HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De verzameling van meneer Visscher

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 1 is het verhaal De verzameling van meneer Visscher van Marije Catsburg geëindigd! Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De verzameling van meneer Visscher

Op een regenachtige zondagochtend klopten er twee politieagenten aan bij restaurant ‘De Meermin’, dat net buiten het gehucht Weerdekkersvaart lag.
‘Meneer Visscher, bent u daar?’ riep agent Voskuil. Hij klopte nog eens drie keer hard op de houten deur. ‘We zijn van de politie. Maakt u zich geen zorgen, we willen u alleen een paar vragen stellen.’
De deur ging langzaam en krakend open. Meneer Visscher stond in zijn pyjama in de deuropening. Zijn vette haar zat plat over zijn kruin gestreken en zijn rimpelige gezicht zat vol pigmentvlekken.
‘Nou? Wat willen jullie weten?’ vroeg hij.
Agent Zandstra stapte langs hem heen naar binnen.
‘We zijn hier omdat er een echtpaar vermist wordt, meneer. Ze zouden drie dagen geleden hier in uw restaurant gegeten hebben en daarna is er niks meer van ze vernomen.’
Ze observeerde het lege restaurant. Er stonden een stuk of tien houten tafeltjes, met aan elk twee houten stoelen. Tussen het spinrag op de muur hingen schilderijen van oude schepen en er hingen tientallen planken die vol stonden met kleine beeldjes van walrussen. In de raamkozijnen stonden kleine vuurtorens en stoffige replica’s van oude schepen.
‘Drie dagen geleden, hè? Ik herinner ze nog wel, ze hebben gevulde garnalen gegeten en zijn na zo’n anderhalf uur weer vertrokken,’ zei meneer Visscher.
‘Je weet gelijk over wie we het hebben,’ zei agent Voskuil.
‘Ik heb niet zo vaak klanten. Internet schrijft weinig positiefs over mijn eten, daardoor blijven ze weg.’
Agent Zandstra liep langzaam door het restaurant en bekeek de walrusfiguurtjes aandachtig.
‘U bent gek op walrussen, of niet? Dit zijn zeker tweehonderd beeldjes.’
Meneer Visscher kwam naast haar staan en pakte één van de kleine walrusjes van een plank.
‘Walrussen zijn fascinerende dieren, agent. Ik verzamel al twintig jaar alles wat met ze te maken heeft,’ zei hij. Hij wreef met zijn mouw over de kop van de walrus. ‘Deze hier heb ik gekocht bij een echte Inuit. Hij heeft hem met de hand gemaakt van een walrusslagtand.’
‘Handel in ivoor is verboden, meneer Visscher. Wist u dat?’
Meneer Visscher pakte een groter beeldje van de plank en hield het voor haar gezicht.
‘Deze heb ik zelf gemaakt, van steen. Echt mooie structuren krijg je helaas alleen als je een zeer specifiek materiaal gebruikt. Ik heb een Inuit het ooit zien gebruiken, maar in Nederland is het, laten we maar zeggen, moeilijk verkrijgbaar,’ zei hij. ‘Toch heb ik recent wat kunnen experimenteren ermee en het resultaat is werkelijk verbluffend.’
Agent Voskuil griste het walrusje uit de hand van meneer Visscher en zette het met een doffe dreun terug op de plank.
‘We zijn hier voor het vermiste echtpaar, niet voor een les beeldhouwen. Zou u nu zo vriendelijk willen zijn om ons uw keuken te laten zien?’
‘Goed, goed. Maar blijf van mijn beeldjes af, wil je?’ Hij leidde de agenten door een deur naar de keuken. ‘Kijk gerust rond. Ik ga me even fatsoenlijk aankleden.’
Meneer Visscher liep terug het restaurant in en de agenten hoorden voetstappen op een trap. Zodra hij buiten gehoorsafstand was, begonnen ze alle kasten open te trekken.
‘Vreemd figuur,’ zei agent Zandstra tegen haar collega.
‘Vertel mij wat. Er hangt sowieso een hele merkwaardige sfeer in het restaurant, vind je niet?’
In de kasten stonden een paar blikken tonijn waarvan de houdbaarheidsdatum al maanden verstreken was en in de lades lagen wat verroeste lepels en een paar botte messen. Het zag er niet naar uit dat meneer Visscher in staat was in deze keuken een fatsoenlijk gerecht te bereiden.
‘Geen wonder dat hij slechte recensies krijgt,’ grapte agent Voskuil. Hij draaide de sleutel van een bezemkast om en opende de deur.
‘Dit is al helemaal merkwaardig,’ zei hij, met zijn blik gefixeerd op twee jassen die op de vloer lagen. ‘Wat voor kleding droeg dat echtpaar donderdag ook alweer volgens het signalement?’


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal De verzameling van meneer Visscher van Marije Catsburg:

Goed verhaal, want: Het beeld van het restaurant is echt goed neergezet. Goed de interesse gewekt van de lezer. Je wil weten wat er gebeurd is en daarom blijf je doorlezen. Uitstekende locatiebeschrijvingen. Ook die enge meneer Visscher, met zijn plakhaar, is heel goed gecast. Het creepy sfeertje in het restaurant voelt levensecht, en dat is best knap voor zo’n fantasievol verhaal.
Verbeterpunt: Kijk ook nog eens goed naar je beschrijvingen van handelingen. Een zin als ‘Ze observeerden het restaurant’ kan weg als je daarna beschrijft wat er in het restaurant staat.. Zo schrijf je nogal wat keren dat je personages dingen zeggen, pakken of opendoen. Hoeft allemaal niet en weglaten maakt het verhaal mooier, strakker. De agenten spreken clichématig en gekunsteld. Probeer ze een echte, eigen stem mee te geven. De zin over het moeilijk verkrijgbare materiaal en het recente experimenteren geeft iets teveel weg. Door de suggestie levend te houden, houd je ook het verhaal spannend. Nu weet je het al en kan de lezer daar eigenlijk al stoppen. En mocht er nog een sprankje suggestie zijn, is die aan het eind helemaal weg. Dat is zonde. Zet de lezer op het verkeerde been, wek suggesties, laat hem nadenken, maar onderschat hem niet.
Mooiste zin(sdeel): ‘Zijn vette haar zat plat over zijn kruin gestreken en zijn rimpelige gezicht zat vol pigmentvlekken.’
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De Walrus

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 2 is het verhaal De Walrus van Alex Ebbers geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De Walrus

De mannen van de Admiraal Kondakov stonden klaar om aan boord te gaan. Behalve Dominik, want die mocht niet mee. Het was een winderige herfstdag. De Russische vlag op het reusachtige schip wapperde zo hard dat het leek alsof hij elk moment van zijn stok kon waaien. De windvlagen maakten vogelnesten van de kunstige kapsels van de thuisblijvende vrouwen. Kinderen klampten zich vast aan de reling van de walkant, of aan de benen van hun wankelende moeders. Alles en iedereen werd bijna van zijn sokken gewaaid, maar de Admiraal gaf geen kik. De boot stond als een huis. Alles zou Dominik ervoor overhebben om mee te mogen varen. Hij zou het dek schrobben met enkel een tandenborstel. Hij zou het vuile ondergoed van de bemanning eigenhandig wassen en God, als het moest zou hij de Grote Oceaan overzwemmen om ook maar één nachtje op zijn grote liefde, de Admiraal Kondakov, te mogen slapen.
Met een glinstering in zijn ogen keek Dominik naar de boot. Weken had hij getraind. In groepen van tien werden ze klaargestoomd voor de grote reis. De sterksten en de slimsten verdienden een plaatsje op de Admiraal en Dominik was vastbesloten dat hij daar één van was. De slimste zou hij niet worden, dat mocht op de lagere school al duidelijk zijn. En wie niet slim is, moet sterk zijn, dus trainde Dominik. Hij trainde en trainde tot hij niet meer kon en dan ging hij nog een stukje verder. In die weken groeide hij uit van een jongen tot een man, maar het mocht niet baten. Hij was niet mans genoeg voor de Admiraal.
“Misschien volgend jaar, jongen,” had kolonel Lavrov hem gerustgesteld. Dominik knikte; volgend jaar misschien. Maar had hij goed om zich heen gekeken, dan had hij geweten dat er nog vele volgende jaren zouden komen. Dominik was gegroeid, een sterke man en zeker geen draak om naar te kijken. Maar een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. En vergeleken met de zwakste schakel van de Admiraal Kondakov was Dominik slechts een nietje.

Alle koffers waren ingeladen, de wind was wat gaan liggen en de vrouwen hadden hun kapsels weer in model gebracht. Er werden laatste zoenen uitgedeeld. De vrouw naast Dominik drukte haar man een foto in zijn hand en gaf hem een onhandige kus op zijn rechterwang.
“Vergeet me niet,” snotterde ze, waarna haar geliefde de foto in zijn borstzak stak, zijn koffer oppakte en richting het schip liep. Dominik keek weer naar de Admiraal. Zo geduldig, zo rustig lag ze erbij. Hij beeldde zich in hoe hij zijn eigen vrouw gedag zou zeggen, mocht hij ooit meevaren. Hij zou haar zoenen en zeggen dat hij haar zou gaan missen. Hij zou beloven haar te bellen en er waarschijnlijk zelfs een traan uit persen. Maar zou ze weten dat ze altijd op de tweede plek zou staan? Dat de Admiraal zijn ware liefde was en dat hij er geen moment over zou peinzen zijn vrouw op te geven voor een leven op de Admiraal?

De mannen van de Admiraal Kondakov stonden aan boord, klaar om te vertrekken. Ze zwaaiden naar hun huilende vrouwen, hun kinderen, hun juichende vrienden en naar Dominik. En Dominik zwaaide terug. Met pijn in zijn hart, maar met hoop in zijn ogen keek hij hoe zijn liefde zonder hem vertrok. Hij keek naar haar totdat ze alleen nog een stipje aan de horizon was. Hij stak zijn handen in zijn zakken en liep langzaam naar huis. Volgend jaar, volgend jaar stond hij niet meer aan wal.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal De Walrus van Alex Ebbers:

Goed verhaal, want: Topverhaal dit: goede sfeer, sympathiek personage, mooie zinnen. Van begin tot eind pakkend. Boeiende karakters, mooie beeldspraak, hoofdpersoon die je wat gunt. Je leert Dominik echt kennen en je voelt zijn liefde voor het schip en zijn wil om mee te gaan. Mooi geschreven, mooi omschreven.
Verbeterpunt: Het einde slaat een beetje dood. Je blijft achter met een gevoel van ‘was dat het?’ Er mist iets wat prikkelt om verder te lezen, een mysterie, iets verrassends, wat dan ook. Het is ook wat cliché dat een jongen nog niet sterk genoeg is en volgend jaar mee mag. Als je een andere reden verzint die niet zo voor de hand ligt is het nóg beter. De titel is oké, maar het wordt in het verhaal wel duidelijk dat het om een Rus gaat die aan wal blijft, dus kan de titel juist iets pakkender. Soms zijn er wat zinnen die de stijl breken. Een zin als ‘Alles en iedereen werd bijna van zijn sokken gewaaid’ past niet in het geheel.
Mooiste zin(sdeel): ‘Maar een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. En vergeleken met de zwakste schakel van de Admiraal Kondakov was Dominik slechts een nietje.’
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Tekening op de koelkast

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 3 is het verhaal Tekening op de koelkast van Bente van de Wouw geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Tekening op de koelkast

Ik houd van tekenen. Zoveel, dat er iedere dag een nieuwe tekening op de koelkast gehangen wordt. Op de meesten staan huisjes met een grasveld en mijn lievelingshond. En mama, ik teken graag mijn mama. Maar wat ik het allerliefst teken, zijn walrussen. Die hangen alleen niet op de koelkast, want van mama mag ik geen walrussen maken met mijn kleurpotloden. “Walrussen zijn niet lief,” zegt ze dan als ik boos word. En dan pakt ze mijn potloden af, totdat ik weer een huis met een grasveld maak. Ik vind het niet eerlijk, want zij heeft haar eigen Walrus, en ik mag er niet eens een tekenen.
“Heb je ons huisje nagemaakt?” Mama buigt over me heen, haar beide handen op mijn schouders.
“Nee, ik heb het huis getekend waar ik in ga wonen. Alleen.”
“En waar ga ik dan wonen?”
“Bij Walrus.”
Haar handen glijden van mijn schouders af.
“Ik woon veel liever met jou in een huis, Tom.”
“Waarom?”
“Omdat ik met jou de hele dag samen ben, en Walrus komt maar af en toe langs.”
“Waarom?”
“Omdat ik daarvan jouw lievelingsbroodjes met hagelslag kan kopen. Met die funnies.”
Ik houd van funnies, bijna net zoveel als van tekenen.
“Wanneer mag ik zo’n broodje?”
“Morgen,” zegt ze. En dan drukt ze een kus op mijn hoofd en loopt ze de kamer uit. Ik hoor de deur van de badkamer dichtgaan. Dat doet ze altijd als hij komt.
Ik begin net met het inkleuren van het gras als de deurbel gaat. Ik spring op. Misschien ben ik dit keer wel eerder bij de deur. Ik heb net de klink vast als ik mama’s voetstappen hoor. Ze tilt me op, brengt me naar mijn kamer en gaat op haar knieën voor me zitten. De bel gaat nog een keer. Mama’s mond is een strakke streep, net als die van mij.
“Ik heb toch gezegd dat je niet open mag doen, Tom?”
Ik knik.
“Mama wil dat je hier blijft in de slaapkamer, zoals we altijd doen. Oké?”
Ik knik nog een keer. Dan geeft ze me een kus op mijn hoofd en loopt ze terug naar de huiskamer.
Ik luister naar de voetstappen, naar het opengaan van de deur. En dan hoor ik hem. Walrus. Een lage stem, veel lager dan die van mij. Nog meer voetstappen, veel zwaarder dan die van mama. Bij iedere stap die hij zet een zuchtje, alsof lopen zwaar voor hem is. Dan een deur die dichtslaat. Mama’s kamer. Daarna is het stil.
Zou hij op de walrussen lijken die ik stiekem teken als mama niet kijkt? Heeft ze hem daarom die bijnaam gegeven? Hij heeft vast een snor. Toch?
Ik loop voorzichtig naar mijn kamerdeur en doe de klink zo zachtjes mogelijk naar beneden. Op mijn sokken sluip ik langzaam naar het eind van de gang, waar mama’s deur is. Ik leg mijn oor ertegenaan. Ik hoor zijn zuchtjes, maar dit keer loopt hij niet. Voorzichtig doe ik de deur open, zodat mama het niet kan horen. En dan zie ik hem. Hij heeft geen snor. En mama had gelijk, volgens mij is hij helemaal niet lief.
Ik houd van tekenen. Op de meeste tekeningen staan huisjes met een grasveld en mijn lievelingshond. En mama, ik teken graag mijn mama. Maar wat ik liever niet meer teken, zijn walrussen.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Tekening op de koelkast van Bente van de Wouw:

Goed verhaal, want: Schrijven vanuit het oogpunt van een kind is moeilijk. In dit verhaal is het goed gelukt. Het is geloofwaardig. Daarnaast: je houdt het spannend. Je vertelt de lezer niet te veel maar genoeg om te willen doorlezen. Er is volop gebruik gemaakt van het ‘show, don’t tell’ principe. En het is een verhaal waar je een beetje een unheimisch gevoel van krijgt, wat een sterk pluspunt is.
Verbeterpunt: Ik wil meer weten! En het zo rond maken, die herhaling van het begin in het einde, is een (te) makkelijke manier om een verhaal af te sluiten waar eigenlijk nog wel meer in zit.
Mooiste zin(sdeel): “Mama’s mond is een strakke streep, net als die van mij.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Bakkie troost

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 4 is het verhaal Bakkie troost van Chynna Jansen geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Bakkie troost

Er was een tijd dat het anders was. Dan liep ik op een zomerdag naar de achtertuin. Mijn vader had het opblaaszwembad al klaar staan. Dat had hij diezelfde ochtend nog gekocht. Speciaal voor mij. Met mijn grote teen voelde ik dan of het water niet te koud was, want zelfs op de warmste zomerdagen konden mijn armharen rechtovereind staan. Op zo’n dag hing ma de was buiten aan de waslijn. De blauwe knijpers mochten alleen op pa’s T-shirts. Ja, ma had zo haar eigen systeem voor het gebruik van knijpers. Ze had nog net geen gebruikershandleiding gemaakt. Pa’s favoriete T-shirt was dat van de bierdrinkende walrus. Die zomerdagen eindigden met een BBQ in de tuin. Ik at altijd friet met een frikadel. Mijn pa was gek op vlees, mijn ma op salades. In bed luisterde ik dan naar mijn ouders die nog buiten zaten. Naar hun stemmen, naar de jazzmuziek. Zorgeloos viel ik dan in slaap.
Er was een tijd dat het anders was. Dan ging ik met vriendinnen winkelen om de gekste festivaloutfits te scoren. Op zo’n dag zaten we op een terras, dronken we een gezond fruitsapje en aten we een broodje met beenham, of zoiets. We lachten om elkaar en om alles om ons heen. De mensen die voorbijliepen, de dingen die we zagen. Woorden hadden we niet nodig. Alleen een blik. Met die vriendinnen kon ik uren praten. We praatten zelfs door tot de vogeltjes wakker werden. Pa keek ons dan de volgende ochtend hoofdschuddend aan. Niet zijn ding. Pa hield van slapen en geloof me, ik ook. Maar een nacht over van alles praten heeft ook wel wat, toch?
Er was een tijd dat het anders was. Nu staar ik naar de gele muren. Die had pa jaren geleden gewit. Je ziet precies waar ma’s schilderijen hingen. Ma was dol op kunst, vooral op die van Mondriaan. Ik staar naar buiten. Zo heb ik weken niks. En zo heb ik in één week drie crematies. Ik weet niet anders, ik ken niet anders. Nee, dat is niet waar. Ik weet hoe het anders was. Ik ken het gevoel, de sfeer, de liefde. Ik ken het, ik heb het gevoeld. Ik lust wel een bakkie troost en toch, ook met koffie, zeg ik: liever vandaag dan morgen, want er was een tijd dat het anders was.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Bakkie troost van Chynna Jansen:

Goed verhaal, want: Het verhaal raakt, de herhalingen zijn mooi en die wordt op het eind ook nog mooi teruggepakt. Je voelt hoe gelukkig haar jeugd was en hoe ze daar met liefde aan terugdenkt.
Verbeterpunt: Het thema is er een beetje geforceerd in verwerkt, en drie crematies in een week is een beetje gek. Het is vrij onduidelijk wie er dan afgelopen week zijn gestorven, we hebben het gevoel dat de moeder al langer dood was. Het ‘pa en ma’ is wat afstandelijk. Gezien de liefde in het verhaal, zou papa en mama beter staan.
Mooiste zin(sdeel): “Ik weet hoe het anders was. Ik ken het gevoel, de sfeer, de liefde. Ik ken het, ik heb het gevoeld.”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

De grote mannentafel

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 5 is het verhaal De grote mannentafel van Ezra Wildbret geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


De grote mannentafel

We zijn nog niet begonnen,’ zei de man met het zwarte, krullende haar.
De twee andere mannen keken hem aan.
‘Hij is er nog niet. Geduld.’
Het felle TL-licht scheen over de gezichten. De klok tikte luid in de woonkamer waar Perzische tapijten en tierlantijntjes de inrichting domineerden.
‘We wachten uur, Kalit,’ zei de man links van Robin met een zwaar accent.
Kalit boog zich naar voren. ‘Deze deal is belangrijk, toch Yunus?’
Yunus knikte.
‘Drink dan en heb geduld.’
Robin haalde diep adem. Het was heel makkelijk, had zijn vader gezegd. Naar binnen gaan, gaan zitten, wachten, geld geven, walrus in je tas doen en weggaan.
‘Een koud kunstje’, had hij het genoemd. Robin vond het geen koud kunstje. Het was behoorlijk warm in de kamer.
Kalit schoof hard zijn stoel achteruit. Hij verdween achter de gangdeur en kwam terug met een grote waterpijp. Hij zette hem op tafel en fikte de kooltjes aan met zijn zilveren aansteker. Hij haalde een mondtuitje uit plastic en schoof hem op het uiteinde van de slang. Robin volgde elke beweging nauwkeurig. Kalit lurkte een paar keer hard aan de slang, waardoor het water ging bubbelen.
Hij hield de slang voor Robins neus.
‘Jongen jong. Heel jong,’ zei Yunus.
De man keek hem doordringend aan met zijn donkere ogen. ‘Hij zit aan de grote mannentafel nu.’
Robin deed het tuitje in zijn mond en zoog. Een lawine stof vulde zijn longen.
Hij kuchte en hoestte, tot groot vermaak van de rest. Rook kwam op dezelfde manier uit zijn neus als uit zijn vaders neus, als hij een sigaret rookte.
Hij was die middag in zijn stoel blijven zitten en had bloed overgegeven.
‘Blijf thuis ,Herman,’ had zijn moeder gesmeekt.
‘Dit is belangrijk. Deze zorgen,’ hij wreef over zijn borst, ‘zijn voor morgen.’
‘Kijk dan toch naar jezelf. Je kan niet eens opstaan met dat logge lijf van je.’
Zijn vader had naar Robin gekeken, waarop zijn moeder hem alleen maar strak aankeek en zei: ‘Als je het maar uit je hoofd laat.’
Herman had toch zijn vrienden gebeld en Robin op pad gestuurd.
De deur ging open en er kwam een dunne man binnen open.
‘Merhaba,’ zei hij terwijl hij Kalit op zijn wang kuste.
‘Merhaba Osman,’ knikte Kalit op zijn beurt. Osman groette de rest van de mannen en trok zijn wenkbrauw op bij het zien van Robin.
‘Hermans jongen,’ zei Kalit.
Ondanks zijn argwaan, zette hij een pakketje op tafel voor Robin neer. Het was in flinterdun papier verpakt. Robin kon door het papier heen kijken. Hij snapte niet wat zijn vader met een grijs walrusbeeldje wilde. Voordat Robin het kon pakken, legde Osman zijn hand erop.
‘Betalen.’
Geschrokken draaide Robin zich de andere kant op om zijn rode rugzakje te pakken. Hij bukte en had bijna de hengsel vast. Een zwaar geluid achtervolgde hem. Hij begreep niet wat er gebeurde, totdat er naast zijn handen iets kapot viel. Grijze scherven verspreidden zich op de vloer terwijl er wit poeder tussen de gleuven van het hout verdween. Als laatste schoof de slang van de waterpijp van tafel. Alles kieperde op de vloer. Kolen en al. Het was doodstil. Robin durfde niet overeind te komen, zijn adem stokte.
‘Grijp hem.’
Robin kwam langzaam in beweging. Hij pakte zijn rugzakje en stoof door een paar benen heen. Kalit stond voor de deur. Hij tilde Robin op en kneep hard in zijn armen.
‘Besef je hoeveel geld?’
Yunus stond met drie passen naast Kalit. ‘Laat jongen gaan. ‘
Kalit kneep alleen maar harder.
‘Zoon Herman. Laat gaan.’ Yunus duwde Kalit en trok een zakmes. Robin viel op de vloer, krabbelde overeind en rende naar de voordeur. Zo snel als zijn beentjes hem konden dragen rende hij de trappen af totdat hij de buitenlucht op zijn gezicht voelde.
Hij rende en rende. Zijn vader zou vast teleurgesteld zijn. Hij had veel meer laten vallen dan alleen een walrus.
Deze zorgen waren niet voor morgen.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Grote mannentafel van Ezra Wildbret:

Goed verhaal, want: We zitten erbij, daar in die kamer met die creepy gasten die zo ver van Robins wereld afstaan. Het verhaal kent een zekere spanning, de sfeer is goed neergezet, je voelt de vibe. Het is interessant. Je wilt verder lezen. Het is heel beeldend geschreven. Je ziet al hoe in een verfilming Ton Kas de bloed hoestende vader zal spelen. Fijne balans tussen dialoog en vertelling. Sympathieke drugslord die Yunus trouwens, niet bepaald je typische Mocro Maffioso.
Verbeterpunt: Meer spanning in het einde, nu mag die jongen vrij snel weggaan, zonder dat we de consequenties weten. We weten dat de hoofdpersoon zich zorgen maakt dat zijn vader teleurgesteld zal zijn, en dat is het dan. Het is wat leeg. De bewoording is lichtelijk cliché: een koud kunstje, een stokkende adem, tot groot vermaak van de rest.. Sommige dingen moesten twee keer gelezen worden voordat duidelijk was wat er gebeurde. Tekstueel kan het dus scherper. Check op spelfouten en neem wat meer de tijd voor je zinnen.
Mooiste zin(sdeel): “‘Dit is belangrijk. Deze zorgen,’ hij wreef over zijn borst, ‘zijn voor morgen.’”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Maandagmorgen

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Het Schrijversgenootschap voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd. Aan de studenten vroegen we om een kort verhaal te schrijven binnen het geweldige thema ‘Walrus’. Op nummer 6 is het verhaal Maandagmorgen van Florian Teufer geëindigd. Een juryrapportje vind je onder het verhaal.


Maandagmorgen

Maandagmorgen Joris schoof twee bammetjes Portugese grilworst naar binnen en spoelde de droge broodhompen weg met een koud glas melk. Nog steeds zat er een brok in zijn keel, ter grootte van een tennisbal.
Zijn huis lag aan de vijver en het keukenraam keek uit op zijn basisschool; De Damrakkertjes. Joris zat al in groep acht, de jaren gingen snel, maar niet snel genoeg naar zijn smaak. Zouden ze er al staan, vroeg hij zich af. Een nieuwe schoolweek was weer begonnen, het weekend was veel te kort geweest. Joris gluurde uit het keukenraam door zijn vaders verrekijker. Meegenomen van zijn vakantie naar Afrika, afgelopen zomer. Zijn vader had een koffer vol exotische spullen meegenomen. Waaronder een kleed van zebravacht en een stuk ivoor, van een olifant.
Bas, Floris en Jan-Willem stonden zijdelings voor de ingang van het schoolplein. Meisjes mochten erlangs, jongens moesten een gulden betalen. Dat ging zo sinds de vijfde klas. Inmiddels wisten de kinderen van De Damrakkertjes niet beter. School is voor niemand makkelijk. Domoren krijgen later een minimumsalaris, dan kunnen ze beter alvast beginnen met sparen. De rest – de snuggere kinderen – verdienen die guldens later dubbel en dwars terug.
Voor Joris gold een uitzondering op de regel. Joris deed dieren na, voor het vermaak van Jan-Willem. Dan trok hij zijn iets te zware jongenslichaam in een kastanjeboom, als een gorilla. Of kroop hij op handen en knieën door het gazon, als een hond. Of at hij mieren, als een miereneter. Hij kon het allemaal goed, het acteren zat in het bloed.
Ooit had zijn vader zich drie weken niet laten zien, moeder zei dat hij er met een ander vandoor was. Bij terugkomst zei vader dat het allemaal flauwekul was. Moeder had het overtuigend gespeeld. Sindsdien drinkt ze graag rode wijn, om beter in haar rol te komen. IJzersterk. Vandaag moest Joris een walrus nadoen, dat had Jan-Willem hem vrijdag op dringende toon verteld.
Hij pakte het ivoor van zijn vaders kastje en stopte het in de achterzak van zijn spijkerbroek. Het was kwart voor acht. Een kleine vijf minuten tegen de wind in trappen en hij was er al. Hij parkeerde zijn fiets om de hoek van De Damrakkertjes en liep richting de ingang van het schoolplein.
“Je bent laat,” zei Jan-Willem.
“Het is tien voor acht,” zei Joris.
“Draag jij nu ook een horloge, vlezig mannetje?” zei Floris.
“Het is tien voor acht, we moeten naar binnen.” zei Joris en hij zette twee stappen naar voren.
“Ben je het vergeten?” zei Jan-Willem.
Hij was het niet vergeten, hij wilde het niet weten. Dat was toch echt iets anders. Op het moment dat Joris een stap naar achteren zette drukte Bas zijn met eelt bedekte handen in zijn zij. Floris greep zijn benen en samen tilden ze hem op. Joris stribbelde niet eens tegen. Met een doffe plons kwam hij terecht in het januarikoude water.
“Ik zei toch, je bent vandaag een walrus,” zei Jan-Willem.
Joris klauterde klunzig, maar rustig de vijver uit via de kade. Klemde het ivoor stevig in zijn rechterhand, hief het ter hoogte van zijn mond en stak het zonder twijfelen in de buik van Jan-Willem, als een wild dier. Jan-Willem zakte naar de grond met twee groene jongensogen vol onbegrip.
“Ik heb geoefend, vind je het wat?” fluisterde Joris in het oor van Jan-Willem.


Het juryrapport

Het Schrijversgenootschap zegt het volgende over het verhaal Maandagmorgen van Florian Teufer:

Goed verhaal, want: Mooie zinnen, goed de personages neergezet voor zo’n kort stukje, verhaal wekt de interesse, spoort aan tot doorlezen. Leuke setting en een grappig plot. Blijft tot vlak voor het einde spannend, boeiend en vermakelijk. En er is creatief omgegaan met het thema!
Verbeterpunt: Waarom heb je gekozen voor verleden tijd? Ook lijkt het taalgebruik niet te passen bij een achtstegroeper. En waarom moet ‘ie naar school op de fiets, terwijl hij het gebouw kan zien vanuit zijn keuken? Dan zou hij toch eerder gaan lopen?

Een iets realistischer einde zou het verhaal ten goede komen. Joris lijkt ons geen type om zomaar iemand neer te steken, daar moet minstens een schoolreünie aan te pas komen. Als hij zich jarenlang heeft kunnen ‘harden’, nu zat er slechts een weekendje tussen de pesterijen en hij is bangig als hij naar school toe moet. Tot slot: Een Joris en een Floris in een verhaal is verwarrend.
Mooiste zin(sdeel): “‘Sindsdien drinkt ze graag rode wijn, om beter in haar rol te komen.’”
Standaard
HVA schrijfwedstrijd: Walrus

Deze 2 weken verhalen van HVA studenten

In samenwerking met de minor Creatief Schrijven van de Hogeschool van Amsterdam organiseerde Schrijversgenootschap de (Voorheen) Lege Bladzijde (ja, dat is onze volledige naam) voor het derde jaar op rij een heuse schrijfwedstrijd.

De afgelopen weken zijn studenten van deze minor aan de slag geweest met een opdracht die wij voor hen in het leven hebben geroepen. Het idee was simpel: schrijf een kort verhaal binnen het thema ‘Walrus’. Jawel.

De komende twee weken presenteren wij de zes beste verhalen, uitgezocht door de vaste schrijvers van Het Genootschap. Natuurlijk met een klein juryrapportje onder elk winnend verhaal

Kortom: even geen verhalen van de schrijvers waar u zo dol op bent, maar zes ook heel leuke gastschrijvers uit de kweekvijver die de Hogeschool van Amsterdam heet.

Veel plezier de komende dagen en voor de winnaars: gefeliciteerd!

Standaard