hij nauwelijks een woord met haar gewisseld. Zo gingen die dingen vroeger.

De laatste druppel is gevallen. Ze wacht even en schenkt dan in. Voorzichtig, aan morsen heeft ze een hekel. De koffie is gloeiend heet, maar dat is niet erg. Eer ze de stroopwafel op hebben is het al weer wat afgekoeld. Alleen een suikerklontje voor haarzelf.

‘Sjaan, wat ruikt het weer lekker,’ zegt hij en met zijn rechterhand trekt hij een keukenstoel naar zich toe.
Ze draait zich om en zet het dienblad voor hem neer op de tafel.
‘Och Henk, er zit allemaal bloed op je hoofd. Ben je weer gevallen?’ Ze pakt een doekje, maakt ‘m nat en loopt er mee naar haar stoere havenwerker.
Hij doet zijn hoofd naar achteren, sluit zijn ogen sluit en zij begint met voorzichtig deppen.
‘Het valt wel mee,’ zegt hij zachtjes. ‘Het gebeurt steeds minder. Het is bijna over.’
Ze zucht en veegt zijn grijze haren wat naar achteren.
‘Ik denk dat Harold en Suzanne gelijk hebben, we moeten misschien maar weer eens naar de dokter.’
Hij buigt zijn hoofd naar voren en neemt een hap van de stroopwafel.

Standaard