Chocolade

Dieet

Het is nu drie weken geleden dat ze zich heeft laten gaan. Ze stalde het eten voor zich uit op de houten tafel.

Niets zat meer in zijn oorspronkelijke verpakking, de suikerwafels had ze op een groot gebloemd bord gelegd, de pindarotsjes lagen in een roze schaaltje. Verder waren er de pannenkoeken van de dag daarvoor, kort warm gemaakt in de magnetron. Ze had met zichzelf een volgorde afgesproken: beginnen met een pannenkoek, dan een wafel en altijd eindigen met chocola. Ze wist hoeveel dorst ze kreeg van suiker, dus had ze een pot thee gezet. Winterthee, ze hield van de geur van kaneel. Dit was de laatste keer, hield Marijke zichzelf voor. En van die laatste keer zou ze genieten.
In haar mandje zitten twee tandenborstels, wattenstaafjes en een bus deodorant. Het is rustig in de drogist, het is bijna sluitingstijd. Een jong meisje stoot tegen haar aan als ze bukt om zakdoeken te pakken. Marijke kan zich nog net vastgrijpen aan de plastic stellage, een prijskaartje valt op de grond. Met moeite raapt ze het op en hangt het terug. Om niet op te vallen stopt ze ook een pak zakdoeken in haar mandje.
Als ze naar de kassa loopt, ziet ze de aanbieding. Een zak M&M’s met pinda’s voor één euro. Thuis, in de koelkast, heeft ze wortels liggen. Wortels, een komkommer en snacktomaatjes. Ze sluit achteraan in de rij, voor haar staat het meisje dat haar omver liep en een man met een nors gezicht. De caissière werkt langzaam, haar werkshirt zit om haar grote borsten gespannen en haar knot laat plukken los.
‘Was dat het?’ De oude handen van de vrouw achter de kassa tikken het bedrag in.
‘Eén moment. Sorry,’ zegt Marijke. Snel loopt ze terug naar de volle bak met zakken M&M’s en haalt er twee uit. ‘Deze ook nog.’
‘Deze ook nog, natuurlijk.’
Met een plastic tasje in haar linkerhand loopt ze de winkel uit. Als ze de hoek om is, opent ze de zak met chocoladepinda’s. Ze stopt er vijf tegelijkertijd in haar mond en zuigt erop. Eerst het gekleurde suikerlaagje, dan de chocola en als laatst bijt ze de pinda’s kapot. Als ze haar straat inloopt, is de eerste zak leeg

Door: Roos Vlogman

Standaard
Chocolade

Alles blijft hetzelfde

Mijn opa is verhuisd. Hij woont nu in een aanleunwoning met een speciale rollatorstalling en er is elke vrijdag gymnastiek.

Alles blijft hetzelfde’, hadden zijn kinderen hem beloofd. Ze hadden gelijk: in de kamer staat hetzelfde wanstaltige wandmeubel als altijd en op de bijzettafeltjes liggen kleedjes die oma ooit heeft gehaakt.

‘Hoe gaat het, opa?’, vraag ik.
‘Wat?’
‘Hoe gaat het met u?’
‘Goed, goed.’ Hij kucht. ‘Alleen die longen, hè.’

Wanneer mijn ouders vroeger ‘wat tijd voor zichzelf’ wilden, ging ik een weekend naar opa toe. Dan leerde hij me schaken en propte hij me vol met dingen die ik thuis nooit kreeg.
‘Welke dag is het vandaag?’ vroeg opa soms plotseling, midden tijdens een spelletje of als ik eigenlijk naar bed moest.
‘Zondag’, zei ik dan met glinsterende ogen, want ik wist wat er komen ging.
‘Zondag? Is het alweer zondag?’ Hij liep naar het wandmeubel waar zijn porseleinen doosje stond. ‘Zondag is chocoladedag!’
Vrijdag en zaterdag waren ook chocoladedagen. Doordeweeks kwam ik niet vaak bij opa maar ik vermoed dat hij ook dan het doosje tevoorschijn haalde. Een keer in de zoveel tijd kocht opa een nieuwe reep die hij in stukjes brak en opborg. Zo smaakte het veel lekkerder.

Opa haalt zijn gehoorapparaat uit zijn oor en prutst er wat aan.
‘Wat is die piep toch?’, vraagt hij. ‘Ik kan je nauwelijks verstaan!’
‘Zijn de batterijen soms op?’
‘Wat?’
‘Zijn de batterijen soms op?’
Geschrokken kijkt hij me aan. ‘Dat zou best eens kunnen.’

Op mijn blote voeten kwam ik ’s ochtends naar beneden, heel vroeg. Dan mocht ik kijken hoe opa zijn kunstgebit poetste. Hij keek me aan met een grote grijns, bewoog even met zijn kaken, en hop – had opeens zijn tanden in zijn hand. Zijn lippen vielen dan heel ver naar binnen en hij leek erg oud. ‘Zo kan ik er tenminste goed bij!’ zei hij terwijl hij zijn gebit schoon schrobde onder de kraan. ‘Veel handiger dan toen ze nog vast zaten.’

‘Hoe gaat het op gymnastiek, opa?’, vraag ik luid.
‘Dat is toch zo’n onzin’, zegt hij hoofdschuddend. ‘Elke keer lig ik weer in een scheur als die oudjes binnenkomen met hun rollators.’
Opa heeft geen rollator. Hij blijft nog liever binnen.
‘De gymzaal staat vol met stoelen. We moeten de oefeningen zittend doen omdat die bejaarden niet meer zo lang recht kunnen staan.’
Grinnikend laat hij zien hoe ze vanuit hun stoel hun tenen moeten aanraken. Hij komt net iets verder dan zijn knieën.

Na het poetsen kwam het scheren. Niet zoals papa dat deed, met een zoemend apparaat, want dat kende ik nu wel. Opa had zeep en een kwast. Hij sopte zijn hals en gezicht in met een dikke laag en ging er dan langs met een heel scherp mes. Vooral het begin, wanneer hij met dat mes langs zijn adamsappel ging, was bloedstollend. Na afloop werd het mes zorgvuldig opgeborgen bovenin het keukenkastje. ‘Dan kunnen de kinderen er niet bij.’

Opa pulkt aan zijn gehoorapparaat, ik aan een gehaakt kleedje.
‘Ik moet nieuwe batterijen hebben’, zegt hij meer tegen zichzelf dan tegen mij. ‘Welke dag is het vandaag?’
‘Zondag’, antwoord ik.
‘Zondag?’
Ik kijk hem aan en vraag me af of het porseleinen doosje de verhuizing heeft doorstaan.
‘Dan zijn de winkels dicht.’ Hij gooit het gehoorapparaat achteloos op tafel. ‘Hier heb ik dus ook niets meer aan vandaag.’

Door: Mirjam Brouwer

Standaard
Chocolade

Met die rare steeltjes

In het knusse appartementje van Esmé, drie trappen hoog aan de Overtoom in Amsterdam, stond Gerard voor eerst in z’n leven oog in oog met bloemkool.

Zingend had ze het voor hem klaargemaakt. Het was een wonderlijk verhaal. Een modern sprookje, zouden ze het zelf later noemen.
Met z’n mooiste overhemd aan en de voor haar meegebrachte chocolaatjes op schoot zat Gerard op de oude tweezits in het woonkamertje van Esmé. Hij hoorde haar de laatste hit van Marco Borsato zingen in het keukentje, op de achtergrond het huiselijke gerammel van pannen. In de vensterbank lag een kat te slapen, een oude televisie stond in de hoek en op de koffietafel lag een dik boek over Spaanse schilders in de Tweede Wereldoorlog. Een ezelsoor op bladzijde 45. Ze zag er ook niet echt uit als een lezer.
‘Ik hoop dat je van bloemkool houdt,’ zei Esmé toen ze met twee pannen de kamer binnenliep. Op haar schort een afbeelding van een kat met een koksmuts op. Een pollepel had ze speels in haar haar gestoken.
Bloemkool! Gerard kreeg het acuut Spaans benauwd. Nee, natuurlijk houdt hij niet van bloemkool! Zijn er überhaupt mensen die van bloemkool houden? Bloemkool! Met die rare steeltjes waar eigenlijk ook weer een bloemkooltje op zich aan zit. Voedsel van de duivel noemt z’n moeder het en zo is het.
Ongemakkelijk draaide Gerard op de bank. Dit had hij weer. Hij had gewoon een patatje moeten halen bij Piets Frietpaleis, zoals elke woensdag. Maar nee hoor, meneer moest zo nodig gaan eten bij het enige meisje dat hij kende. Met haar pollepel.
Esmé leek zich van geen kwaad bewust. ‘Uit geloofsovertuiging en een beetje geldproblemen heb ik geen wijn in huis,’ zei ze, ‘maar met Roosvicee komen we ook een heel eind, toch?’
De kat in de vensterbank werd wakker en krioelde langs zijn benen. Ook dat nog, een hitsige kater.
‘Goh, bloemkool,’ zei Gerard en hij voelde al wat kots opkomen. ‘Dat je dat eh… eet.’
Esmé lachte, een beetje zoals de heks in Sneeuwwitje. ‘Natuurlijk eet ik dat! Je bent zo grappig, Gerard Horstendam!’
Ze schonk water bij haar bodempje Roosvicee. ‘He lekker, zei ze, ‘ik ben hier zo aan toe.’
Met haar rechterhand klopte ze op de zitting van de oude stoel tegenover haar. Een wolkje stof schoot omhoog. ‘Kom je ook aan tafel? En kun je Meneertje Snoezepoes ook meenemen? Hij vindt je aardig, volgens mij. Net als het vrouwtje.’
Langzaam strompelde de ter dood veroordeelde Gerard naar zijn laatste avondmaal. Meneertje Snoezepoes spinnend in z’n handen.
‘Nom nom nom,’ zei Esmé en ze schepte al wat bloemkool op het bordje tegen over haar. ‘Als de batterij niet leeg was, had ik er een foto van gemaakt met m’n telefoontje,’ zei ze. ‘Zo lekker ziet het eruit. Ik geef mezelf vier Michelinsterren!’
Gerard legde de kat op de stoel naast hem en nam een flinke slok Roosvicee. De smaakpapillen om de tuin leiden, dat was het plan. Waarom had dat mens geen wijn? Of bier? Alcohol maakt alles dood. Nog veel meer dan je lief is en zeker dit hellevoedsel van drie hoog aan de Overtoom. Hij pulkte een kattenhaar van zijn tong.
‘Eet smakelijk,’ zei Esmé en ze nam een grote hap bloemkool. En nog een. En nog een.
Met z’n vork porde Gerard wat in z’n hoopje rattenvergif.
‘Hé,’ zei hij, ‘wat is dat bruine? Dat hoort toch niet op bloemkool?’
Esmé lachte hard. Zo hard dat haar pollepel op de laminaatvloer kletterde. Meneertje Snoezepoes sprong geschrokken van de stoel en rende de keuken in. ‘Dat,’ riep Esmée luid, ‘is een wereldberoemd chocoladesausje, Gerard Horstendam! Uit het boek van Jamie Oliver!’
Gerard veerde op. Chocolade! Maar dat veranderde alles. Als hij ergens gek op was, dan was het wel op die bruine zaligheid uit de hemel. Chocolade was altijd de oplossing. Hij smeerde het op alles: boterhammen, speklapjes, sinaasappels en god mag weten op wat nog meer. Aangespoord door zijn bruine redder op het witte paard, nam hij een hap bloemkool bedolven onder het goddelijke sausje. En nog een. En nog een. Het onmogelijk was gebeurd: Gerard Horstendam zat bloemkool naar binnen te schrokken, drie hoog aan de Overtoom.
‘Dat vind je lekker, hè,’ zei Esmé en ze aaide over z’n arm. ‘Kijk die meneertje Horstendam eens smullen.’

Standaard
Chocolade

Catch

Vis. Eén van haar minst favoriete dieren om te eten. Het had maar een paar dagen gescheeld, of ze was een Waterman geweest.

En hoewel ze zichzelf niet zag als een bewegelijk type en een bezoek aan de zee, of iets anders met water erin, voor haar niet voelde als thuiskomen, was ze een echte Vis.
Michelangelo was een Vis. Net zoals Albert Einstein. En zij dus. ‘Vissen zijn iedereen, en Vissen zijn een mysterie’, had ze eens gelezen. Er stond ook nog dat Vissen zichzelf vaak niet begrijpen, dat ze vaak een gracieuze verschijning hebben maar dat ze soms juist iets weghebben van een gestrande zeehond.
Een poos geleden had een man tegen haar gezegd dat ze zulke mooie melkchocoladebruine ogen had. Maar verkering wilde hij niet. Dat wilden ze nooit. Zij was het type vrouw waar mannen mee wilden daten, flirten en seksen. Een beetje teasen. Foto’s van geslachtsdelen in erecte staat via whatsapp en beloven dat die afspraak er écht wel een keer zou komen. Dat soort werk. En hoewel het hulpeloze karakter van een Vis ervoor zorgt dat mannen zich voelen als een ware Tarzan, samenwonen, trouwen of een puppy kopen deden ze niet met haar.
Was ze niet aan het daten, flirten of seksen, dan was ze alleen. Alleen onder de lakens, alleen op de fiets, alleen in bad. Ook al was ze het al een tijdje, dat alleen zijn was een hele uitdaging voor haar. Er ontbreekt namelijk iets in het leven van een Vis als zij niet verliefd is. Een Vis leeft om zich te verliezen in iets groters en een gelukkige Vis wordt elke ochtend wakker met een zweem van verwondering. Dat was bij haar nu niet het geval. Ze ging te laat naar bed en kwam er te laat weer uit. Het kostte haar de grootste moeite zich onder de dekens vandaan te wurmen en aan de dag te beginnen, alleen.
Lunchen, naar de bioscoop of lekker uit eten met vriendinnen vond ze allemaal leuk en aardig, maar het was niet genoeg. Volgens haar had dat vast iets te maken met het feit dat Vissen zoeken naar het geluk van de totale overgave en hunkeren naar iemand aan wie ze alles kunnen geven. En geven, daar is de Vis goed in. Vissen geven zich helemaal over aan het erotische en sensuele. De Vis is verleidelijk en vrijgevig. Zij, als echte vis, was dus zeker geen slechte catch, vond ze zelf.
Zoals zoveel Vissen begreep ook zij er helemaal niks van. Van zichzelf niet, van de wereld niet en van al die mannen niet. Daarom las zij elke dag trouw haar horoscoop. Wachtend op een teken, of een kleine hint, dat haar Tarzan in aantocht was.

Standaard
Chocolade

Normaal gesproken heeft hij niks met zwarte vrouwen

Als je me zou vragen wat ik van dit soort muziek vind, dan denk ik dat ik het in drie woorden zou samenvatten: keihard, vreselijk gebonk.

Ik hoor mezelf niet, als ik dat in het oor van Manuel schreeuw. Hij hoort mij ook niet. Dan iets anders, of hij bier wil. Pas als ik het universele drink-gebaar maak, knikt hij, met bloeddoorlopen ogen. Half over zijn voeten heen struikelend, begin ik mezelf door kluwen mensen naar de bar te duwen. Eigenlijk heb ik het nooit begrepen wat men hier nou in ziet. Ik vind het vooral warm, druk en lawaaiig. Een goed gesprek: ho maar.
Als ik bij de bar ben, is het eerste wat mij opvalt de zwarte travestiet. Al is zwart niet echt het goede woord. Meer chocoladebruin, denk ik zo. Sri Lankaanse origine, misschien? Ze heeft hoe dan ook haar best gedaan, met een strakke jurk, geschoren benen en een duidelijk, fors paar neptetten, maar de brede schouders, harde kaaklijn en de snor geven haar man-zijn weg. Voor mijn gestel is het dan maar goed ook, dat ze een vriendin bij zich heeft die wél mooi is. Blond, lang haar, een strakke, slanke taille en benen waar je, als je een hond was, tegen op zou willen rijden.
Ik schuif naast de blonde meid aan de bar. Ze kijkt naar me. Ik glimlach. Ze glimlacht terug.
“Hoi, Sander,” schreeuw ik.
“Ik ben Melanie,” schreeuwt zij, waarna ze naar haar chocoladekleurige vriendinnetje wijst, “en dit is Petra.”
“Hoi, Sander,” schreeuw ik weer. Een donkerbruine stem, waarvan ik vrij zeker weet dat ‘Lola’ van The Kinks, erop gebaseerd is, groet me terug.
Ik bestel twee biertjes bij de barman en doe ondertussen m’n best om een leuke vraag te bedenken. Het resultaat, ik ben er niet trots op, schreeuw ik richting Melanie.
“Heb je het niet warm, met dat jurkje?”
“Wat?”
Het gesprek tussen mij en Melanie is oppervlakkig, maar onze ogen vertellen een heel duidelijk verhaal. We knikken, knipogen en glimlachen er op los. Ondanks de omgeving heb ik geen enkele moeite om haar te horen praten. En praten dat kan ze. Honderduit, over haar chihuahua, haar exen en Tupperware. Mij maakt het niet uit. Iemand die zo mooi is heeft het absolute recht om te praten over alles. Die ógen!
Manuel staat ondertussen een heel betoog te voeren tegen Petra, waarschijnlijk over de zin van het leven, of over de Bubbels, dat dat zo’n toptent is. Eigenlijk wel vreemd, dat Manuel zo met Petra bezig is. Normaal gesproken heeft hij niks met zwarte vrouwen.
Ik hou het niet langer uit. Ik trek Melanie naar me toe en zoen haar, lang en nat. Ze kust geweldig. Vol passie en, hoe zeg je dat, ‘vuur’? Het windt me op. Ze zal me wel voelen, tegen haar heup aan. Dan voel ik haar ook. Hem dus. Ik schrik me kapot en ruk me los uit Melanies greep. Er loopt een rilling over m’n rug. Melanie kijkt me geamuseerd aan.
“Je mag me ook Melvin noemen.”
Ik draai me om, scheur Manuel uit zijn chocoladezoen en duik een taxi in.

Standaard