Op de bar

Ik voel me heel wat

Op mijn derde haalde ik mijn strikdiploma en ik voelde me heel wat. Ik mocht een veterschoen inkleuren als prijs en droeg mijn schoenen met trots. Dat schoenen met veters uit de mode zouden raken en dat ik daar pas achter kwam toen meisjes uit de klas me daar nuffig op wezen, had ik van te voren ook niet kunnen weten.

Vijf jaar later deed ik mijn eerste communie en ik voelde me heel wat. Ik droeg een jurkje met roze bloemetjes en was zo trots als een pauw toen ik mijn hostie kreeg. Dat dat ding bleef plakken aan mijn gehemelte nam ik voor lief. Dat ik twintig jaar later zes brieven moest sturen om me weer uit de katholieke gemeenschap te laten schrijven ook.

Rond mijn elfde maakten we het tuinhekje van ‘Gekke Nel’ kapot en ik voelde me heel wat. Ik was maar wat blij dat klasgenoten me mee namen om kattenkwaad uit te halen.
Nadat mijn vader gebeld werd, omdat de overbuurvrouw had gezien dat kinderen de boel sloopten en dat ik daarbij was, kreeg ik een week huisarrest.

Op mijn veertiende kuste ik met een jongen en ik voelde me heel wat, want hij was al achttien.
Dat hij meteen aan mijn borstjes wilde zitten en ik huilend naar huis ging omdat ik dat niet durfde, accepteerde ik. Ik had wel mooi met iemand gekust; dat kon ik toch maar mooi tegen vriendinnen zeggen. Ik hield het voor me, omdat ik niet zeker wist wie er op mijn avontuurtje zat te wachten.

Twee jaar later vroeg Judith of ik iets voor haar wilde bewaren; haar moeder zou razend worden als ze het zag. Ze drukte een busje pepperspray in mijn hand en ik voelde me heel wat. Als het populairste meisje van de klas me dit toe vertrouwde, móésten we wel vriendinnen zijn.
Ik stond er niet bij stil dat mijn moeder óók razend zou zijn, en al helemaal niet dat Judith het spul ook echt gebruikt zou hebben.
Achter beide dingen kwam ik pas toen de schooldirecteur belde dat ik onmiddellijk terug naar school moest komen, omdat ik bewijsmateriaal achter hield.

Op mijn achttiende danste ik voor het eerst op een bar en ik voelde me heel wat, maar dat kon ook door de drank komen. Van de rest van die avond weet ik weinig. De blauwe plekken die ik de dag daarna ontdekte, vertelden me dat ik beter niet op een bar kon gaan staan.

Toen ik 22 was kochten mijn vriend, wiens oma me steevast Wilma noemde, en ik samen een huis. Ik voelde me heel wat. Toen we anderhalf jaar later uit elkaar gingen, begreep ik dat zijn oma al die tijd gelijk had. Dat mijn naam het onthouden niet waard was, omdat ik toch weer zou vertrekken.

Drie jaar geleden zette ik mijn handtekening onder mijn diploma journalistiek en ik voelde me heel wat. Dat had ik toch maar mooi voor elkaar gebokst. Dat er in deze sector geen werk te vinden is en dat ik nu nog steeds telefoniste bij een witgoedbedrijf ben, had ik van tevoren niet verwacht.

Gisteren kocht ik voor het eerst in mijn leven met personeelskorting een strijkplank. Ik voelde me heel wat. Het kopen van een strijkplank stond voor mij synoniem aan het goed op orde hebben van een eigen huishouden.

Of ik hem ooit ga gebruiken, weet ik nog niet.

Standaard
Op de bar

Lang leve de medische zorg

Toen ik geboren moest worden, bleef ik zitten waar ik zat. Hoe hard mijn moeder ook perste en schreeuwde, ik kwam er niet uit. Zelfs de pomp bracht geen uitkomst. Het werd, derhalve, een keizersnee. Ik had geluk dat ik in een land ter wereld kwam waar de medische zorg uitstekend was.

Op m’n negende kreeg ik koorts. Het was uiteraard niet de eerste keer en alles wees erop dat dit gewoon een griepje was. Ik begon echter ook te hoesten en de koorts liep snel op. Tegen de tijd dat mijn ouders mij meenamen naar de eerste hulp en ik door een verpleegster getemperatuurd werd, had ik 41 graden koorts. In een rolstoel werd ik van hot naar her gebracht, onderzocht, uitgekleed, gescand en gecontroleerd. Longontsteking. Aan het eind van de dag mocht ik naar huis, met een forse dosis antibiotica in m’n lichaam.

Een paar dagen later kwam de uitslag van het bloedonderzoek en bleek ik ook hepatitis te hebben. Welke letter achter de hepatitis stond weet ik niet meer, maar het was wel zo erg dat m’n hele familie met mij aan de penicilline. Besmettelijk, schijnt. Ik herstelde in drie weken en ik had geluk dat ik kind mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Halverwege m’n achttiende had ik buikpijn. Een drukkende pijn onder m’n navel, die snel uitbreidde naar de rechterkant. Blaasontsteking, dachten m’n ouders. Misschien een blindedarmontsteking? Er werd besloten het nog een dagje aan te kijken. De volgende ochtend kwam de huisarts, omdat ik inmiddels niet meer naar de dokter toe kon komen. Ze was er in vijf minuten uit: blindedarmontsteking. Acute appendicitis, zo noemde ze het. Ze belde een ambulance – onze auto was in gebruik – en enkele uren later werd ik geopereerd.

Vijf dagen lang werd ik in slaap gehouden. Twee keer werd m’n buik geopend en schoongespoeld, om het pus van de geperforeerde blindedarm weg te ruimen. Ik ontwikkelde bloedvergiftiging, hartritmestoornissen zelfs. Toen ik wakker werd kon ik m’n hoofd niet meer optillen van m’n kussen. M’n lichaam had zichzelf opgegeten in het gevecht tegen de ziekte.

Na vier weken mocht ik het ziekenhuis verlaten. Zo dun als een gevangene in een Nazi-concentratiekamp – een harde vergelijking die helaas wel naar waarheid is. Driekwart jaar later was ik weer zo’n beetje de oude. Ik mocht weer gaan studeren en ik had geluk dat ik mens mocht zijn in een land waar de medische zorg uitstekend was.

Nu ben ik 27. Volgens het ritme moet ik in dit levensjaar weer iets levensbedreigends krijgen. Ik heb daarvoor alvast één ding besloten: als ik de 28 haal, vier ik dat op de bar van een café. En dan mag ik straks geluk hebben dat ik dronken mag zijn in een land waar de medische zorg uitstekend is.

Standaard