Amsterdam

Wereldstad

‘Lieve schat,’ had Hesling gezegd toen ze haar tanden stond te poetsen, ‘het is gewoon een feestje.’

Een feestje?’, had Jo tegengesputterd met een mond vol schuim. ‘Je moeder heeft godverdomme het Rijks afgehuurd!’
‘Ach, dat vind ze gewoon leuk.’ Hesling was in bed gestapt en had zijn bedlampje uitgedaan. ‘En je weet toch hoeveel het voor haar betekent dat ik partner word?’
Jo had de tandpasta met kracht in de wasbak gespuugd. ‘En wat moet ik dan aan?’
‘Je hebt vast nog wel wat in de kast hangen’, had Hesling gemompeld, voordat-ie zich omdraaide en in slaap viel.

‘En, wil het een beetje lukken met die schitterende creatie van Marc Cain?’
De verkoopster rukt, zonder een antwoord af te wachten, het gordijn open.
Haar mondhoeken blijven opgewekt omhoog wijzen als ze Jo van top tot teen opneemt. ‘Maatje groter proberen dan maar?’
Jo bekijkt zichzelf in de spiegel. Inderdaad: te dik, te wit, te moe. Ze wurmt zich uit het taftzijden geval en schiet in haar spijkerbroek. Achter het gordijn kwettert de verkoopster onvermoeibaar door. ‘U hebt geluk, ik heb deze zelfs nog een maatje groter.’
Jo grist haar leren jack van het haakje, rukt het gordijn opzij en wijst op het mobieltje aan haar oor. ‘Noodgeval.’
De beveiligingsbeambte grijnst als ze bijna haar nek breekt over de drempel. ‘Fijne avond, mevrouw.’
Jo zwaait. ‘Dat gaat helemaal lukken.’

‘Hé, ken je niet uitkijken?’
Ze kan nog tot stilstand komen voordat ze een kaalgeschoren Ajax-fan raakt, die zich zo te ruiken al flink wat moed heeft ingedronken voor de bekerwedstrijd van vanavond.
‘Sorry. Ik zat met mijn gedachten ergens anders.’
Terwijl de man naar de tramhalte wankelt, kijkt Jo om zich heen. Gary’s Deli, het postkantoor, de Legerdump. Wat doet ze in godsnaam in haar oude buurtje in West?
Boekhandel Hoogstins dan maar. Niets zo troostend als een boekhandel – al ruikt het in de Kinkerstraat lang niet zo lekker naar drukinkt als in Mortiers Boekenpaleis.
Eenmaal binnen, dwingt Jo zichzelf om een boek op te pakken en de achterflap te lezen. Snel legt ze het boek weer terug, belastingrecht is niet echt iets voor haar. In haar broekzak voelt ze iets trillen. Op de automatische piloot loopt ze de winkel uit en haalt haar mobieltje uit haar zak. Beroepsdeformatie, noemt Hesling dat. Alsof hij ooit zijn telefoon onbeantwoord laat. ‘Met Jo Mortier.’
‘Bernadette Vervaet hier.’
Heslings moeder. Dat kan er ook nog wel bij.
‘Ik dacht: ik maak je toch nog even attent op het feit dat het zaterdag black tie is. Jij hebt altijd zo veel aan je hoofd – je zou het zo maar kunnen vergeten. En dat is dan weer zo sneu voor Hesling, vind je niet? Het is tenslotte zijn avond.’
Jo opent haar mond, maar haar stembanden weigeren dienst.
‘Enfin, dat wou ik je dus nog even melden.’ En met een zangerig ‘dan zien we elkaar zaterdag’ neemt Bernadette afscheid.
Jo staart naar haar mobiele telefoon en neemt een besluit. Ze gaat nú bij Gary’s een groot stuk cheesecake eten. Hesling en zijn moeder kunnen het heen en weer krijgen.

Door: Jaqueline Storm
Houdt van mooie zinnen schrijven (of redigeren), lesgeven, papier, taalfouten verbeteren en koffie. Heel veel koffie.


Standaard
Amsterdam

Gauloises

De man naast haar kijkt op als ze haar keel schraapt.
Heb je er last van?”
Ze zegt van niet en kijkt nogmaals op haar telefoon. De bus is laat. De rook die om haar heen wolkt vult haar longen. Bitter, Gauloises. Herinneringen.

De Blasiusstraat nummer dertig, drie hoog. Geen tuin, geen balkon. Hier werd ze geboren en dacht ze dat de wereld veilig was, tot haar moeder hem met een tennisracket de deur uit joeg en schreeuwde dat hij nooit meer terug hoefde te komen. Dat deed hij wel, om twee tassen met kleren en de antieke klok van zijn grootmoeder op te halen, en haar ervan te verzekeren dat ze elkaar snel weer zouden zien. Toen hij het huis verliet rende ze achter hem aan de straat op. Ze begon te huilen en hij keek gegeneerd om zich heen.
“Niet nu, oké? Niet hier.”

De kruising van op het Victorieplein, die ze altijd moesten oversteken richting school. Zij achter zijn brede rug, neus in de jas die naar sigaretten en vroeger rook, toen alles nog goed was. De auto die hen sneed toen hij het rode licht negeerde en zijn uitbarsting, kijk uit, klootzak, ik heb een kind achterop.

Het Vondelpark, waar hij in zijn weekenden skeelers voor haar huurde en op het terras sigaretten bleef roken tot ze anderhalf uur later bezweet terugkwam. Ze dronk limonade en hij vroeg hoe het op school ging.

Het Onze Lieve Vrouwengasthuis waar ze nog steeds niet voorbij kan lopen zonder dat haar maag zichzelf in een knoop trekt. Haar moeder die haar bleek door de hoge, lichte hal trok tot ze buiten stonden, en een sigaret opstak. Tot dan toe had ze dat haar moeder nog nooit zien doen en daarna ook nooit meer.
“Ze hebben gedaan wat ze konden,” zei ze. “Maar de klap was te groot.”

Tram vier, waar ze sinds die dag nooit meer in heeft gezeten.

“Sorry.” Ze legt haar hand op de arm van de man. “Heeft u er misschien eentje voor mij?”

De man glimlacht en haalt het blauwe pakje uit zijn broekzak. De sigaret ruikt nog precies zo als hij zou moeten ruiken. Ze inhaleert diep, probeert niet te hoesten. Blaast zachtjes uit, zodat de rook om haar heen blijft hangen en niet wordt meegenomen door de wind.

Als ze de bus instapt ruiken haar haren en jas naar hem.

Standaard
Amsterdam

Met vallen en opstaan

Maandag. Zuchtend sta ik op en zuchtend slof ik naar de spiegel. Er zitten minstens vier pukkels op m’n gezicht die er niet zouden moeten zitten en de wallen onder m’n ogen zijn nog dieper dan die van mijn docent wiskunde uit de eerste klas.

Maar wat geeft het? Met een helm op valt het toch wel weg. Ik ben een 35-jarige mislukte lul. Ik zit graag thuis met m’n kat, heb geen vriendin. Wel twee vrienden waar ik soms wat mee ga doen. Dan koken we bruine bonen. Doen we al jaren op die manier en waarschijnlijk blijft het ook nog jaren zo.

Een uur later sta ik te wachten op de eerste toeristen. Edgar is er nog niet. Die zal wel hebben liggen beuken met een of ander Antilliaans wijf. Dat is wat hij doet. Dat zei hij ook toen ik vroeg wat hij wilde worden, later, als hij bij dit hol weg was. “Barry,” antwoordde hij, “ik ben al wat ik wilde worden. Ik ben Antillianenbeuker.”

Er komen twee mannen en drie vrouwen binnen. Een groepje Amerikanen. Ik haat ze. Amerikanen zijn de ergste toeristen die er zijn. Ze zijn dik, arrogant en irritant. En dat gewicht van ze is ook niet goed voor m’n Segways. Het zal niet de eerste keer zijn dat zo’n ding geveld wordt door een zwaarlijvige Amerikaan met de naam George, of Kevin, of Britney. Laatst ook nog, stond er een Sarah te kirren van plezier op een piepend, langzaam doorbuigend Segwaytje. De hele situatie had veel weg van een olifant op een touwbrug. We waren net te laat. Segway 12 was gestorven. Het was maar goed dat mevrouw van tevoren een disclaimer had ingevuld. Het schaafwondje op haar arm was minuscuul maar aanwezig.

Ze rijden achter me aan, zo goed en kwaad als het gaat. Over de Wallen, natuurlijk. Dat is wat Amerikanen willen zien. Bij elke pornowinkel of seksuitbater wordt er gestopt en moeten er foto’s worden gemaakt. Daar staan ze dan, op hun Segways, naast elkaar, voor een bordeel. En ik foto’s maken. Op de achtergrond zie ik de hoeren van dienst hun middelvingers opsteken. De paar Amsterdammers die er lopen lachen ons uit. Ze zien dat ik de Nederlander ben. Ze zien dat ik vrijwillig op een volkomen idioot apparaat ben gaan staan om volslagen debielen rond te leiden door de volmaakt geflipte wereld die de rosse buurt heet. Ik zou ook lachen.

Als we terugkomen is Edgar er ook.

“Ha Bar, hoe is-ie gast? Is er nog eentje doorheen gezakt?”

Ik schud van niet en loop door naar achteren, naar het toilet. Er hangt een spiegeltje en ik kijk erin. M’n helm zit nog op m’n hoofd. M’n gezicht is helemaal niet weggevallen. Overal is ‘vijfendertig’ te lezen. Ik ben een burgerlijke lul. Ik sta vrijwillig op Segways, al jaren.
Ik geef over.
Edgar kijkt net om het hoekje van de deur.

“Zijn de bruine bonen verkeerd gevallen?”

Standaard
Amsterdam

De stad van hun liefde

De stad was van haar, alleen van haar. Daar was ze aan gewend geraakt.

Het was voor haar niet meer dan normaal dat alleen zij de zwerver op haar plein opmerkte. Dat alleen zij in de gaten had dat hij elke dag rond de klok van twee zijn joint rookte op het bankje naast de schommels. Een half uur later schuifelde hij dan weer verder, luid hoestend en rochelend.

De krantenjongens die zich elke ochtend verzamelden op het stoepje voor haar deur. Voor haar was het niet meer dan normaal dat ze alleen haar liefkozend ‘kankerhoer’ noemden. Het hoorde er nou eenmaal bij, bij haar Amsterdam. Net zoals tram 7 die ze altijd nam als het regende en ze moest werken. Of tram 14, naar het Rembrandtplein. Haar vervoer uit Oost, de rest van haar Amsterdam in.

Ze hield van de stad. Van de grachten, van de vele fietsen, van de winkels, de restaurants en zelfs van de duiven, de zwerver en de krantenjongens.

Vanaf een bagagedrager zag de stad er heel anders uit, zo had ze onlangs ontdekt. Misschien was Amsterdam zo nog wel mooier. De Dam en al haar toeristen trokken in een razend tempo aan haar voorbij en alles wat ze daarvoor hoefde te doen was zich stevig vasthouden. Hij trapte.

Het had even geduurd, voordat ze zich stevig vast wilde houden. Het was tenslotte háár stad en hem delen met iemand die net zoveel van Amsterdam hield als zij, dat kon nooit goed gaan, zo dacht ze.

Hij nam haar mee naar het café dat hij ‘zijn café’ noemde: Café de Jaren. Ze bezocht hem in ‘zijn’ stadsdeel: Zuid. Ze brachten de zondagochtend door hoe hij dat graag deed: in de bibliotheek op het Oosterdokseiland. Het duurde even, maar na verloop van tijd besefte ze dat zij net zoveel van ‘zijn’ Amsterdam hield als zij van ‘haar’ Amsterdam. En toen hij opmerkte dat ‘die zwerver er echt elke dag om twee uur zit’ wist ze het zeker: Amsterdam was niet meer van haar alleen.

Standaard
Amsterdam

Entertainment area

‘Waar kom je vandaan?’ vraagt Frankie als ik plaatsneem in de fauteuil tegenover hem in de veel te dure Londense hotelkamer.

Naast de oude zanger op de bank hangt Neill, zijn oude vriend en meestergitarist van weleer. De niet verrassende dranklucht om hem heen draagt hij zoals een koning zijn mantel.
Bij mijn antwoord veert Frankie op. Whiskey druppelt op het tapijt.
‘Hell yeah! Amsterdam, man!’ De oude zanger heft zijn glas naar mij alsof ik Amsterdam persoonlijk heb ontworpen, gebouwd, afgebroken en weer opgebouwd. Het is teveel eer, maar toch neem ik z’n compliment in ontvangst met een beleefde knik. Een echte Amsterdammer is een trotse Amsterdammer.
Het lawaai naast hem doet Neill ontwaken. Hij zegt iets onverstaanbaars wat Frankie beloont met een bulderlach. Deze mannen zijn al sinds de jaren ’60 een onafscheidelijk duo en dat zie en voel je aan alles. Frankie en Neill hebben als spil van de legendarische band Signalling Error samen niet alleen de wereld gezien, maar ook veroverd. Eerst vanuit een klein busje, daarna met een luxe touringcar en sinds de jaren ’80 brengt een privejet ze naar alle in- en uithoeken van de wereld. Drank, cocaïne, woordgrappen, gouden platen, kaasplankjes, magazines, vrouwen: wat hebben ze niet met elkaar gedeeld in de afgelopen vijftig jaar?
‘Amsterdam,’ gaat Frankie verder, ‘is fucking crazy, man!’
Ik knik, maar voel het gesprek nu al de verkeerde kant op gaan. Alsof de lezers van de Volkskrant zitten te wachten op verhalen over de wilde uitspattingen van een losgeslagen rockband in een coffeeshop of bij de hoeren. En uw verslaggever al helemaal niet. Met uitgekauwde rockcliches win je nooit de Pop Media Prijs.
‘In de 70’s hebben we toen die hoer in de gracht gegooid,’ vertelt Frankie meer tegen Neill dan tegen mij. ‘Met de fiets van de tourmanager er achteraan. Laughed my ass off.’
‘Yeah yeah,’ zegt zijn creatieve wederhelft. Maar of Neill het nog echt weet, vraag ik me af. Volgens mij weet de man, die ooit claimde het briljante gitaarloopje van de monsterhit Fire My Pistol Of Love in z’n slaap te hebben opgenomen, op dit moment niet eens wie ik ben en waar we zijn. Of wat een gitaar is.
Crazy shit,’ gaat Frankie verder. ‘Ik ben nog nooit zo high geweest. En dan ook nog dat gezeik met die pakken vla, koffiefilters en dat wijf van de fanclub. Man, that shit was fucked up.
‘Yeah yeah,’ mompelt Neill. Vervolgens roggelt hij eens goed en begint dan een zin waarin -als uw verslaggever het goed heeft gehoord en hij heeft ontzettend zijn best gedaan— geen enkele medeklinker zit.
Ik knik als Neill stilvalt. Frankie knikt ook. We zijn het eens over iets waar ik geen weet van heb. Ik besluit dit moment van bezinning aan te grijpen om de controle over het interview terug te pakken. Er is een nieuwe plaat, Jugs, Booties & Babes, en over dat gedrocht moeten we het echt even hebben.
‘Paradiso!’ schreeuwt Frankie ineens. ‘Shithole!
Die zag ik niet aankomen.
‘Vier keer hebben we daar gespeeld. Allemaal kutshows. Lekker wijven, dat wel.’
Ik zeg niks. Even slikken en doorpakken over die nieuwe plaat, dat is het plan. Doorzagen over die kutplaat. Die godvergeten kutplaat van die verdomde kutband die al jaren geleden met pensioen had moeten gaan. 800 woorden en wegwezen. Taxi naar Heathrow, vliegtuig in en terug naar Amsterdam, mijn Mokums paradijs.
‘Die nieuwe plaat…,’ begin ik, maar Frankie hoort me niet eens.
‘Leidseplein!,’ roept de zanger en zijn glas whiskey valt op de grond. ‘Fucking entertainment area!
‘Yeah yeah,’ mompelt de zak botten waar midden jaren zeventig elke vrouw mee in bed gevonden wou worden en wat volgens de hoofdpersoon ook is gebeurd. En dat met een klein lulletje, had Frankie sarrend laten optekenen in zijn biografie. Zoals kwajongens dat bij elkaar doen.
‘En dat ene wijf met die dikke tieten,’ zegt Frankie tegen Neill en de wapenbroeders lachen hard. ‘Die crazy bitch dacht dat ik de vader van dat lelijke kind was, maar het had jouw big ass oren! Amster-fucking-dam, man.’
Neill rolt van de bank en ik ben er nu echt klaar mee.
‘Kom op, Frankie! Ik wil het nu echt even hebben over die nieuwe plaat van jullie,’ roep ik zo hard dat ik er zelf van schrik. Ik ken het verhaal over die “smartass” Duitse journalist die door Frankie uit het raam is geflikkerd maar al te goed.
Het blijft echter stil voor een paar seconden. Dan staat Frankie op, pakt zijn glas van de grond en loopt naar het hoekje van de hotelkamer waar de indrukwekkende drankvoorraad staat.
‘Het is een kloteplaat,’ zegt hij tijdens het inschenken van een nieuwe whiskey. ‘Fucking rubbish. Maar een mooi excuus om te blijven genieten van het mooie leven dat we eigenhandig hebben gecreeërd. ’
‘Yeah yeah,’ klinkt het bevestigend van naast de bank.
Een braaklucht vult de te dure Londense hotelkamer.

Standaard