Bijgeloof

Kokos

Kokoswater is een drank van de goden. Daar was Lyse ervan overtuigd.

Op het erf van haar vriend stonden twee flinke kokosnootbomen die om de zoveel tijd klaar waren hun heerlijke noten op de grond te laten vallen. Maar voor dat dat zover was kwam Dwight al ertussen. Hij plukte de noten, waste ze, en sneed vervolgens de top van de noot eraf. Lyse, geboren en getogen in een koud kikkerlandje, genoot ervan om met een rietje het water op te drinken. Maar nauwelijks raakten haar lippen de rietje aan of een scherpe schreeuw klonk naast haar, en een flinke klap.
Stomverbaasd stond Lyse met haar handen alsof ze de kokosnoot nog vasthield. Maar deze was al gevlogen naar een fajalobi bosje* en het godendrankje kroop tussen het zand.
“Nee! Mag je niet doen! Yu Law?**” klonk om haar heen.
De moeder van Dwight, een oudere vrouw met twee paar zilveren tanden rakelde in een rap tempo in het Surinaams, terwijl ze wees naar Lyse’s lichtjes gezwollen buik. Dwight was tussen de twee vrouwen gesneld en probeerde zijn moeder te kalmeren. Niet-begrijpend keerde ze zich naar de twee tantes van haar vriend. Zij hadden net zulke grote ogen als Lyse, maar niet met dezelfde redenen.

Die avond vertelde Dwight wat er aan de hand was.
“Lyse, hier geloven ze dat als een zwangere vrouw kokosmelk of kokoswater drinkt haar kind zal sterven. Het spijt me, ik was het helemaal vergeten, anders had ik het je niet aangegeven.”
“Is het waar dan?”
“Geen idee, maar ik weet wel dat we liever geen risico hoeven te nemen.”
Hij streelde haar over haar buik.
“Ik-ik denk wel dat je gelijk hebt. Het risico is niet nodig…”

Vier maanden later stapte ze in het vliegtuig. Alleen. Van buiten glimlachte ze naar haar medepassagiers naast haar, een jongetje van twaalf en zijn moeder, maar vanbinnen woedden de tranen nog steeds. De vorige maanden waren hel geweest.
Een maand na het voorval met de kokosnoot had Lyse een miskraam gekregen. Nadien voelde ze zich ziek en bleef in bed, haar schoonmoeder en schoonzus die af en toe op bezoek kwamen hielpen een beetje met het werk thuis.
Op een avond voelde ze zich weer een beetje beter. Ze stond op om haar schoonfamilie te groeten, maar halverwege in haar woonkamer hoorde ze de twee al babbelen.
“Luie buitenlander die de hele dag zit te slapen. Ai boi, ik zeg die zoon van me om een nette Surinaamse te vinden maar nee, hij moet een verwende nest hebben voor status.”
“Mamma, alsjeblieft niet zo praten. Ze kan ’t niet helpen dat ze ziek is, vooral nadat…”
“Ach meisje, praat me niet over dat. Ze heeft het zelf zo gezocht door kokoswater te drinken. Welke goeddenkend mens zou dat doen? Zomaar brengt ze haar eigen kind om het leven.”
Lyse’s vingers hadden zich al geklemd rond het telefoontoestel terwijl moeder en dochter nietsvermoedend naar binnen liepen. Ze werden bleek als Lyse toen ze haar in de woonkamer zagen staan, telefoontoestel en al opgeheven. De schreeuw bleef niet uit.

Terwijl het vliegtuig opsteeg, dacht Lyse nog een laatste keer aan Dwight. Uiteindelijk was het niet zij, maar hij die een punt erachter zette. Een telefoon smijten naar iemands moeder is onacceptabel, hoewel de kabel vreselijk tekort was. Vreselijk, dacht Lyse nog terwijl ze hoger in de wolken klom, wat zou ze niet doen voor een heerlijke kokosnoot.

Door: Zerachiel van Mark

* Vurige-liefde plant
** Ben je gek?

Standaard
Bijgeloof

Een leven lang geluk

De Borobudur, of Barabudhur op z’n Javaans, is een boeddhistisch tempelcomplex op Midden-Java, Indonesië. Op de bovenste van negen etages bevinden zich 72 kleine stoepa’s, gebouwd rondom één centrale stoepa.

Een stoepa is een rond bouwwerk, altijd op een vierkante verhoging, met daarin een boeddha. Het is mooi daar, op die bovenste etage. In de verte ligt een berg waarvan ze denken dat hij de vorm van de liggende boeddha heeft. In de stoepa’s op de Borobudur zitten gaten, als je naar binnen gluurt zie je boeddha zitten. Ogen dicht, in kleermakerszit, handen in elkaar.
Lukt het een man om door de gaten heen de hand van boeddha aan te raken, of een vrouw om de voet van boeddha aan te raken, dan ben je gegarandeerd van een leven lang geluk.
Dus deed ze dat, zo’n drie jaar geleden. Ze klom op de verhoging en stak haar arm door één van de gaten. Met haar wang tegen de buitenkant van stoepa geperst raakte ze de voet van boeddha aan. En niet even een snelle aai, ze pakte hem vast en bleef zo staan. Totdat de hitte van de stoepa, opgewarmd door de zon die er de hele dag op had staan branden, haar te veel werd.
Daar, op de negende etage, met uitzicht op een berg waar ze absoluut geen liggende boeddha in zag, verzekerde ze zich van een leven lang geluk. Dat ze nog diezelfde avond een verkeerd stukje tonijn at en de drie dagen daarna doorbracht hangend boven een wc, in Indonesië hang je boven de wc’s, schreef ze toe aan het feit dat het pas zo kort geleden was, haar verzekering van geluk.

De lucht was al dagen donkerblauw. Een blauw dat deed vermoeden dat het elk moment kon gaan regenen, maar het bleef droog. Vanuit haar bed bestudeerde ze de wolken. De vormen, de kleuren en hoe snel ze gingen. Foetushouding, armen om haar knieën en zacht heen en weer wiegend. Ze kon niet zeggen dat ze het naar haar zin had, maar dat had ze het al een tijdje niet meer. Ze dacht terug aan toen de zon nog scheen, drie jaar geleden. Ze vroeg zich af of ze iets verkeerd had gedaan, daar in Indonesië. Op de vierkante verhoging en met haar hand door de gaten van de stoepa. Ze vroeg zich af of ze iemand zo erg kon missen dat het pijn deed en of ze wel verdriet kon hebben om een liefde die er nooit was geweest. Ze vroeg zich af of het ooit zou wennen om hier alleen te liggen en in haar eentje de vormen van de wolken te bestuderen.

Standaard
Bijgeloof

Uitgeteld

In de auto zwijgen ze. Al 23 kilometer lang.

Hij had even gezocht naar een geschikte radiozender, maar had het ding al gauw uitgezet. Misschien gaat ze wat zeggen en dan is muziek enkel hinderlijk. Maar ze blijft stil.
Hij moet tanken en stuurt de Volkswagen de snelweg af.  Of hij iets voor haar kan meenemen uit het winkeltje. Geen reactie. Toch komt hij met een zakje M&M’s terug in de auto. Hij legt het op haar schoot. Niet eens een glimlach, laat staan een bedankje. Niks. Hij doet z’n gordel om en geeft gas.
Als de Volkswagen weer rond de 120 kilometer per uur toert, waagt hij nog een poging. ‘Wat is er toch, Wiske?’ vraagt hij, maar ze antwoordt niet. En dat terwijl zijn woorden zo zorgvuldig waren gekozen. Met die strip was het allemaal begonnen. Hij verkleed als Lambik, zij als Wiske. Carnaval, 2001, Roermond. Vanaf de eerste polonaise was het raak. Haar handen, zijn schouders.
Ze kijkt uit het raam en telt stilletjes de blauwe auto’s die ze inhalen. Vijftien, zestien, zeventien. Haar lippen bewegen langzaam bij elke verhoging. Als ik het niet doe, dan gebeurt er iets vreselijks met iemand in mijn familie, had ze hem ooit eens uitgelegd. Hij zei er nooit iets over. Kies je gevechten had zijn vader hem al bij zijn eerste vriendinnetje meegegeven als wijze raad.
Drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig. Het is druk op de weg.
Ze frummelt aan de radio en stopt wanneer ze iets heeft gevonden. Een schreeuwerig popsterretje vervangt de doodse stilte in de Volkswagen. Ze zet ‘m harder, vreselijk luid. Zijn zwakke plek. Hij laat zich niet kennen en geeft gas. De Volkswagen gaat harder en harder, vastgeplakt op de linker weghelft. Als zij de volumeknop richting maximale oorbeschadiging draait, trapt hij het pedaal nog dieper in. De auto trilt gevaarlijk. Ze gaan sterven in deze blikken kist, hij weet het zeker. Stokdoof en morsdood gevouwen om de vangrail. Of frontaal op een vrachtwagen of over de kop door het weiland waar ze langs vliegen. Op slag dood. Een grote rouwadvertentie in de krant. Ze waren nog zo jong.
Als het liedje is afgelopen drukt ze de radio uit. Hij zakt weer langzaam naar de maximaal toegestane snelheid. Ze leven verder, in stilte.
Zesendertig, zevenendertig, achtendertig.
Hij stuurt de Volkswagen de oprijlaan op van haar vaders huis en zet de motor uit. Ze blijven zitten en staren naar de blauwe garagedeur. Het huisnummer staat er groot op geschilderd. Achtenveertig. De verf bladdert, het slot is verroest.
Ze draait langzaam naar hem toe en zucht. Hij wil het oplossen, maar weet niet hoe. Haar hoofd op zijn schouder.
En ze zwijgen.

Standaard
Bijgeloof

Vrouwen met katten

Ze lagen op bed, hij op zijn rug, zij op haar buik. De deken gleed nog net niet van haar billen af. Ze had zijn rechterhand vast, vingers verstrengeld. Met zijn linker rookte hij met diepe geoefende halen een sigaret.

katZe liet haar hoofd op haar arm rusten, keek naar zijn profiel. De sterke neus, de donkere wimpers. Zijn lippen, een beetje geopend om de rook naar buiten te laten glippen. Ze maakte haar hand los van de zijne en liet haar vingers over zijn wenkbrauwen gaan. Hij lachte zonder haar aan te kijken en nam nog een trekje.
De kat sprong op de dekens, voorzichtig met zijn zachte pootjes tussen hen in. Ze aaide zijn koppie.
‘Zo lief dat ‘ie nu pas komt. Hij voelt dat hij ons niet mag storen.’
Hij knikte. ‘Dat is ‘m geraden.’
Ze rolde op haar rug en trok de kat op haar buik. Al gauw nadat ze hem uit het asiel had opgehaald, kwam ze erachter dat, als ze hem maar lang genoeg aaide en haar hoofd op zijn zachtbehaarde buik legde, ze het spinnen kon horen. Niet zacht en pruttelend, maar een doordringend, onverstoorbaar geronk. Net een motortje. Ze noemde hem Diesel.
‘Diesel vindt je leuk. Hou je van katten?’
Hij grijnsde en drukte met een lome hand de sigaret uit op de krant naast haar bed.
‘Ik vind niet zo veel van katten. Maar vrouwen met katten…’
‘Zegt dat iets over een vrouw?’
‘Het is een slecht teken. Vrouwen met katten claimen. Ze zijn bang om alleen te zijn. Ze nemen zo’n beest om het gevoel te hebben dat er iets op hen wacht als ze thuiskomen.’
Ze zweeg. De spinnende kat op haar buik leek ineens misplaatst. Ze duwde hem weg en rolde zich om.
‘Denk je dat ik bang ben om alleen te zijn?’
Hij lachte weer, ogen naar het plafond. ‘Vrouwen met katten in het algemeen, bedoel ik natuurlijk. Jij bent een geval apart.’
Ze fronste. ‘Een geval apart?’
‘Voor jou gaat dat hele verhaal niet op. Maak je geen zorgen.’
‘Ik maak me geen zorgen.’
‘Gelukkig maar.’
‘Maar jij denkt vrouwen te doorzien omdat ze toevallig een kat hebben?’
Hij richtte zich op op één elleboog en keek haar aan. ‘Is het niet waar dan?’
Ze zweeg weer. Hij zei niet eens ‘nou dan’, wachtte niet op een antwoord, maar stapte uit bed en begon zich aan te kleden. Voor hij haar appartement verliet kuste hij haar en fluisterde in haar oor.
‘Dag, kattenvrouwtje.’
Ze durfde hem niet meer te vragen wanneer ze hem weer zou zien.
De deur sloeg dicht en ze kroop weg onder de dekens. Ze begroef haar hoofd in de zachte buik van de kat en wachtte tot het geruststellende geronk haar gedachten overstemde.

Standaard
Bijgeloof

Oorlog

‘Insjallah.’
Insjallah, Rakin.’

Rakin en Faisal fluisteren het naar elkaar, halverwege de loopplank. Het is vol op de veerboot naar Terschelling, vooral door de kinderen die gillend heen en weer rennen. De twee slanke mannen vallen op tussen alle zwaarlijvige Hollanders.
Op de boot nemen ze plaats aan de reling op het achtersteven.
‘Waar ligt Mekka vanaf hier eigenlijk?’
‘Je kan hier niet bidden, Rakin.’
‘Weet ik wel, ik vind het gewoon fijn om te weten. Dan voel ik me wat meer thuis, snap je?’
‘Daar ongeveer,’ zegt Faisal, en hij wijst naar de verte.

Het is zover, knikt Faisal.
‘Insjallah,’ fluistert Rakin geluidloos. Faisal knikt weer.
De mannen staan op van de leuning en lopen achter elkaar een nauwe trap af die naar de centrale ruimte leidt. Rakin zweet. Het ruikt er naar frituur. Onderaan de trap staat een klein meisje. Rakin legt zijn hand op haar schouder.
‘Hoi meisje, mogen we er even langs?’
‘U stinkt.’
‘Nou zeg, dat is onbeleefd.’
Het meisje begint te huilen, harder dan een azan in Mekka.
‘Rakin, wat doe je?’
‘Ik doe niks. Ik vroeg alleen of we er even langs mochten!’
De aandacht van de zaal is opeens op het huilende meisje en de twee allochtone mannen achter haar gevestigd. Er wordt al beschuldigend gekeken. Een tweetal stewards komt naar hen toe lopen. Faisal voelt een por in zijn rug.
‘Dat is mijn meisje! Waarom huilt mijn meisje?’
Een vrouw probeert langs Faisal en Rakin heen te duwen. Haar forse gewicht helpt daarin mee, maar het postuur dat daarmee samenhangt werkt tegen. Rakin drukt zijn lichaam tegen de muur aan en probeert de vrouw er langs te laten. Terwijl ze zich langs hem heen wurmt blijft ze met haar hak haken aan de lakschoen van Faisal, struikelt en valt tegen Rakin aan. Een steward weet het kleine meisje nog net op tijd weg te trekken, maar Rakin is niet zo vlug en valt mee naar voren. Langzaam krabbelt hij weer overeind. De vrouw is harder gevallen en ligt nog. Faisal wil haar omhoog helpen.
‘Gaat het mevrouw?’
‘Blijf van me af! Vuile terrorist!’
Even is alleen het spetteren van een friteuse te horen. Dan breekt er paniek uit. Mensen schreeuwen. De vrouw haar sleurt haar meisje mee, de trap weer op. De andere mensen vliegen alle kanten op, volkomen in paniek. Kinderwagens vallen om, tafeltjes vliegen in het rond. De twee stewards zien het gebeuren en proberen de menigte tot kalmte te manen, maar worden door twee dikke, spierwitte mannen meegesleurd naar de uitgang aan de andere kant. Bijna veertig seconden later is het stil in de kantine. Alleen Faisal en Rakin staan er nog, een beetje verdwaasd om zich heen te kijken. Faisal zet een stap naar voren.
‘Nee! Genade!’
Het geluid komt achter de toonbank vandaan. Er staat een jongen, van een jaar of negentien, met rood haar en sproeten. Of hij wit ziet weet Faisal niet, dat kan ook z’n gewone huidskleur zijn.
‘Kom, Rakin.’
‘Weet je het zeker?’
‘Ja, nu is het moment.’
‘Insjallah,’ zegt Rakin zachtjes.
De twee lopen op de toonbank af. De jongen blijft staan. Als ze dichterbij komen zien ze dat z’n broek bevlekt is. Het kan Faisal niets schelen.
‘Twee patat oorlog, alsjeblieft.’

Standaard